De trein van 8.17 (rentrée, 2)

Mijn kantoor rijdt met bijna 300 kilometer per uur door Noord-Frankrijk. Zodalijk rijdt de Thalys Gare du Nord binnen, over een uur zit ik in de TGV met bestemming Nancy. Die stad organiseert traditiegetrouw de eerste Salon du Livre van de rentrée, dit jaar worden er maar liefst 600 auteurs verwacht. Drie volle dagen van interviews, debatten en radio- en tv-uitzendingen. Voor de ambassade en het Letterenfonds ga ik eens met de festivaldirecteur bespreken of daar volgend jaar niet een paar Nederlandse schrijvers bij kunnen zijn.

Dagblad Le monde kopt: L’ouragan Irma sème la dévastation aux Antilles. De regen klettert tegen de ramen, de Noord-Franse dorpjes in het glooiende landschap liggen er vredig bij. Ik ben beland in een groepje dertigers, vrouwen die worstelen met mannen (doet die van jou dat ook?), kleine kinderen (alweer verkouden/niet doorgeslapen/huilerig) en bazen die hun het leven zuur maken (laptop meegenomen naar Afrika/zin om af te haken/kan het dak op). Parijs lonkt. ‘We want to sit together’, roepen ze tegen de Franse conductrice die hen erop wijst dat ze andere stoelen bezetten dan die ze hebben gereserveerd.

Ik denk aan een mooi boekje dat ik van de zomer in één ruk uitlas, De trein van 6.41, van Jean-Philippe Blondel, in de vertaling van Martine Woudt (uitgeverij Cactusbooks). Een man en een vrouw komen in een vroege volle trein, van de banlieue naar Parijs, naast elkaar te zitten. Ze kennen elkaar, herkennen elkaar na een tijdje, dertig jaar geleden hadden ze iets, een weekend Londen verliep desastreus. Hij (net gescheiden, ongelukkig, mislukte carrière) denkt achteraf met schaamte terug aan wat hij deed, zij (geslaagde getrouwde zakenvrouw op de terugweg van een bezoek aan haar ouders) wilde sindsdien nooit meer naar Londen terug. Je belandt in hun hoofd, in de wilde stroom van gedachten en van beelden van toen, van nu. Ze wisselen geen woord. Een heel leven trekt aan je voorbij. Blondel pakt je in.

En vooral blijft het daar, in die treincoupé heerlijk rustig.

 

De rentrée 2017 is begonnen (1)

De Fransen zijn uit hun zomerslaap ontwaakt. De hele maand augustus hoef je geen antwoord te verwachten op wat voor vraag dan ook. Maar op 1 september staat iedereen weer in de startblokken, de rentrée is heilig – en zeker in het boekenvak.

De komende weken zullen 581 nieuwe romans in de boekhandel liggen, 390 Franse en 191 vertalingen. Dat is iets minder dan vorig jaar, toen waren het er 560, en een stuk minder dan in de ‘vette jaren’, in 2007 bijvoorbeeld waren het er 727. Daarbij zijn er 81 debuten tegen 66 vorig jaar.

Het wordt een ‘serieuze’ rentrée, schrijft Livres Hebdo, de Franse versie van Boekblad, ze zien boeken aankomen over allerhande urgente actuele onderwerpen, terrorisme, klimaat, migratie en koloniale geschiedenis. Bovendien is het een rentrée waar voor het boekenvak veel van afhangt: de eerste helft van dit jaar was ronduit slecht (-5%), wat volgens kenners van de BIEF (Bureau International de l’Edition Française) normaal is in een verkiezingsjaar. Dan gaat de aandacht van het publiek uit naar de politiek – zeker met de aardverschuiving van dit voorjaar -, er verschenen dan ook tientallen boeken van en over de politici die in de schijnwerpers stonden. Maar ook die verkoop is tegengevallen. Politiek en literatuur gaan kennelijk slecht samen, ook en zélfs in Frankrijk.

