Aysegül Savas: Lopen op het plafond

Verhalen zijn onhandelbare dingen, schrijft Aysegül Savas al op de tweede bladzijde van haar debuutroman Lopen op het plafond. Dat illustreert ze ook. Ze worstelt met de verhaallijnen, springt in de tijd heen en weer, geeft haar aandacht nu weer eens aan deze hoofdpersoon dan weer aan die andere. Wat haar verhaal draagt is de toon van de vertelster. Die betovert je van begin tot eind.

Ze herinnert zich haar leven in Parijs, in Londen en in Istanbul. Ze denkt aan haar vriendschap met een oude Britse schrijver, M., aan haar vader, een dichter die stierf toen ze nog jong was; aan haar moeder met wie ze een haat-liefdeverhouding had. Wat ze zich herinnert, zegt ze, heeft ‘de structuur van een droom, een verzinsel, een vreemde en gewichtloze, zwevende kwaliteit, als bij lopen op het plafond.’

Dat lopen op het plafond deed ze als meisje door in een spiegel te kijken die ze zo vasthield dat ze er het plafond in zag. Ze ontdekte een witte stad, waarin ze voorzichtig langs de kroonluchter kon lopen. Ze trok zich daar terug ‘wanneer Istanbul zwaar en somber tegen de muren van ons appartement drukte’.

Het debuut van Aysegül Savas, die in Parijs woont, in het Engels schrijft en ook fotograaf is, heeft het raadselachtige dat dromen kunnen hebben. De vertelster verruilt Istanbul voor Parijs. Haar moeder had erop aangedrongen: wat moest haar dochter nu in Istanbul? Nurunisa neemt de stap zonder dat ze een baan heeft of een woning. Om een visum te krijgen heeft ze zich ingeschreven voor een reeks literatuurcolleges. Ze vindt een eenkamerappartement vlak bij het Gare du Nord. Zo heeft ze het idee dat ze op ieder willekeurig moment weer kan vertrekken. Ze huurt de kamer van een café-eigenaar om de hoek. Als ze in zijn Café du Coin iets bestelt, brengt de ober haar steevast iets anders. Ze zegt er niets van. Ze kiest biefstuk, tartaar en chocolademelk, die ze in haar koelkast laat verrotten. Hoe bestaat het dat andere klanten altijd het juiste bestellen, weten hoe het zit met ‘de rituelen van een dag’? Dat is precies waar het haar aan ontbreekt. Als ze wordt uitgenodigd voor een uitje met studenten, kijkt ze van een afstandje naar de groep – en keert weer om.

Ze denkt terug aan haar vader, de dichter, die vaak zachtjes in zichzelf zat te mompelen. Ze herinnert zich een gesprek tussen haar grootouders na zijn dood, waarin ze flarden onderscheidde, ‘nergens goed voor’, ‘net een klein kind’. Terloops, als bij toeval, meldt een bijzinnetje verderop in het boek dat hij naar het balkon liep, ‘waar hij vervolgens vanaf stapte’.

https://www.nrc.nl/nieuws/2021/03/18/de-zwevende-kwaliteit-van-een-leven-a4036335

Over de Tropismen van Nathalie Sarraute, een meesterwerk

‘Ze hield zo van oude heren als hij, met wie je kon praten, ze begrepen zoveel, ze wisten alles over het leven, ze hadden interessante mensen gekend. […] Wanneer hij bij haar ouders kwam eten, ging ze als eerste naar de salon om hem gezelschap te houden.’ Hij pakt haar ‘helemaal in zijn vuist’, kijkt ‘hoe ze spartelt’, ‘hij was in een van zijn vreemde stemmingen’. Pas als hij haar ouders ziet naderen komt hij ‘weer een beetje tot zichzelf, een beetje rood, een beetje verwilderd, haar mooie jurk een beetje gekreukt’.

