Adieu Maryse Condé

‘Heel lang verlang je van de ander dat hij je de garantie geeft dat je bestaat. Later laat je dat koud. Ik ben Maryse Condé. Daarvoor heb ik geen bewijs meer nodig.’ Dat zei de grote, gisteren op negentigjarige leeftijd overleden Guadeloupse schrijver toen ik haar zo’n twintig jaar geleden interviewde. Terecht. Zeker nadat haar in 2018 de New Academy Prize was toegekend, de alternatieve Nobelprijs (die dat jaar niet officieel werd uitgereikt).
Haar beroemdste werk is ongetwijfeld Segou (1984), haar immense fresco van Mali, een monument voor Afrika, waarin ze de opkomst en ondergang van het koninkrijk Bambara beschrijft. Daarnaast heeft ze een groot oeuvre van romans en toneelstukken gepubliceerd, evenals ontelbare bloemlezingen en essays over creolité, de Caraïbische identiteit, over Guadeloupe, Afrika, sekse en taal. Ook doceerde ze Frans- Afrikaanse literatuur aan verschillende universiteiten in Europa en de VS, waar ze lang woonde.
Maryse Condé werd in 1934 in Pointe-à Pître geboren, als jongste in een gezin met acht kinderen. Haar ouders behoorden tot de ‘petite bourgoisie noire’ schrijft ze in haar autobiografie La vie sans fards (2012). Ze waren er trots op dat ze zich aan de armoede hadden ontworsteld, konden zich een auto en een buitenhuis veroorloven. Frankrijk was hun ‘adoptie-vaderland’ – over wat dat betekende heeft Condé zich in haar oeuvre vaak gebogen. Nooit was haar als kind iets over de geschiedenis van de slavernij of over de kolonisatie verteld. Pas als student in Parijs ervoer ze aan den lijve wat het betekende een andere huidskleur te hebben. Ze constateerde dat ze was opgegroeid in een ‘mensonge initial’, een oorspronkelijke leugen. Met die leugen zou ze haar leven lang een appeltje te schillen hebben.
In Parijs ook las Condé Frantz Fanon, Aimé Césaire en Leopold Sédar Senghor, de grote denkers en dichters van de ‘négritude’, een ideologische en literaire beweging die zich baseerde op een gedeelde afkomst en een gezamenlijke afkeer van het racisme. Ze trouwde met Mamadou Condé, een acteur uit Guinee, waarna ze met haar zoon en zwanger van haar tweede kind naar Afrika vertrok – zonder echtgenoot. Twaalf jaar werkte en woonde ze in Ivoorkust, Guinee, Ghana en Senegal, het werd een zoektocht naar haar identiteit.
Die queeste liep op een teleurstelling uit: haar zwarte huid bleek helemaal geen ‘trait d’union’ tussen de Antillen en Afrika. Ze hoorde niet in Afrika, werd er net zo goed als buitenstaander beschouwd als in Europa. Iedereen bleef in zijn eigen klasse, zijn eigen ‘bubbel’, constateerde ze, de négritude was ‘niet meer dan een mooie droom, kleur betekent niets’.
In haar boek De pelgrimage van Veronica zette Condé haar eigen ervaringen af tegen het nostalgisch geloof in ‘de zwarte mythe’. Ook gemengde huwelijken werden onderwerp van haar werk, nadat ze zelf trouwde met de Engelse vertaler en leraar Richard Philcox. Haar roman Histoire de la femme cannibale gaat  over een zwarte vrouw die, tot tweemaal toe, in het huwelijk treedt met blanke mannen; over de reacties op dergelijke gemengde paren, over de eenzaamheid die vaak met zich meebrengt.
Haar leven lang is Condé gevraagd naar hoe ze haar identiteit zag. Was ze creools en waarom schreef ze eigenlijk in het Frans? In haar romans gaf ze een genuanceerd antwoord. Het valse leven (1987), de roman die geldt als dé Antiliaanse roman binnen haar oeuvre, is indirect niet alleen gebaseerd op haar eigen familiegeschiedenis, maar beschrijft ook de geschiedenis van de Cariben, met slavernij, contractarbeid, racisme en onderdrukking. Steeds toonde Condé zich tegendraads en eigenzinnig. In een van de laatste in het Nederlands vertaalde boeken, Het onwaarschijnlijke en droevige lot van Ivan en Ivana, schrijft ze over het leven van een op Guadeloupe geboren tweeling die innig – te innig – van elkaar houdt. Verboden liefde, verlaten vrouwen, racisme, kolonialisme, terrorisme – in haar oeuvre komen ze allemaal voorbij.
Taal was voor Condé wezenlijk, natuurlijk. Maar cultuur in de bredere zin eveneens. Als ik creools spreek tegen mijn vrienden begrijpen ze me niet, zei ze, maar als ik ze een kip voorzet in een wijnsaus met oude rum en rozijnen, begrijpen ze me precies. Maryse Condé was en bleef een eeuwige rebel.