Vandaar dat er nu hoopvol gesproken wordt van een ‘rentrée riche’: grote namen én relatieve nieuwelingen, auteurs van een succesvolle eerste of tweede roman, ze verschijnen de komende tijd allemaal op een kluitje en ze hopen allemaal op een plek op de eerste lijst van geselecteerden voor de grote literaire prijzen. Natuurlijk geldt dat voor de auteurs, maar waarschijnlijk nog meer voor de uitgevers, die de eerste slechte helft van dit jaar moeten zien te compenseren met goede verkopen in de tweede helft.

En dus zetten groots in, met Amélie Nothomb (Albin Michel, oplage 150.000 exemplaren), Marie Darrieussecq (POL), met Eric Reinhardt (oplage 50.000), Marc Dugain en Fabrice Humbert (Gallimard), met Kamel Daoud (oplage 50.000), Claudie Gallay en Lola Lafon (Actes Sud).

Wie zijn er ‘incontournables’ dit jaar, om wie kunnen we écht niet heen? Livres Hebdo noemt er tien, onder wie Erik Orsenna (de briljante alleskunner en alles-willen-weter, die onlangs door de nieuwe minister van cultuur werd benoemd als ‘ambassadeur voor het boek’, over La Fontaine, oplage 50.000), Sorj Chalandon (van wie dit najaar ook een Nederlandse vertaling uitkomt), de fantastische schrijver Jean-Philippe Toussaint, de toneelschrijver en auteur Eric-Emmanuel Schmitt (oplage 120.000) die ook bij ons een groot lezerspubliek heeft, de erudiete schrijfster Chantal Thomas (met een boek over haar moeder) – en het verhaal dat Philippe Besson maakte van Emmanuel Macrons glorieuze reis naar de macht (L’homme de la campagne, Julliard). Eerder versloeg Yasmina Reza het pad van Sarkozy en deed Laurent Binet hetzelfde voor Hollande – beide boeken vielen tegen. Ik ben benieuwd hoe bestsellerauteur Philippe Besson Macrons zegetocht in kaart brengt. Wie weet kan de politiek dan toch nog iets betekenen voor de literatuur.

De woede van Edouard Louis en Pankaj Mishra

Op Eerste Kerstdag in Parijs, vroeg in de ochtend, brengt een jongeman zijn lakens naar de wasserij. In zijn jaszak zit het proces-verbaal van de poging tot doodslag waarvan hij zojuist aangifte heeft gedaan. Hij is doodsbang, heeft het koud. ‘Hij zal terugkomen’, maalt het in zijn hoofd. Om de herinnering uit te bannen, sopt hij als een gek zijn stoelen, schrobt hij de douche, wast hij zijn kleren, reinigt hij zijn neus – totdat niets meer ruikt naar de man die hem, na een liefdesnacht, bijna wurgde en met een revolver bedreigde. Weg wil hij, weg uit zijn huis waar hij werd verkracht en bijna vermoord. Hij zoekt zijn toevlucht bij zijn zus op het platteland, die hij al jaren niet meer heeft gezien.

Zo begint de tweede autobiografische roman van Edouard Louis, die wereldberoemd werd met zijn debuut Weg met Eddy Bellegueulle (2014). Daarin vertelt hij hoe hij opgroeit in een klein industriestadje in Picardië, in een gezin van petites gens. Vader werkeloos, moeder werkster. Dronkenschap en gewelddadig machogedrag zijn de gewoonste zaak van de wereld. De verteller, homoseksueel en dus een outsider op wie iedereen neerkijkt, krijgt het letterlijk voor zijn kiezen. Doordat Louis in zijn boek zo’n neutrale, klinische toon aanslaat, voelt ook de lezer iedere klap, iedere vernedering.

Zijn tweede roman Geschiedenis van geweld maakt eenzelfde enorme indruk – vanwege de toon, de stijl, de taal en vooral vanwege de obstinate en subtiele zoektocht naar het hoe en waarom. De hoofdpersoon woont inmiddels in Parijs en maakt ons deelgenoot van het trauma dat hij opliep in de bewuste kerstnacht. In de eerste uren erna kan hij alleen maar praten, praten als een gek, irrationeel analyseren, monomaan vragen stellen. Daarna komt de schaamte en het grote zwijgen: ‘Je zou haast denken’, zegt Louis zijn oudere voorbeeld Annie Ernaux na, ‘dat de levendigste herinneringen van een leven altijd die van de schaamte zijn’.