Als je niet beter wist, zou je denken dat het een recente tekst is, zo actueel is hij. Maar het is nummer XV uit de bundel Tropismen van Nathalie Sarraute, voor het eerst gepubliceerd in 1939. Het boek bevat 24 korte teksten, nummer XV heeft 45 regels, ruim twee bladzijden in totaal. Die paar regels roepen een heel universum op, een wereld van naïviteit, toenemend ongemak en onuitgesproken dreiging. De personages hebben geen naam, geen verleden, ze komen later in het boek niet terug. Het blijft bij die 45 regels, en als lezer moet je het doen met die suggestie. En dus met je eigen verbeeldingskracht.

Bij deze tekst vul je het beeld – zeker in onze tijd met alle aandacht voor #metoo en incest – nog aardig in, een kleine dosis fantasie is genoeg. Maar dat is lang niet bij alle teksten het geval. Wat is er aan de hand met die ‘hij’ die met zijn hand zo zacht langs de zuil van het dressoir strijkt? En met de vrouw met dat grijze haar, in een cottage in Londen? Wat blijft er ongezegd? Lezen, herlezen, zoeken, tasten, duiden – dit is micro-chirurgie van het gevoel, poëzie in proza.

Nathalie Sarraute (1900-1999) wordt gezien als de voorvrouw van de nouveaux romanciers, een groep schrijvers voor wie de traditionele roman à la Balzac passé was, een groep waartoe bijvoorbeeld ook Michel Butor, Claude Simon en Alain Robbe-Grillet worden gerekend. Een echte groep was het niet, zei Sarraute in een interview met deze krant, ze ontmoetten elkaar eigenlijk nooit. Robbe-Grillet lanceerde de naam toen een criticus van dagblad Le Monde zijn nieuwe roman en die van Sarraute afdeed als ‘nouveaux romans’. Revolutionair waren die wel: de lezer die gewend was aan personages, een intrige, een begin en een eind, kwam nu bedrogen uit. In de ‘nieuwe roman’ was daar niets meer van te bespeuren. De wereld was veranderd, het oude Europa verdwenen, ideologieën boden geen houvast meer. En dus moest ook de roman daarvan getuigen. Proust, Joyce en Woolf gingen diezelfde weg.

Verder lezen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2021/02/18/uitblinken-in-de-onuitgesproken-dialoog-a4032397

 

Sylvain Tesson: De sneeuwpanter

Het interessantste element van De sneeuwpanter bevindt zich op pagina 135. Een foto. Wie snel kijkt ziet een rotswand, wie langer kijkt een roofvogel. Wie de tekst leest ziet pas het spectaculairste: net over de rotswand heen kijken de ogen van een panter recht in de lens van de fotograaf. Het is een foto van Vincent Munier (1976), een Franse natuurfotograaf wiens foto’s van wolven, beren, kraanvogels wereldberoemd zijn. Met hem gaat schrijver Sylvain Tesson (1972) naar de hooglanden van Tibet, op zoek naar de sneeuwpanter.

Tesson is één van Frankrijks meest populaire schrijvers. Hij is een wereldreiziger, een man van de natuur die spectaculaire tochten maakt. Een fietstocht rond de wereld, een voettocht door de Himalaya, een tocht te paard door de steppen van Centraal-Azië, een verblijf in een houten huisje in Zuid-Siberië, niets is hem te dol. Steeds schreef hij er boeken over of maakte hij er films van.

Ook is hij ‘stégophile’, een neologisme dat hij gebruikt voor zijn passie om daken te beklimmen, van huizen, van kathedralen. In 2014, toen hij logeerde bij zijn vriend Jean-Christophe Rufin, ook alpinist en bestsellerauteur, viel hij van het dak, waardoor hij in coma belandde. Weer op de been kwam hij een belofte na die hij tijdens zijn revalidatie had gedaan: hij trok heel Frankrijk door, te voet.