Fotocredit: MEDEF – Maryse Condé, CC BY-SA 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=6443695

 

Emmanuel Carrère, een profiel

‘Hoe ik mijn interview met Catherine Deneuve de mist in heb laten gaan’ luidt de titel van een van de stukken in de recente bundel Vers le réel van schrijver Emmanuel Carrère (Parijs, 1957). Hij beschrijft erin hoe hij in 2008 werd benaderd voor een interview met de Franse ster. Nee, het tijdschrift wilde geen journalist, maar een schrijver, een echte. Al snel fantaseerde Carrère dat Deneuve zijn werk kende, hem misschien wel wilde vragen een rol voor haar te schrijven. Dit zou geen gewoon interview worden, maar een ontmoeting tussen twee gelijken, dacht hij. Hij bereidde niets voor. Het gesprek ging niet zoals hij had gedroomd, ze wist helemaal niet wie hij was, hij ging de mist in. Het is een typerend verhaal voor Emmanuel Carrère: niet alleen vanwege het feit dat hij dacht dat zij zich voor hem interesseerde, maar ook omdat hij het zo eerlijk en hilarisch opschrijft.

Vers le réel is het eerste deel van de reeks waarin uitgeverij Gallimard Carrères belangrijkste werk bundelt. De titel geeft zijn parcours aan: van roman, sciencefiction en het fantastische, naar reportage, récits waarin hij zelf altijd aanwezig is. Een van zijn eerste romans, Op drift (La moustache, 1986) gaat over een man die zijn snor afscheert, terwijl vervolgens iedereen om hem heen beweert dat hij er nooit een heeft gehad.

Carrère brak door met De sneeuwklas (La classe de neige, 1995) en De tegenstander (L’adversaire, 2000), boeken die hij zelf, in een interview met deze krant, ‘tweelingen’ noemde. In deze periode maakte Carrère de stap van fictie naar ‘le réel’: in de roman De sneeuwklas – adembenemend, dreigend, doodeng zelfs – voelt een jongen die op skiklas is gestuurd, met zijn zesde zintuig het onzichtbare kwaad om hem heen. Dat kwaad wordt zichtbaar in De tegenstander, Carrères verslag van een huiveringwekkende misdaad: een man vermoordde zijn hele familie, toen het dubbelleven dat hij leidde aan het licht dreigde te komen. Carrère volgde diens proces, reconstrueerde zijn leven, probeerde de waarheid te benaderen, afstandelijk, zonder te oordelen.

Carrère’s moeder, Hélène Carrère d’Encausse, werd geboren als Hélène Zoerabisjvili, dochter van Russisch-Georgische vluchtelingen. Ze was historica, Ruslandkenner en tot haar recente overlijden secretaris van de Académie Française. Na zijn studie aan de prestigieuze Science Po in Parijs, deed Carrère vervangende dienstplicht in Soerabaja. Hij gaf Franse les en begon, al experimenterend met paddo’s, aan zijn eerste roman. Na zijn terugkeer naar Frankrijk werd hij filmcriticus, zijn monografie over Werner Herzog (1982), die hij mateloos bewonderde, was een succes.

In die periode ontstond zijn wens om zich te bekwamen in scenario-schrijven (hij schreef er zo’n tien), zijn eigen boeken te verfilmen (drie) en ook zelf films te gaan regisseren. De recentste is Ouistreham, naar het boek van Florence Aubenas (over het hondenleven van schoonmaaksters op veerboten).

Verder lezen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2023/11/23/emmanuel-carrere-een-zesde-zintuig-voor-het-kwaad-a4182049

Een gedreven visionair in een domme wereld: Miguel Bonnefoy en De uitvinder

Op 7 april 1825 werd, in een achterkamertje van een slotenmakerij in de Côte-d’Or, de man geboren die de industriële toepassing van de zonnewarmte zou uitvinden. Zijn moeder had plotseling hevige buikpijn gekregen, was achter de werkbank op haar hurken gaan zitten en had het kind opgevangen in een zak met grendels en beitels. De vader had een nijptang gepakt en de navelstreng doorgeknipt.
Een blozend, gezond kind werd het niet. Een paar maanden later zag het er ‘verfrommeld’ uit, ‘uitgemergeld als een zieke pad’, en als peuter was hij zo slechtziend dat hij tegen een tafelpoot stootte, waarna een trommel met gereedschap op zijn hoofd viel. De wond werd ‘met een leerlooiersnaald’ dichtgenaaid. Vervolgens kreeg het kind alle ziekten, die ‘zich in Bourgondië in de loop der eeuwen hadden verzameld’, en moest het jongetje drie jaar het bed houden. Door het gebrek aan zon werd zijn huid ‘een sterrenhemel van rode puistjes’, en toen hij vijf jaar oud was, had hij nog het meest weg van een lijkbleke mummie. Nadat hij had leren schrijven, droeg hij voortdurend een briefje met zich mee: ‘Het lijkt er misschien wel op, maar ik ben niet dood’.
Dat briefje, vertelde Miguel Bonnefoy tijdens een gesprek op een literair festival, had hij misschien wel verzonnen. Maar de rest – dat was écht waar. Of toch bíjna echt waar. Want ja, Augustin Bernard Mouchot, over wie het hierboven gaat, heeft echt bestaan. Hij staat te boek als de uitvinder van de eerste machine die zonne-energie kon omzetten in mechanische kracht.