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/07/07/zodra-er-sprake-is-van-geweld-is-er-stilte-11697549-a1565827

Flaneren is goed voor de mens: Lauren Elkin

Kom achter dat scherm vandaan en wandel

Lopen en denken

Wie zielenrust wil, moet gaan wandelen, schreef Seneca. Het wandelen van een Frans-Amerikaanse critica liep uit op een intrigerend zelfportret dat ook een essay is over identiteit, emigreren en thuis zijn.

Wandelen in de natuur, het leidt tot een onthechte, beschouwende blik, waarbij schijnbaar moeiteloos een theorie wordt ontwikkeld of inzicht verkregen. Wie zielenrust wil, moet wandelen, schreef Seneca – alleen, ver van de massa. De wijze wandelt ook zonder vooraf vastgesteld doel. Zo kan hij niet alleen zijn gedachten ordenen, maar ook eeuwen omvatten.

Denkende wandelaars lijken vooral mannen te zijn. Maar ook vrouwen verkennen de openbare ruimte. Dat illustreert de Frans-Amerikaanse critica Lauren Elkin in haar fascinerende en enthousiasmerende boek Flâneuse. Women walk the city in Paris, New York, Venice and Londen. Flaneren is, weten we sinds Baudelaire, iets anders dan wandelen of lopen. Aan het begin van de negentiende eeuw is de flâneur een niet onbemiddelde man die, rustig, vrij en ongehaast, zonder specifiek doel, Parijs verkent. Vrijheid – dat is de associatie die de term bij Elkin oproept. Geen wonder, ze is een Amerikaanse, opgegroeid in de suburbs van Long Island, waar niets te voet te bereiken was, behalve een winkelcentrum. Haar enorme drang de wereld te verkennen voerde haar naar Parijs, Londen, Venetië en Tokio. Elke stad wil ze te voet ontdekken, ‘walking is mapping with your feet’, in zekere zin is het net zoiets als lezen.

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/08/11/kom-achter-dat-scherm-vandaan-en-wandel-12467574-a1569572

Interview met Amélie Nothomb over Riket met de kuif

Ze schreef een sprookje, verwant aan La belle et la bête, maar dan ‘eerlijker’. Een gesprek over vogels, schoonheid, domheid, het nut van kunst. „Wat me heeft geholpen in mijn leven is datgene waarvan men zegt dat het nergens goed voor is.”

Donkere, intelligente ogen, een felle blik, geciseleerde antwoorden waarin je de komma hoort. Om haar heen, in haar kamer bij uitgeverij Albin Michel in Parijs, liggen de boeken metershoog opgestapeld. Haar bureau ligt vol lezersbrieven, allemaal met de hand geschreven. Aan een computer doet ze niet. „Ik ben een fossiel,” zegt Amélie Nothomb, „ik deel mijn leven met iemand die er een heeft, maar ik wil er niets mee te maken hebben. Wat ik hoor van mensen die dingen op Facebook zetten! De verontwaardiging als iemand hun status niet heeft geliked, idioot, het lijken wel kinderen!”

De kinderen uit het universum van sterauteur Amélie Nothomb houden van sprookjes. Onlangs verscheen Riket met de kuif, de vertaling van haar interpretatie van het sprookje van de 17de-eeuwse schrijver Charles Perrault: een oerlelijke prins wordt verliefd op een beeldschone, maar ogenschijnlijk domme prinses. Het is een verhaal met veel lagen en een happy end, waar Nothomb haar eigen, hedendaagse draai aan geeft.

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/07/28/niemand-doet-nog-zijn-best-12271290-a1568122

Croire au merveilleux, de nieuwe roman van Christophe Ono-dit-Biot

Croire au merveilleux heet de nieuwe roman van schrijver-journalist Christophe Ono-dit-Biot, vrij vertaald iets als geloven in het wonderbaarlijke. Zijn vorige roman, Plonger, was enerzijds een liefdesverhaal – van een man voor een vrouw, maar vooral van een man voor zijn zoon – en anderzijds een spannende en bij wijlen hilarische tocht door de hedendaagse moderne kunst. Croire au merveilleux neemt de draad op uit zijn vorige boek: Paz, de jonge echtgenote van de verteller en moeder van een zevenjarige zoon, met de noorderzon verdwenen, werd op een verre kust gevonden: verdronken. Sindsdien vraagt de verteller zich één ding wanhopig af: wilde ze hem en hun zoon in de steek laten of was het een ongeluk?