Ook zijn zoektocht naar de sneeuwpanter is een tocht vol ontberingen die hij soms nuchter, soms himmelhoch jauchzend, soms flauwig beschrijft. ‘Net als Tiroler skileraressen bedrijven sneeuwpanters de liefde in een witte wereld’ – na zo’n eerste zin is het toch even doorbijten.

Verder lezen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2021/04/01/de-wereld-was-de-eeuwigheid-in-ijs-gevat-a4038206

Over De onafscheidelijken van Simone de Beauvoir

Op één derde van De onafscheidelijken, een tekst die Simone de Beauvoir bij leven niet publiceerde, staat een onvergetelijke en toch herkenbare scène: de vijftienjarige Andrée is aan het schommelen, hoger en hoger. ‘Als een op hol geslagen slinger’ vliegt ze ‘van het ene stuk hemel naar het andere’. Haar vriendin Sylvie ziet haar heen en weer suizen, ze wordt bang van de strakheid van haar blik en haar op elkaar geperste lippen, ze hoort de ijzeren haken kreunen: ‘Ze gaat er een einde aan maken, dacht ik.’

Dit korte verhaal, geschreven in 1954, is een ode aan De Beauvoirs jeugdvriendin Elisabeth Lecoin (Zaza), die op 21-jarige leeftijd overleed aan een virale meningitis. Zaza was haar eerste hartstocht, haar intellectuele geestverwant, het meisje dat ze boven alle anderen adoreerde. Volgens een enkeling beleefde De Beauvoir met Zaza haar eerste lesbische liefde. Ze schreef eerder over de innige vriendschap: in Een welopgevoed meisje, in Met kramp in de ziel, in twee ongepubliceerde jeugdromans.

Het was haar geadopteerde dochter die besloot de novelle alsnog te publiceren – en terecht. Het verhaal – heel krachtig, nu het zo apart is verschenen – geeft ons niet alleen inzicht in een bijzondere en vormende vriendschap, maar vooral in een voor ons lang vervlogen tijd. Een tijd waarin de kerk het leven van meisjes en jonge vrouwen bepaalde. Wie zoals Zaza geboren was in de Franse rooms-katholieke bourgeoisie, had zich te houden aan strenge tradities en knellende sociale verplichtingen. Persoonlijke vrijheid, intellectuele ontwikkeling waren in dat milieu niet aan de orde. Een huwelijkspartner werd door de ouders gekozen en gekeurd. Een jonge vrouw zoals Zaza, intelligent, non-conformistisch en vrij van geest, kon er niet gedijen. Voor De Beauvoir was Zaza’s dood dan ook een misdaad, een moord zelfs, omdat ze, zoals Le Bon schrijft in haar nawoord, uitzonderlijk was en niet kon leven met de beperkingen.

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2021/02/04/hier-begon-de-zucht-naar-vrijheid-van-de-beauvoir-a4030543

Over Ordesa van Manuel Vilas

Afscheid nemen vormt het belangrijkste deel van je leven. Vaarwel zeggen aan je jeugd, je ouders, je vroegere leven, toen je je nog van geen enkel naderend afscheid bewust was – dat is wellicht de kern van Ordesa, de grote roman van de Spaanse schrijver, dichter en essayist Manuel Vilas (1962). Spanje liep weg met de roman die in zo’n 15 talen werd vertaald, herdruk op herdruk kreeg, in Italië en Frankrijk bekroond werd. De tijd nodigt uit tot reflectie, en dat mag een paar honderd bladzijden duren.

In Ordesa zitten we in het hoofd van de verteller, net als Vilas geboren in Barbastro, in de noordoostelijke Spaanse provincie Huesca. Daar tollen, in 157 korte hoofdstukken, gedachten rond, herinneringen, spijt, verdriet, verlies, rouw, nooit gestelde vragen. Vilas’ stijl is hoekig, afgemeten, soms rauw, maar ook altijd meanderend, zoekend en aarzelend, vol aforismen. De verteller was twintig jaar leraar, is gescheiden en ziet zijn twee zoons maar zelden. Van een plot is geen sprake, de geboden informatie is fragmentarisch, de verteller doet geen moeite je bij de les te houden, je raakt soms geïrriteerd door de herhalingen – en toch lees je door.