Verder lezen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2023/08/24/een-gedreven-visionair-in-een-domme-wereld-a4172684

AI in romans: hoe mensen straks machines worden

De verteller van Ian McEwan’s roman Machines zoals ik (2019) is een jonge computerprogrammeur, die met zijn erfenis Adam aanschaft, een van de eerste kunstmatig gemaakte ‘mensen’. De beroemde computerpionier Sir Alan Turing heeft er in het alternatieve universum van de roman, die zich afspeelt in de jaren tachtig, ook een. Adam, die het postuur heeft van een gespierde man, kan zonder probleem veters strikken en een fles wijn ontkurken. Een deel van zijn karakter en kennis is al voorgeprogrammeerd, een ander deel wordt na aanschaf ingevoerd door de verteller en zijn vriendin. Alles wat Adam ziet en hoort slaat hij op. In no time verovert hij een cruciale plek in hun leven. Hij leest zijn eigenaren de les en slaapt al snel met de vertellers vriendin. Kunnen zijn bazen hem eerst nog uitschakelen, zodat hij in elkaar zakt, al snel is hij in staat zelf zijn ‘uit-knop’ onklaar te maken, de knop waarmee de verteller hem in elkaar kan laten zakken. Uiteindelijk leidt het tot moord- en doodslag.

Het zijn maar een paar elementen uit McEwans boek, waarin hij zich voorstelt wat de consequenties zijn van de komst van AI in ons dagelijks leven. De mens wil ontkomen aan zijn sterfelijkheid en tegelijkertijd ‘een volmaakt ik’ construeren, een verbeterde versie van zichzelf. Maar kan dat, lukt dat? Wat betekent het voor de positie van de mens ten opzichte van de machine, en wat als de laatste, gevoed door een eindeloos vermogen om ervaringen en kennis op te slaan, een eigen bewustzijn ontwikkelt, en sterker blijkt? Zal er op den duur nog een onderscheid zijn tussen de een en het ander? Voor de mensheid gaat het om ‘de triomf van het menszijn of zijn engel des doods’.

Schrijvers beschikken over een fijn afgestelde antenne voor wat er zich, ver weg, aan de horizon aandient. Schrijvers buigen zich dan ook over technologische ontwikkelingen als AI, en de gevolgen die AI zou kunnen hebben voor de mens van de toekomst: ze stellen de what if-vraag en denken zo scenario’s uit voor de toekomst.

Zo ook Nobelprijswinnaar Kazuo Ishiguro. In Klara en de zon (2021) geeft hij het woord aan AI die is ontworpen om als maatje te dienen voor kinderen. Kunstmatige Vriendin (KV) Klara is al uitzonderlijk als ze nog, ter verkoop, in de etalage staat. Ze ziet dat sommige kinderen bedroefd zijn, of eenzaam en realiseert zich dat de mens raadselachtige emoties heeft: hoe kan het dat een mens én gelukkig én van streek kan zijn? De productieserie waartoe Klara behoort is technisch voorgeprogrammeerd, ze kan goed bewegen en ze kan vragen stellen, maar verder?

Verder lezen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2023/09/07/ai-in-romans-hoe-mensen-straks-machines-worden-a4173791

Spannende debuutroman van kolonel-schrijver Jean Michelin

Gisteren interviewde ik Jean Michelin, een Frans beroepsmilitair, en auteur van een geweldige debuutroman, Ceux qui restent (Zij die blijven, verschenen bij Héloïse d’Ormesson). Hij was in de buurt, hier in het zuiden van Frankrijk, voor een stage, en kon onze uitnodiging voor een (drukbezochte) literaire rencontre aannemen. Hij is kolonel en bereidt zich voor op een nieuwe missie, het zou Roemenië kunnen worden, maar zeker weten deed hij dat nog niet. Eerder was hij in Kosovo, Mali, Guyana, vele malen in Afghanistan. Zo’n combinatie van militair en schrijver is zeldzaam, de literatuur kent vele goede auteurs die ooit soldaat waren, van Apollinaire tot Saint-Exupéry, van Alain Fournier tot Ernst Jünger. Maar militairen die nu debuteren met een roman – en wat voor één – die zijn zeldzaam.
Ceux qui restent is een filmische roman over oorlog, over het leger, over kameraadschap, maar ook over schuldgevoel en eenzaamheid, over racisme en homoseksualiteit; over het feit dat je de ander nooit echt kent; over de vraag waarom, over het verder leven nadien; over het ‘ermee moeten leven’. Het is, wat ik eigenlijk verwachtte, geen puur ‘mannenboek’, juist de rol van vrouwen belicht hij en nog op een geloofwaardige manier ook- menselijk en empathisch. Bovendien is het niet minder dan een thriller, die spannend blijft tot de laatste pagina, met een ongelofelijk goed en volstrekt onverwacht einde. Hij weet zijn lezer goed te verleiden en te misleiden, deze welbespraakte en sympathieke auteur van begin veertig. Eerder schreef hij Jonquille (Gallimard, 2017), een récit over een missie in Afghanistan. Schrijven doet hij zo lang hij zich kan herinneren.