Net als in zijn vorige roman neemt Ono-dit-Biot zijn lezers mee op een tweevoudige speurtocht: er is de wanhoop van de verteller, de weemoed naar betere tijden en ook zijn doodswens. Niets heeft meer zin nu zijn grote liefde er niet meer is. Hij kan het niet loslaten, blijft erover peinzen, stalt zijn zoon bij zijn ouders en zoekt de plekken op waar ze gelukkig waren, eet in hun favoriete restaurantjes en zwemt in de Italiaanse grotten waar ze de liefde bedreven. Maar de scherven van de verloren liefde kunnen niet aan elkaar worden geplakt, zoals het beeldje dat ze samen ooit kochten in een Italiaans gehucht. Het maakt dat de roman doortrokken is van een terugverlangen naar vroegere, betere tijd. Zijn beschrijvinen van de Méditerranée zijn prachtig romantisch, zijn taalgebruik is bloemrijk, zijn beelden vaan nostalgisch gekleurd.

‘Merveilleux’ is ook zijn ontmoeting met de jonge vrouw Nana, die in Parijs zijn nieuwe buurvrouw blijkt te zijn. De verteller is classicus, Nana is doordrenkt van Griekse mythologie en de literatuur van de oude Grieken. Als er ergens redding mogelijk is, is het wel dankzij de oude verhalen, de universele waarden, de menselijke zoektocht ooit verwoord door Homerus, Theucidides en Plato. De klassieke literatuur geldt ook voor ons, een-en-twintigste eeuwers, er is veel veranderd, maar tegelijkertijd is er ook niets veranderd. Wie de klassieken leest, weet hoe hij de wereld tegemoet moet treden, weet hoe te lijden, weet dat het altijd zo is geweest.

Zoals Amélie Nothomb vaak een lans breekt voor de sprookjes van Grimm en Perrault, voor het Grieks en Latijn, zo breekt Ono-dit-Biot een lans voor de oude Grieken. Dat het verhaal hier en daar ontspoort en het wonderbaarlijke af en toe té wonderbaarlijke vormen aanneemt, vergeven we een auteur die zijn liefde voor de klassieken zo aanstekelijk met ons deelt: Croire au merveilleux is een heerlijke roman, bij uitstek geschikt voor warme zomeravonden.

Week-end des Écrivains du Monde

Afrika opnieuw uitvinden, herscheppen, dat was het parool op de tweede dag van het festival Weekend des Ecrivains du Monde, dat van 9 tot 11 juni plaats vond in Reid Hall in Parijs.

De menselijke geest, de wetenschap dekoloniseren, doorgaan op de ingeslagen weg die van Afrika een continent maakt dat trots rechtop gaat staan. Les Ateliers de Dakar, les ateliers de pensee, zoals Le monde schreef op 8 november j.l., en waarvan de akten inmiddels door uitgeverij Philippe Rey zijn gepubliceerd, geven aan hoe die weg eruit moet zien.

Drie debatten stelden kernvragen aan de orde: hoe moeten we nadenken over het Afrika van morgen? Hoe ziet het raadsel van de terugkeer (naar het geboorteland) eruit? En hoe werkt de kruisbestuiving tussen literatuur en recht?

De essayist en docent Achille Mbembe zag enthousiasme en energie bij de jonge generatie. Filosofe Severine Kodjo-Grandvaux wees erop dat jonge kunstenaars overal ter wereld zich meer en meer met Afrika bezighouden, het borrelt en bruist.