Je wilt weten waar die obsessie met het verleden vandaan komt en die adoratie voor die ouders die de verteller een bizarre, weinig liefdevolle jeugd hebben bezorgd. Je wilt weten hoe het leven was onder (de nadagen van) Franco, je wilt horen hoe zijn vader, een handelsreiziger, er maar nauwelijks in slaagde de armoede verre van zich te houden. En wat te denken van zijn moeder, ‘een verwoestende orkaan’?

Waanzin

Voor zijn vader koestert de verteller een onvoorwaardelijke liefde. Meer dan veertig jaar hebben ze samen televisie gekeken. Hij was ‘het meest verlegen, raadselachtige, zwijgzame en elegante wezen dat ik heb gekend’. En dat kennen is relatief. ‘Door me niet te vertellen wie hij was, smeedde mijn vader dit boek.’ Met het stijgen der jaren realiseert hij zich dat alles wat zijn vader is overkomen, ‘met metronomische precisie’ doorwerkt in zijn leven. Hij leeft net als hij ‘in een Spaans labyrint’, en ze hebben allebei ‘geen toegang tot geluk, er was en er is iets waardoor alles misloopt’.

verder lezen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2021/01/28/alleen-in-de-hitte-van-de-bergen-was-het-feest-a4029653

 

Aanstellerij & ijdelheid

Vanmorgen luisterde ik, tussen de koffie en de Jaap Edenbaan, naar een stukje Nieuwsweekend. Altijd een leuk programma met gasten van wie je iets kunt opsteken. De boekbespreker van de week ging iets vertellen over een Franse schrijver. Leuk. Ik lees ook wel eens een Frans boek.
Ik spitste mijn oren. Hij ging het hebben, de literatuurkenner, over een boek, ‘typisch Frans, heel dun’. Dat beloofde wat, ik zette de radio harder. Het was een ‘dolkomisch’ boek. Hoera, dacht ik, een geestig Frans boek. Ik wachtte even met mijn tweede kopje koffie. Een boek van Sylvain Tesson. Dat is een bergbeklimmer, wist ik, een populaire reisschrijver en durfal, die na de val van een dak verminkt raakte en daarna te voet Frankrijk doorkruiste, waar hij weer verslag van deed. Maatje van die andere bestsellerschrijver Jean-Christophe Rufin. De man die in Frankrijk de natuur op de agenda had gezet. Het was een hit in Frankrijk, hoorde ik. Ademloos luisterde ik verder. Hier sprak iemand met kennis van zaken, ik kon er vast nog wat van leren. Over David Mitchell had hij ons al verteld dat die ons verslaafd maakt aan zijn personages, net zoals Balzac. Dat beloofde wat. ,,Als het om romans gaat die momenteel in de Franse literatuur worden geschreven, gaat het over aanstellerij en ijdelheid”, sprak de radiostem. Dat gold natuurlijk niet voor Houellebecq, de enige Franse schrijver die echt iedere Nederlander kent. Nee, non-fictie, vervolgde hij, ,,daar zijn ze goed in”, dat ,,essayistische zit in de genen”, ,,dat kunnen ze”. Ah, dacht ik, goed om te weten. ,,Bruckner en Finkielkraut”, voegde hij toe, ,,die hebben we hier niet”. Tsjonge, hij mist in Nederland een schrijver die patent heeft op polemische uitspraken en een reactionair denker. Interessant. ,,Reisproza heeft in Frankrijk een andere status dan bij ons”, hoorde ik. De naam Le Clézio viel, en ook die van Jan Brokken. Goh, die kant van de Franse Nobelprijswinnaar van 2008 was me ontgaan. Het was een echt leerzame ochtend.
Ik moest nu werkelijk naar de ijsbaan, maar ik kon me niet van de radio losrukken, zoveel stak ik van dit alles op. ,,Fransen kijken wat meer naar buiten”, oreerde hij verder, ,,ze zijn niet zo bang voor grote gedachten, dat heeft iets met de volksaard te maken”. Wat een scherpe blik heeft deze man, dacht ik.
,,Die 600 pagina’s van Mitchell wil je graag lezen”, zei hij vervolgens, ,,maar je wil natuurlijk geen bagger lezen,’een Frans boek dat mislukt is, is zo’n gezellige 150 pagina’s. Geen ramp als je het gelezen hebt. Tussen de maaltijden door kan een Fransman dit genieten”. Huh? Nu raakte ik, alle concentratie ten spijt, toch even de draad kwijt. En ik moest nu toch echt mijn schaatsen uit het vet gaan halen.
Ik keek nog even over mijn schouder naar de duizenden Franse boektitels in mijn kast. De sterke vrouwen van Marie NDiaye, de Franse jeugd van Nicolas Mathieu, de roman van een slachtoffer van de aanslag op Charlie Hebdo, over het eind van de beschaving van Amin Maalouf, Spanje onder Franco van Lydie Salvayre, de culturele clashes van Leïla Slimani, de vluchteling van Ali Zamir, de incestroman van Kouchner.
Vanmiddag toch even op zoek naar aanstellerij & ijdelheid. Ik zou ze al die tijd toch niet gemist hebben?