Ceux qui restent opent met een militair die is teruggekeerd van een missie. Hij heeft slaapproblemen, het enige dat helpt is hardlopen, fysieke uitputting, zodanig dat hij niet meer kan. Dan slaagt hij erin een paar uur te slapen. Hij krijgt bericht dat een van zijn kameraden, die uit het leger is gestapt, is verdwenen. Van de ene dag op de andere. Met vier collega’s gaan ze op zoek. Je leert ze kennen, de mannen. De een stamt uit een aristocratische familie die generaties lang officieren leverde. De ander is van Arabische afkomst, heeft discriminatie en racisme aan den lijve ondervonden. De volgende is getrouwd, en homoseksueel. Weer een ander jong en onervaren, maar wel doortastend en uiteindelijk de leider. De spotlight ligt ook op hun vrouwen, die thuis moeten blijven, de kinderen opvoeden, en stevig alleen zijn. Ze kennen momenten van wanhoop, protest, verleiding en standvastigheid. Alles draait om de verdwenen man, een modelsoldaat, die allen op handen dragen. Ze bezoeken zijn vrouw, een prachtig portret, met zijn kind. Er komt een operatie van lang geleden aan het licht, waarbij een dode viel, een geliefde militair. Jong en enthousiast. Ze bezoeken diens ouders. Vertrekken naar de jungle van Guyana.

Zo verweeft Michelin verschillende werelden door elkaar heen. Een ongelofelijke debuutroman. Kijk ernaar, Nederlandse uitgevers!

Bij de presentatie van De Klik, uitgave van de Gouden Ganzenveer.

Bij de presentatie van De klik, een mooie kleine uitgave geschreven door Nelleke Noordervliet, Gouden Ganzenveer 2022 en Nina Polak, Jonge Veer 2022, mocht ik, als Gouden Ganzenveer 2021, hen toespreken.

Lieve Nelleke, lieve Nina,

Toen ik de mooie uitgave ter ere van jullie veren kreeg, vorige week, las ik net een anonieme brief van een schrijfster van dan twee eeuwen geleden, een brief gericht aan een tijdgenote.

Tot mijn verrassing zag ik dat jullie boek De klik, ook uit een briefwisseling bestaat. Twee geweldige schrijfsters, met ieder een veer. En een klik. Hoe zou die eruit zien?

Afgelopen zaterdag hoorde ik jullie bij de Taalstaat vertellen dat jullie eigenlijk nooit brieven schrijven. Toen werd ik nog nieuwsgieriger.

De brief van meer dan 200 jaar geleden die ik vorige week net aan het lezen was, was een anonieme, maar wel publieke brief, wat niet ongebruikelijk was in die tijd.  De auteur was een schrijfster van 48 jaar. De schrijfster tot wie ze zich richtte was zo’n 26  jaar jonger. De jonge schrijfster, die aan het begin van haar carrière stond, had een stuk geschreven over haar idool, de filosoof Jean-Jacques Rousseau. Die was net overleden. De jonge schrijfster bewonderde hem, bejubelde hem. In haar essay schoof ze de schuld van zijn dood in de schoenen van zijn vrouw. Die was hem niet waard geweest, die was niet in staat geweest hem gelukkig te maken.

In haar anonieme brief, als antwoord op dat essay, veegde de oudere schrijfster de vloer met haar jonge collega aan. Hoe kon ze zoiets beweren: had ze Rousseau soms gekend? Wist ze überhaupt wel wat voor vrouw die echtgenote was? Was het niet zo dat ze gewoon napraatte wat kwaadsprekers over haar hadden verteld? Was dat nu rechtvaardigheid, was dat nu goedheid? Met superieure ironie liet ze haar jonge collega alle hoeken van de moraal zien.

Die oudere schrijfster was Isabelle de Charrière, hier beter bekend als Belle van Zuylen, van Nederlandse origine, getrouwd met een Zwitser, wonend in Colombier, bij Neuchatel, aan het meer van Genève.
De jonge schrijfster was de toen 22-jarige Frans-Zwitserse Germaine de Staël,  die uit zou groeien tot een invloedrijk auteur en een nog invloedrijkere stem in Europa. Zij woonde in Coppet, ook aan het meer van Genève.
De relatie tussen beide schrijfsters zou er in de loop der tijd niet beter op worden. Al was het maar omdat ze van dezelfde man hielden.

In de brief die Belle van Zuylen aan Germaine de Staël schreef, werden er dus bepaald harde noten gekraakt.

Dat is in jullie briefwisseling niet het geval. Integendeel. In jullie correspondentie overheersen vriendschap, begrip en empathie. Jullie beginnen met een gedeeld guilty pleasure, het kijken naar het datingprogramma B&B Vol liefde, dat ik eerlijk gezegd niet kende voor ik er bij jullie over las.

Van het een komt het ander, jullie schrijven verder over de taal der liefde, over de hardnekkige zoektocht naar de ware, die steeds opnieuw de kop opsteekt, en jullie schrijven over liefdesverdriet.