Schrijver en hoogleraar Alain Mabanckou constateerde dat steeds meer onderzoekers en auteurs zich ervan bewust worden dat er niet alleen gekeken moet worden naar wat er in Europa geschreven en beweerd wordt: ook Afrikaanse denkers eisen meer en meer een plek op in het discours. De toekomst van de planeet ligt in Afrikaanse handen, onderstreepte Mbembe, Afrika is het laboratorium van de wereld van morgen.

Ideeën reizen, zei Mabanckou, het zijn net albatrossen. De dictators in Afrika zijn daar dan ook het meest beducht voor: voor je het weet steken ze de grens over en besmetten ze anderen.

Schrijver Abdouraman A. Waberi wees erop dat kunst en literatuur zich juist meestal richten op datgene wat verborgen moest blijven: de Afrikaans roman neemt het voortouw als het gaat om het beschrijven van de geschiedenis, van herinnering.

De dag werd afgesloten met een mooi gesprek tussen Christiane Taubira en de Amerikaanse schrijver John Edgar Wideman, wier boek Ecrire pour sauver une vie deze maand bij Gallimard verschijnt. Het vertelt over een veertienjarige jongen die in 1955 vermoord werd gevonden, waarbij de ware toedracht nooit is opgehelderd. Nog steeds was de woede en het onbegrip in Widemans stem te horen. Het werd een gesprek over racisme, rechtvaardigheid en literatuur. Literatuur heeft me in staat gesteld de wereld te vatten, zei Taubira, dat geldt ook voor het geweld in de wereld waarin we leven. Het voedt haar obsessie, haar streven het onrecht en de bruutheid in de wereld een halt toe te roepen. Voor Wideman, die tot zijn zestiende geen enkel boek onder ogen kreeg dat geschreven was door een zwarte auteur, betekende schrijven tot op de dag van vandaag maar een ding: vrijheid.

 

Marie Darrieussecq over de schilderes Paula Modersohn-Becker

De Duitse schilderes Paula Modersohn-Becker werd maar 31 jaar. Veel werk van haar is vernietigd door de nazi’s. Waar woonde ze, hoe schilderde ze wellust en waarom ging ze vaak naar Parijs? Marie Darrieussecq zocht het uit.

‘Hier is ze geweest. Op aarde en in haar huis.’ Zo begint Marie Darrieussecq haar formidabele portret van de Duitse schilderes Paula Modersohn-Becker (1876-1907). Ze bezoekt het huis waar ze met haar echtgenoot Otto heeft gewoond, in de kunstenaarskolonie Worpswede, ten noordoosten van Bremen.

Die eerste zin heeft meteen iets magisch, we zijn getuige van een historische sensatie, ze staat op de plek waar de schilderes stond, ziet wat zij ooit zag. Een afgesloten, grijsgeverfde deur leidt naar boven, naar een verdieping waar ze zich spoken voorstelt. Als ze het huis uitloopt, ziet ze in haar verbeelding het echtpaar staan, ‘achter het raam van hun dodenhuis’. ‘Het gruwelijke gaat daar samen met het heerlijke’, schrijft ze, ‘sterven op je eenendertigste met nog een heel schildersleven voor je en een baby van achttien dagen oud.’

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/05/06/ontbloot-van-de-mannelijke-blik-8067228-a1557455