 

 

 

Over La familia grande, van Camille Kouchner

Frankrijk is in de ban van een incestroman, La familia grande van Camille Kouchner. Maar het gaat om meer dan incest, hier wordt, van binnenuit, een beeld geschetst van de mores van een aantal machtige politici en hoge functionarissen die in Frankrijk mede de lakens uitdeelt. Camille Kouchner (45) is advocate en de dochter van Bernard Kouchner, de mede-oprichter van Médecins sans frontières, voormalig minister van Buitenlandse Zaken en de politicoloog Evelyne Pisier. In haar boek schetst ze haar jeugd, haar liefde voor haar moeder, haar twee-eenheid met haar tweelingbroer Victor, de voortdurende afwezigheid van haar vader. Ze trekt de lijn door tot het heden. Na de scheiding van haar ouders, hertrouwt haar moeder met een in de roman niet bij naam genoemde man, die haar broer vanaf zijn 13e jaar dwingt tot seksuele handelingen. Haar broer neemt zijn tweelingzus in vertrouwen, deelt zijn wanhoop en afkeer met haar, maar bezweert haar niets te zeggen. Vanaf dat moment is hun leven vergald, doordesemd van angst, wanhoop, schuldgevoel, alle relaties in de familie verschuiven.  Grootouders, een geliefde tante plegen zelfmoord, wat de angst, onbegrip en onzekerheid nog vergroot.
De zomers in Sanary, in het zomerverblijf van de stiefvader, waar de ‘grande familia’ met machtige vrienden en relaties ieder jaar de vakantie doorbrengt, worden een crime. De vrolijkheid, het naakt zwemmen, de genotsmiddelen – alles wordt kunstmatig, beangstigend. Hun leven staat voortaan in het teken van een gedeeld geheim, dat zich in de loop der jaren als een gifslang ontwikkelt en overal in doordringt. Als ze – jaren nadien – de moed vinden om het geheim met hun moeder delen, kiest zij partij voor haar echtgenoot.
De niet met naam genoemde stiefvader in de roman bleef niet lang onbekend. Het gaat om de bekende politicoloog, Olivier Duhamel, professor in de politieke wetenchappen, ex-Europarlementslid en voorzitter van een fondation bij Science Po, die inmiddels al zijn functies heeft neergelegd. Dagblad Le monde publiceerde gisteren een portret van een man die zich al decennia in het hart van de macht bevindt.
De roman maakt indruk. Het is geen kille afrekening, door wraakgevoelens ingegeven, maar een eerlijk, pijnlijk portret van hoe mensen lijden onder misbruik, onder een daarop volgende ‘omerta’, hoe de gevolgen van incest levens bepalen. Het gaat om de loodzware stilte van jaren, om het willens en wetens de andere kant op kijken, om het gebrek aan rechtvaardigheid. Hier zijn de kinderen slachtoffer, rücksichtlos misbruikt en gemuilkorfd. Door de familie geadopteerde kinderen zijn goed voor de foto in de ‘people’- bladen, na aankomst worden ze aan au pairs toevertrouwd. De roman van Camille Koucher, geschreven met de toestemming van haar broer, is het relaas van een bevrijding – indringend, bescheiden, bevragend, feitelijk, zonder pathos of hypocrisie; een huiveringwekkende en ontluisterend portret van een machtig man en zijn verwerpelijke gedrag; maar ook van de groep om de macht heen, waar men maar al te zeer geneigd is oogkleppen op te zetten.