Jullie uitgave staat daarmee in een lange traditie: de brief als vorm van literatuur, een intiem genre en eeuwenlang het domein van vrouwen. In de Taalstaat bespraken jullie de vraag of het nu wel of niet passend was liefdesverdriet te benoemen bij een publieke gelegenheid als een prijsuitreiking. Moest dat geopenbaard of kon dat beter verzwegen blijven?

Grappig genoeg eas dat 400 jaar geleden ook al een vraag. Ik moest bijvoorbeeld denken aan de brieven van Madame de Sévigné. Ook zij schreef over liefdesverdriet. Dat gold niet haar man of haar minnaar, maar haar dochter. Van haar hield ze innig, maar haar dochter trouwde in 1669 met een  graaf uit het Zuiden van Frankrijk en dus verhuisde ze van Parijs naar de Provence. Haar moeder schrijft dat ze wanhopig is, dat ze zich voelt alsof haar hart en haar ziel zijn uitgerukt. Ik citeer: ‘Ik omhels je met een tederheid die zijn gelijke niet kent’, ’wees ervan verzekerd dat ik voortdurend aan je denk. Ik ben steeds bij je. Blijf altijd van me houden. Dat is het enige dat me kan troosten’. Die dochter was wat minder bedroefd.

Die moeder zou honderden brieven aan haar dochter schrijven, en daarmee de beroemdste épistoliere van haar eeuw worden. Hoewel ze niet met het oog op derde lezers waren geschreven, werden die brieven na haar dood gepubliceerd. Sommigen spraken er schande van – wat pathetisch, een moeder die zo van haar kind houdt, dat had ze beter binnenskamers kunnen houden.

Zo’n 100 jaar later lijkt Germaine de Staël daarop te reageren. ‘Ik respecteer het hart dat lijdt’, schreef ze in haar essay over fictie, ‘ik houd van fictie die het lijden van het hart verlicht. Degene die de mens afleidt van zichzelf, van zijn eigen hartstocht, en er ik citeer ‘onafhankelijke verrukkingen’ voor in de plaats zet, geeft ons het enige echte geluk waar de mens gevoelig voor is.’

Dat schreef ze in haar essay over de fictie, uit 1795. Het was een ode aan fictie, een lofzang op de roman.

‘De mens heeft geen kostbaarder eigenschap dat zijn verbeelding’, schreef ze, ‘de mens is zo weinig  in de wieg gelegd voor geluk, dat je alleen met behulp van schepping, van verbeelding, nog wat plezier op aarde kunt vergaren en kunt vechten tegen het ongeluk’.

Zo melancholiek zijn jullie niet, in De klik. Maar met de eerste zin, die over de verbeelding, zijn jullie het vast eens. Want jullie schrijven ook over de populariteit van ‘waar gebeurd’ en de huidige trend waarbij fictie wordt gedevalueerd ten gunste van puur autobiografische boeken.   ‘Een waargebeurde jeugd vol misbruik’ – ik citeer – is nog het enige boek is dat goed verkoopt. ‘Zelf moeten interpreteren wat een tekst je te vertellen heeft is te veel gevraagd. Het is te intensief, te tijdrovend’.

Maar vooral moest ik bij het lezen van jullie correspondentie denken aan die andere bijzondere briefwisseling van zo’n vijftig jaar geleden: Een gevaarlijke verhouding of Daal-en-Bergse brieven, van Hella S. Haasse, uit 1976. Dat boek heeft de vorm van een imaginaire briefwisseling tussen een alter ego van de schrijfster en de markiezin de Merteuil, een fictief personage uit Les Liaisons dangereuses (1782) van Choderlos de Laclos. Die markiezin is, zoals u weet, een uitzonderlijke, misdadige, perverse vrouw die niet aarzelt jonge vrouwen te verleiden, te misleiden en hun leven te volledig te ruïneren.
Aan het eind van het boek laat Laclos de markiezin naar Holland vluchten, waar Haasse de draad weer oppakt. Haasse raakte helemaal in de ban van de markiezin. Ze stelde zich voor dat ze, mismaakt en eenzaam, in Den Haag was gaan wonen en schreef haar brieven, waarop de markiezin dan weer antwoordde.

Haasse gebruikt die imaginaire correspondentie om met ironie de aristocratische kringen van die tijd te beschrijven en vooral de positie van de vrouw daarin.

Ook in deze briefwisseling worden hard noten gekraakt:
‘Ik voel geen sympathie voor u’, schrijft Haasse met understatement.

Maar verdomd interessant vindt ze haar wel, die markiezin van het kwaad.

Bij jullie briefwisseling zou het motto anders luiden, namelijk:
’ik voel grote sympathie voor u’.

Jullie vinden elkaar in sommige angsten, in het ’s nachts wakker liggen, jullie uiten zorgen over  – ik citeer – ‘de neergang waarin de literatuur zich bevindt, de heersersblik van sommige mannelijke collega’s die het schrijven zien als het allerhoogste, ten spijt’.
Jullie schrijven over de populariteit van true crime. Over de vrolijkheid van de poëzie van Fritzi Harmsen van Beek, over de gevaren van strenge identiteitspolitiek. Over discipline en motivatie. Over gepriviligieerd nihilisme.