Politique-fiction: de Franse presidentsverkiezingen in fictie

1 december 2021, Marine Le Pen, president van Frankrijk krijgt de eerste peilingen onder ogen voor de presidentsverkiezingen van enkele maanden later. Ze geven aan dat dat Mohamed Labbes, lijsttrekker van de Broederschapspartij met een ruime meerderheid zal winnen. Inmiddels is in Frankrijk de doodstraf heringevoerd, kan de Franse nationaliteit ontnomen worden aan iedereen met een buitenlandse voorouder en begint op school de dag met de Marseillaise. Gemengde huwelijken worden ontmoedigd, in steden is overal permanent videobewaking. Boris Johnson is de opvolger van Theresa May, die de Brexit liet mislukken, Frauke Petry heeft Angela Merkel met pensioen gestuurd. Dan vergiftigen terroristen het drinkwater – een excuus voor Le Pen om haar greep op de samenleving nog te versterken. De avondklok wordt ingesteld, moslims worden voortaan via hun mobieltje gevolgd. Als Marion Le Pen haar tante opvolgt, neemt ze maatregelen om iedere vorm van kritiek definitief de mond te snoeren: de ‘nieuwe burger’ moet anders worden opgevoed.
Dit is kortweg het scenario van Totalitaire, een goed verkopend stripboek van François Durpaire en Farid Boudjellal. Maar ook in romans is het genre van de ‘politique-fiction’ al jaren populair en de afgelopen maanden verschenen er uitzonderlijk veel. Op allerlei manieren wordt de politiek in Frankrijk verbeeld, in what if romans, thrillers, satires, strips – geen literair genre liet zich onbetuigd. Vaak spat het politiek engagement ervan af. Maar in Totalitaire gaat het ook om andere zaken, zoals onze privacy: nu worden gegevens over onze identiteit voor commerciële doeleinden gebruikt, maar wat als de staat zich ervan gaat bedienen? Als, zogenaamd uit veiligheidsoverwegingen, onze vrijheid steeds verder wordt ingeperkt?  ‘Het is nog tijd om het ergste te voorkomen’, waarschuwt de titelpagina.
In de meeste politieke fictie van de laatste tijd is, vermomd of niet, een hoofdrol weggelegd voor Marine Le Pen en het extreem-rechtse Front National. Jérôme Leroy, auteur van de politieke polar Le bloc, schreef  als vervolg op zijn boek het scenario van de film Chez nous. De film, die al veel polemiek veroorzaakte, toont hoe het FN in het Noorden van Frankrijk medestanders werft. Van schrijver en journalist Gérard Mordillat verscheen Moi, présidente, een satirische klucht waarin hij de handel en wandel van een ‘présidente’ verbeeldt. Hij laat televisiestation Près de Chez Vous (Dicht Bij U Thuis) haar volgen, 24 uur per dag.  Haar ‘Ministère du Racisme Efficace’ krijgt de opdracht efficiënt te werk te gaan bij het uitzetten van ongewenste personen. Heel Frankrijk moet ‘gezuiverd worden’. Zet het leger erop, verordonneert ze, ‘de Fransen houden toch zo van duidelijkheid? Nou – dan zullen we duidelijk zijn’. Zo foetert de ‘présidente’ nog wel even door.
In de veel besproken politieke toekomstfabel Onderworpen van Michel Houellebecq is Frankrijk een islamitische staat, onder de democratisch gekozen, charismatische president Mohammed Ben Abbes. Hoewel tegenwoordig de werkelijkheid de fictie naar de kroon steekt, is de optie van een Franse president van Arabische afkomst vooralsnog uit de lucht gegrepen. Sabri Louatah laat het gebeuren in zijn vierdelige romanreeks, waarvan nu de eerste twee delen samen in een 704 pagina’s tellende band zijn uitgegeven. Hier gaat het om de Frans-Algerijnse socialistische presidentskandidaat Idder Chaouch. In alle opzichten is hij Franser dan Frans. Met zijn slogan ‘L’avenir c’est maintenant’ wint hij vele harten – zeker dat van van oorsprong Noord-Afrikaanse families in de provincie en van kansloze jongeren in de banlieue. Louatah begint zijn epos in Saint-Etienne, aan de vooravond van de presidentsverkiezingen. Er wordt een huwelijk gevierd tussen een jongen van Kabylische afkomst en een Arabisch meisje. Maar aan het huwelijk zit een luchtje, de families kunnen elkaars bloed wel drinken en er vallen klappen. Lang blijft de link met de verkiezingen in het duister gehuld – tot de aanslag aan het eind van het eerste deel. Wat volgt zijn rellen, arrestaties en een speurtocht naar de dader.
Louatah wilde een epos schrijven over degenen die na de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog, in het begin van de jaren ’60, naar Frankrijk zijn gekomen, maar die eigenlijk nooit écht hun plek hebben gevonden. Het werd tegelijkertijd een boek dat laat zien hoe groot de verwarring is bij de Franse bevolking als het gaat om identiteits- en migrantenkwesties. Louatahs boek leest als een televisieserie – die is nu dan ook in voorbereiding. Bij hem geen beschouwing maar plot, geen beschrijving maar actie. Vakkundig bouwt hij af en toe een cliffhanger in. Hij schrijft veel dialogen, tijd en décor zijn duidelijk. Toch heb je als lezer moeite je weg te vinden in het enorme aantal personages, waarvan maar weinigen zich tot een echt karakter ontwikkelen.
Les Républicains daarentegen, de boeiende en goed geschreven roman van Cécile Guilbert, telt maar twee personages van wie je een heel goed beeld krijgt: een schrijfster en een bankier die samen op de befaamde Science Po hebben gezeten, ontmoeten elkaar bij een televisieopname. Ze hebben elkaar dertig jaar niet gezien. Dolend door de chique arrondissementen van nachtelijk Parijs, raken ze met elkaar aan de praat over hun leven, werk, hun herinneringen en verloren illusies. Zo brengt Guibert met meesterhand een heel milieu tot leven: dat van de bevoorrechten, van de conservatieve Parijse elite, van degenen die zich van armoede geen voorstelling kunnen maken.
Welke politique–fiction van de laatste tijd je ook ter hand neemt, Franse politici komen er slecht vanaf. Ze worden neergezet als onbetrouwbaar, gewetenloos en uit op hun eigen voordeel. Alleen de nog niet gekozenen krijgen het voordeel van de twijfel. Vaak worden bekende politici met naam en toenaam genoemd, soms worden hun namen verhaspeld, maar dan nog zijn ze voor de goede verstaander herkenbaar. In de hedendaagse fictie schuift de ideologie van rechts op naar extreem-rechts, raakt links versnipperd, verdwijnt. En passant worden er vraagtekens gesteld bij de vorm van de huidige Franse democratie. Deze fictie belicht de werkelijkheid, ook al lijkt die werkelijkheid zelf soms bijna fictie geworden. Wat we nodig hebben is een ‘poëtica van de waakzaamheid’, schrijven de auteurs van Totalitaire, zodat de ‘besluiten van onze regering geen middel worden om ons onze basisvrijheden af te nemen’, ‘cultuur is een klokkenluider’.