Camille Kouchner: La familia grande, Seuil

 

Interview met Amin Maalouf over De schipbreuk der beschavingen

Nee, een vrolijk boek is het niet. Maar lucide is het wel. „Het is nu eenmaal de realiteit”, zegt Amin Maalouf via Zoom, vanuit Parijs. „We zitten op de Titanic en varen recht op die ijsschots af.” In Schipbreuk der beschavingen, de opvolger van De ontregeling van de wereld (2009) en Moorddadige identiteiten (1998), maakt de Frans-Libanese schrijver, denker en lid van de Académie Française de balans op: van de wereld, van zijn persoonlijke parcours, van de eventuele toekomst. Onlangs publiceerde hij bovendien een nieuwe roman Nos frères inattendus, die verder gaat waar zijn essay ophoudt.

‘Ik ben in goede gezondheid geboren in de armen van een stervende beschaving’, luidt de eerste zin van zijn essayboek. Maalouf (1949) werd geboren in Beiroet, ‘de wereld van de Levant’. Hij zag Egypte, het paradijs van zijn moeder, in vlammen opgaan; Libanon, het land van zijn vader, is een schaduw van wat het ooit was. Hoe kon hij bevroeden, schrijft hij, dat de tragedies van het Midden-Oosten zo besmettelijk zouden zijn; en dat de morele en politieke neergang zich met zoveel kracht zou verspreiden! Dr Jekyll werd Mr Hyde.

U wilde onderzoeken in hoeverre uw geboorteland Libanon de bron is van de conflicten in de wereld. En?

Twee jaartallen zijn volgens u beslissend geweest in de geschiedenis van het Midden-Oosten. Het eerste is 1967, het jaar van de Zesdaagse Oorlog. Het tweede is 1979, ‘het jaar van de grote ommekeer’.

„Na de oorlog in 1967 was het Arabisch nationalisme van Nasser verdwenen. Politieke leiders raakten hun geloofwaardigheid kwijt. Bewegingen die tot dan toe ondergronds opereerden kwamen op: het ideologisch islamisme, het gewelddadige politieke fundamentalisme. Rond 1979 gebeurt er in de wereld een aantal dingen die dezelfde richting opgaan. In de moslimwereld wordt de Islamitische Republiek Iran gesticht. In het Verenigd Koninkrijk komt Margaret Thatcher aan de macht, in naam van wat zij noemt de conservatieve revolutie – dat zijn dus tegelijkertijd twee conservatieve revoluties, die heel verschillend zijn, maar wel overeenkomsten hebben. In de Arabische wereld leidt identitaire onrust tot een sociaal traditionalistisch, maar politiek radicaal islamisme. In het Westen vindt er een revolutie plaats van de rijken tegen de armen.