Als Nina schrijft dat ze soms de interesse in het schrijverschap verliest, spitst Nelleke haar oren.

En ik ook.

Dat krijg je als je twee geweldige auteurs, met twee prachtige veren aan elkaar koppelt.

Jullie blazen, met deze prachtige uitgave, de traditie van de literaire correspondentie op een fantastische manier nieuw leven in.
En hopelijk schrijven jullie nog een tijdje verder.

 

Margot Dijkgraaf, 30 januari 2023

 

 

De letterkast van het onvoltooide, Henk van der Waal

Wie wil scheppen moet eerst de keten
van oorzaak en gevolg
doorbreken

dat kan op twee manieren: of je zorgt
ervoor dat alle oorzaken geen gevolgen meer hebben
of je zorgt ervoor dat alle gevolgen geen oorzaak meer worden

het niets dat je in beide gevallen overhoudt
is uitermate geschikt om een nieuwe
eerste oorzaak in te planten

stel dat je beseft
wat zo’n nieuwe eerste oorzaak
allemaal teweeg gaat brengen

dan begrijp je dat god
getrild moet hebben van angst
toen hij aan zijn schepping begon

Het zijn strofes uit De letterkast van het onvoltooide van de dichter, filosoof en docent Henk van der Waal. Ze staan niet dik gedrukt boven aan de pagina – nee, bijna achteloos rechts of links onderaan de pagina, in de serie tijger/god. Waar het gedicht over gaat? Van der Waals poëzie geeft zich nooit meteen bloot, en misschien zelfs wel nooit. tijger/god raakt aan ‘stagnerend verval/dat is wat je bent’ aan de armoede van ‘opstaan, tandenpoetsen, sporten, douchen, series kijken/dat is het wel zo’n beetje’.
En dat is het dus helemaal niet, in de literaire wereld van Van der Waal. Integendeel. Hij analyseert de mens in zijn zwaktes, in zijn gebreken. En schreef daarmee paradoxaal genoeg een ode aan het onaffe, aan die gebreken, aan het onvolledige. Dat alles gewikkeld in, vermomd als, verborgen in schitterende, gebeitelde, betekenisvolle taal. Met zinnen en frasen die je in kunt lijsten. De filosoof stelt de grote vragen (waarom?), over angst, over god, over het scheppen. Zijn poëzie heeft, net als in zijn eerdere bundels, soms een spirituele, mystieke invalshoek – ook daar kun je nog menige koude zondag mee doorbrengen.

Over Kijk ons dansen van Leïla Slimani

In 2014 kwam Leïla Slimani met een klap de Franse literatuur binnen. In De tuin van het beest (Le jardin de l’ogre) zette ze een nymfomane neer, een getrouwde vrouw en moeder, die al hardlopend probeerde haar opgefokte seksuele drang onder controle te krijgen. Het was een metafoor voor de onderdrukte seksualiteit in haar geboorteland, Marokko. Hoe reëel dat was, en welke rol religie daarbij speelde, bleek toen ze, in Marokko op toernee met haar boek, verhalen van vrouwelijke toehoorders aanhoorde. Die bundelde ze daarna in Sexe et mensonges. La vie sexuelle au Maroc (Seks en leugens). In 2016 publiceerde ze Une chanson douce (De perfecte oppas), dat bekroond werd met de Prix Goncourt. Haar schrijverschap kon niet meer stuk.

Ze bundelde haar kronieken in een uitgave van cultureel tijdschrift Le1, met onder andere een tekst waarin ze van leer trok tegen gewelddadig jihadisme: ‘Intégristes, je vous hais’ (ik haat jullie) en ‘ik kots van de sharia’. Ze zette zich in voor minderheden en migranten, de Frans-Algerijnse schrijver Kamel Daoud bestempelde haar als ‘de Française van de toekomst’ en president Emmanuel Macron benoemde haar tot zijn vertegenwoordiger van de francofonie. Met verve draagt ze sindsdien haar denkbeelden over het Frans uit: Frankrijk is niet langer het centrum, het Frans is net zo goed een Afrikaanse taal.

Al die activiteit naar buiten vroeg ook om reflectie. Le parfum des fleurs la nuit (2021) is een autobiografische overpeinzing over haar schrijverschap, over het scheppingsproces en vooral over haar vader. Othman Slimani was een bankier die na een politiek-financieel schandaal in de cel belandde en pas postuum werd gerehabiliteerd. Ook kondigde Slimani aan dat ze ging onderzoeken waar ze precies vandaan kwam en hoe het verleden haar gemaakt had tot wie ze was. Dat wilde ze doen in een trilogie onder de overkoepelende titel Le pays des autres (Het land van de anderen). Na de ophef, na de taboes, na de provocatie en na het enorme succes, wilde Slimani het verleden onder de loep nemen. Ze bevroeg haar familieleden, ging te rade bij wat oudere vrienden zoals de Frans-Marokkaanse schrijver Tahar Ben Jelloun, ze dook in de tijd voor haar geboorte, verzamelde verhalen. Een epos geïnspireerd op haar eigen familie wilde ze schrijven, in de traditie van Nagieb Mahfouz, in de stijl van Elena Ferrante. De vrouwen van haar familie moesten fungeren als rode lijn. Ze legde zichzelf een strak schema op.