 

François Durpaire et Farid Boudjellal, Totalitaire. La Présidente tôme 2, Les Arènes BD, Demopolis, € 20

Cécile Guilbert, Les Républicains, Grasset, 252 blz, € 19

Sabri Louatah, De wilden, Luitingh-Sijthoff, 704 blz, € 24,99

Gérard Mordillat, Moi, présidente, Autrement, 119 blz, € 10

 

 

 

 

Annie Ernaux over Meisjesherinneringen

Een groot thema van deze Franse, taboedoorbrekende schrijfster is het vasthouden en terugvinden van de tijd. Over fases uit haar leven, liefdes en schaamte weet ze koel en precies te schrijven. ‘Het ‘‘ik” is onuitputtelijk’.

Het is een opmerking die Annie Ernaux (1940) typeert; de tijd, het vasthouden en terugvinden van de voorbije tijd is een van haar grote thema’s. De eerste zin van haar vorige roman, Les années, luidt ‘La mémoire n’arrête jamais’, het geheugen stopt nooit. Haar omvangrijke oeuvre getuigt ervan, van haar allereerste boek Lege kasten (1984) tot het nu vertaalde Meisjesherinneringen.

Afstandelijk schrijft ze, koel, precies, observerend en toch hakt het erin. Haar minimalistische stijl is ontdaan van beeldspraak, wat overblijft is een indruk van pure eerlijkheid en authenticiteit. Meteen al na haar debuutroman, over abortus, gold ze als een taboedoorbrekend auteur. In Alleen maar hartstocht (1991) schreef ze over een allesverterende passie, in De schaamte (1997) over de dag waarop haar vader haar moeder wilde vermoorden. „Voor mij staan herinnering en verbeelding tegenover elkaar. Toen ik begon te schrijven baseerde ik me niet op mijn verbeelding, ik verzon geen verhaal. Herinnering is voor mij materiaal, een manier om kennis te verwerven. Dat moet zich weerspiegelen in mijn manier van schrijven.

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/04/14/ik-schrijf-alsof-er-geen-toekomst-is-8003476-a1554578