Verder lezen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2021/01/07/we-hebben-een-nieuwe-wereldorde-nodig-a4026613

 

Marie-Hélène Lafon: Het verhaal van de zoon

 

Deze week ging de Prix Renaudot 2020 naar Het verhaal van de zoon van Marie-Hélène Lafon. Het komt niet vaak voor dat wanneer een Franse roman bekroond wordt met een van de grote najaarsprijzen, er al een Nederlandse vertaling van is verschenen. Uitgeverij Vleugels en vertaalster Katelijne de Vuyst vielen waarschijnlijk meteen voor dit prachtig geschreven verhaal over een zoon die opgroeit in de Cantal, het dunbevolkte, groene midden van Frankrijk.

Titel voor titel bouwt Lafon (1962) aan een oeuvre dat zich grotendeels afspeelt in haar geboortestreek. Haar ouders hadden een boerenbedrijf in de vallei van de rivier de Santoire, oftewel in the middle of nowhere. Ze ging naar een religieus pensionaat in St. Flour, werd docent Frans en klassieke talen in Parijs, waar ze nog steeds lesgeeft.

Wie haar hoort spreken – ze is een kleurrijke persoonlijkheid – wordt verleid door haar perfecte zinnen vol beelden en alliteratie, haar eerlijkheid en haar liefde voor de taal. Lafon ademt taal, denkt taal en droomt taal. Haar zinnen zijn precies, gebeiteld, of ze nu lang zijn of kort. Het liefst zou je ze allemaal hardop lezen om ze goed te laten klinken. Het is knap dat De Vuyst dat niveau in het Nederlands heeft weten vast te houden. Ook Lafons personages zijn taalgevoelig, hebben geen moeite met grammatica, ze houden van de fabels van La Fontaine, doen rijmspelletjes en onthouden de typische zinnetjes van hun familieleden.

Verder lezen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/12/03/niemand-praat-over-zijn-roemloze-afkomst-a4022491

Genomineerd voor de prix Goncourt 2020

Op 24 juni 2021 landt Boeing 787, vlucht AF006, uit Parijs op het vliegveld van New York. Onderweg is het vliegtuig in noodweer beland, onweer, hagel, valwinden in een aardedonkere hemel. Ieders laatste uur leek geslagen. Maar nee, ze landen veilig.

Toch blijkt er iets fundamenteel mis: hetzelfde vliegtuig, met dezelfde passagiers, dezelfde piloten en bemanning, is al geland. En wel 106 dagen eerder, op 10 maart 2021. In de tussenliggende drie maanden is ieders leven op twee sporen verder gegaan: iedereen blijkt een dubbelganger te hebben. De één is inmiddels door zijn vriendin verlaten, een ander schreef een bestseller, de volgende pleegde zelfmoord of is gestorven aan kanker. Zie daar als pas gelande passagier maar eens chocola van te maken. Niet normaal.

Precies dat is de betekenis van L’anomalie, de titel van Hervé Le Tellier, een van de vier genomineerde boeken voor de Prix Goncourt die op 30 november bekend zal worden gemaakt. De aankondiging werd drie weken uitgesteld, aangezien de juryleden de laureaat niet wilden openbaren zolang de boekhandels in Frankrijk gesloten moesten blijven en het literaire leven stillag.

Bij twee van de genomineerden draait het om stilte, ze putten uit een beklemmend stilzwijgen en doorbreken die. Ze dalen af in een persoonlijke hel, durven de confrontatie met het verleden aan en brengen hun pijnlijke zoektocht onder woorden.

De andere twee genomineerden gaan voor de grote greep: de een duikt eeuwen geschiedenis in en laat zien dat de mensheid al de nodige bizarre episodes heeft gekend. De ander stapt juist naar voren, kijkt naar de nabije toekomst en neemt ons mee in een avontuurlijke, intelligente rollercoaster, waarbij je de stilte om je heen volledig vergeet.

Verder lezen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/11/26/als-iedereen-een-dubbelganger-heeft-a4021596