In 2020 verscheen het eerste deel, La guerre, la guerre, la guerre (in het Nederlands vertaald als Mathilde), waarin een jonge vrouw uit de Elzas, gemodelleerd naar haar grootmoeder, in 1946 trouwt met Amine, een Marokkaanse soldaat en met hem meegaat naar zijn vaderland. Ze belandt op een boerderij buiten Meknès, in the middle of nowhere. Haar man heeft alleen aandacht voor zijn werk, zij wordt geacht hun kinderen op te voeden: de werkelijkheid lijkt in niets op wat ze verwachtte toen ze alles en iedereen in Frankrijk achterliet. Het conflict tussen de jong getrouwden is de rode draad in de roman, de culturele kloof lijkt niet te overbruggen.

In het onlangs vertaalde tweede deel, Regardez-nous danser (Kijk ons dansen), pakken we de draad van het familieverhaal op in de jaren zestig. Mathilde en Amine hebben met de jaren een modus vivendi gevonden, beiden berusten in hun desillusies, de focus van het verhaal verschuift naar hun kinderen, Aïcha en Selim. Hun dochter vertrekt naar Straatsburg om er medicijnen te gaan studeren. Ze vindt geen aansluiting, doet niets dan studeren. Haar hospita noemt haar minachtend ‘l’Africaine’. Aangezien ze van huis uit niet heeft meegekregen het nieuws te volgen, begrijpt ze niets van de gebeurtenissen in mei ’68. Ze houdt zich afzijdig, vertrekt naar huis. Op de valreep laat ze haar haar ontkrullen en kleedt ze zich volgens de laatste Franse mode. Op het vliegveld herkent haar vader haar in eerste instantie niet, daarna ontsteekt hij in woede.

Verder lezen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2023/01/05/slimani-vertelt-hoe-de-geest-van-68-ook-zijn-weg-naar-marokko-vond-a4153409

 

Lana Bastašic over haar debuutroman Vang de haas

‘Ik was vierentwintig toen ik uit Bosnië vertrok, ik kon geen baan vinden, ik wilde schrijven. Ik zag mezelf verbitteren, begon mijn land te haten, ik werd nihilistisch. Toen ben ik verhuisd, uiteindelijk naar Barcelona. Ik heb alles achtergelaten, inclusief mijn taal. Ik moest afrekenen met wat ik in Bosnië had achtergelaten.”

Nu is Lana Bastašic zesendertig en woont ze in Belgrado. Eerder deze zomer was ze een van de eregasten op het Bookstan festival in Sarajevo. Dit jaar wordt het beleg van die stad herdacht; van 1992 tot 1996 werd Sarajevo door Bosnische Serviërs onder vuur genomen, waarbij duizenden burgers de dood vonden. De oorlog en de nasleep ervan zijn alom zichtbaar, in de stad én in de literatuur.

Vanaf haar achtste was ze bezig met schrijven. Dagboeken, korte verhalen, poëzie. Haar eerste roman moest gaan over opgroeien in Banja Luka, een stad in het Servische deel van Bosnië en Herzegovina, over haar jeugd, over haar geprivilegieerde positie. Vang de haas, in de mooie vertaling van Pavle Trkulja, stond dit najaar op de shortlist van de Europese Literatuurprijs, de Nederlandse prijs voor vertaalde Europese boeken.

Het boek gaat over twee jeugdvriendinnen in de periode vlak voor en tijdens de oorlog. Ze hebben een verschillende afslag genomen. De een, Lejla, dochter van Bosniakken, bleef in Bosnië, trouwde en werkt in een toeristenrestaurant. De ander, Sara, de vertelster, dochter van een Bosnisch-Servische politiecommissaris, vertrok naar Dublin en woont er samen met een informaticus en een avocadoplant. Ze werd schrijver.

Het boek begint op het moment dat Sara na twaalf jaar radiostilte een telefoontje krijgt van Lejla; ze wil dat Sara terugkomt om haar van Mostar naar Wenen te rijden. Ze heeft een levensteken gekregen van haar tijdens de oorlog verdwenen broer. Tijdens de rit kruisen hun herinneringen én hun zwaarden elkaar. Wie zijn ze eigenlijk? En wie is die ander die ze vroeger zo goed dacht te kennen? En passant trekt de gewelddadige geschiedenis van de regio voorbij.

Uw hoofdpersonen waren in hun jeugd vriendinnen, maar wat zijn ze eigenlijk nu?

„Hun relatie is niet in één woord te vatten. Vriendschap, mentorschap, jaloezie, haat, schuld, seksuele aantrekkingskracht – het is er allemaal. Ze spiegelen elkaar, leren van elkaar. Schrijven is een onderzoek naar het geheugen. Wat behoud je, wat fabriceer je, wat vergeet je? Je vraagt je af wat echt is, maar het ware verhaal glijdt steeds weg. Soms zijn we hypocriet over wie we waren, willen we dat liever vergeten. Maar er zijn altijd mensen van vroeger die nog weten hoe je was. Dat is het geval bij Sara en Lejla.”

In zekere zin staat Sara, die wegging, voor Europa, en Lejla, die bleef, voor Bosnië.

„Ja, het is een metafoor. Ik wilde de verschillen laten zien. Bosnië stond op de derde plaats op de wereldranglijst van landen waaruit jongeren vertrekken. Die braindrain is een groot probleem. Sara kon weg, ze kan alles van een afstandje bekijken. Voor Lejla is het een kwestie van overleven.”

Uw boek gaat over machtsrelaties, ook over de macht van de verteller.

„In mijn vroegste dagboeken praat ik tegen een imaginaire lezer. Schrijven is voor mij een manier om orde te scheppen in mijn hoofd. Over de macht van de verteller leerde ik veel van Nabokovs Lolita. Die roman laat de hypocrisie van de verteller zien, hij esthetiseert een verschrikkelijk verhaal, laat de lezer deel uit maken van de schoonheid en de gruwel van die misdaad. Als Lolita het verhaal had verteld zouden er niet al die prachtige woorden hebben gestaan, het zou pure horror zijn geweest. Bij mij is Sara de verteller, maar hoe zou het eruit hebben gezien als Lejla dat was? Ik wilde dat de lezer daarover nadacht.”

Lejla zegt op een zeker moment: ‘we zullen altijd in Bosnië zijn’. Wat bedoelt u daarmee?

„Sara is de dagdromende schrijver, Lejla vertegenwoordigt de stem van de rede. Ik wilde laten zien wat het betekent om uit Bosnië te komen, hoe het definieert wie je bent, bepaalt wat je wel en niet kunt doen. Het zijn patronen die je meeneemt. Ze remmen je, blokkeren je.”

Verder lezen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2022/12/08/lana-bastasic-het-voordeel-van-opgroeien-in-bosnie-is-dat-je-niets-als-vanzelfsprekend-beschouwt-a4150861

Mohamed Mbougar Sarr over zijn totaalroman

‘Ik strijd tegen versimpeling van de literatuur”, houdt hij zijn publiek in Nancy voor, „ik voer sinds kort een kruistocht tegen degenen die in twee zinnen willen zeggen waar een boek over gaat”. Zijn toehoorders staren Mohamed Mbougar Sarr lichtelijk verbaasd aan, je ziet ze denken: maar iedereen wil toch weten waar een boek over gaat?

Hoe gerechtvaardigd die wens van een boekenkoper ook is, Sarr maakt er een punt van. Ook in zijn vuistdikke roman De diepst verborgen herinnering van de mens, vorig jaar bekroond met Frankrijks belangrijkste literaire prijs de Prix Goncourt, neemt hij stelling. Zo betoogt een van zijn personages dat alleen een slecht boek of een middelmatig boek een onderwerp heeft, een echt groot boek gaat nergens over, en toch zit alles erin.

Vertellen wat er in De diepst verborgen herinnering van de mens zit, is geen sinecure. Je zou kunnen zeggen dat het een ‘totaalroman’ is, een labyrintisch meesterwerk, een eindeloze kluwen van in elkaar grijpende verhalen en een liefdesverklaring aan de literatuur. Maar het is ook de zoektocht naar een verdwenen auteur die een meesterwerk schreef, een grote prijs in de wacht sleepte, van plagiaat werd beschuldigd en spoorloos verdween. In de roman heet die schrijver T.C. Elimane, in werkelijkheid heette hij Yambo Ouologuem, en kreeg hij in 1968 de Prix Renaudot.

Hoe kruiste uw weg die van de Malinese schrijver Yambo Ouologuem?

„Op het lyceum in Senegal was ik bevriend met een docent die me veel over Ouologuem vertelde, hij zei dat ik zijn roman echt moest lezen en beloofde het boek mee te nemen. Maar hij kon het niet meer vinden. Iedere dag zei hij: morgen neem ik het mee. Ik werd natuurlijk steeds nieuwsgieriger. Toen hij het me eindelijk gaf, was het een voddige, ingekorte versie, met uitgescheurde pagina’s en bladzijden op zijn kop. Maar zelfs in die vorm kon ik al zien dat het iets heel bijzonders was.”

Waarom fascineerden Ouologuem en zijn geschiedenis u zo?

„Hij en ik zijn verbonden door de waarde die wij aan literatuur hechten. Zijn vragen zijn de mijne. Als je een boek schrijft dat wezenlijk is voor jezelf, eist dat in ruil iets van je op. Ik bespeurde in zijn boek een faustiaans pact. Als je een boek schrijft dat polemisch is, politiek en persoonlijk, dan is er altijd iets wat datzelfde boek je ontneemt. Bij Ouologuem was dat zijn carrière, eigenlijk zijn hele leven. Hij is ook het symbool van de route die veel Afrikaanse schrijvers in Frankrijk hebben afgelegd, de manier waarop ze werden geredigeerd, uitgegeven, gelezen, bekroond of niet.”

Verder lezen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2022/10/13/prix-goncourt-winnaar-mohamed-mbougar-sarr-over-zijn-totaalroman-over-afrika-a4145073