Gesmoorde woorden van Olivier Rolin

Een man neemt zich voor de wereld in kaart te brengen, hij bereist ‘provincies, koninkrijken, bergen, baaien, schepen, eilanden’ en ontdekt uiteindelijk dat die het beeld schetsen van zijn eigen gezicht. Deze zinnen, ontleend aan Jorge Luis Borges, dienen als motto voor het nieuwe boek van Olivier Rolin. Dit is zijn zelfportret, begrijp je. ‘Geen memoires, lieve help nee!’ Als al benoemd moet worden wat het is, dan is het ‘een synopsis van de sporen die de wereld achterlaat in een mensenleven – of liever de sporen waarmee de wereld het schilderij van een leven samenstelt’.

Dat schilderij bestaat in Rolins geval uit een leven lang reizen, het schrijven van boeken daarover, uit ontmoetingen met schrijvers ergens ter wereld, met vrouwen op wie hij verliefd werd en die hem vroeg of laat weer verlieten. Dertig jaar lang maakte hij aantekeningen in zo’n zestig opschrijfboekjes, om indrukken ‘vast te pinnen’. En wel zodanig dat ‘als je ze herleest, die indruk opnieuw ontluikt, zich ontvouwt, ietwat verwelkt, maar wel degelijk daar aanwezig’. Voor die zoektocht naar de juiste woorden moet je de tijd nemen, als ‘een soort komische steltvogel die roerloos temidden van de omringende beweging blijft staan’, anders heeft het allemaal geen zin. Als hij later die notities terugleest wekken ze een ‘werveling van beelden op, die [zijn] theater van de wereld vormen’.

Groots is dat theater, afwisselend, altijd in beweging, bij vlagen romantisch en melancholiek. Ironisch en vol zelfspot ook. Al die scènes uit zijn wereldtoneel heeft hij opgetekend in zijn kenmerkende, magnifieke literaire stijl die Katelijne de Vuyst, zijn vaste vertaalster, opnieuw mooi heeft weten vast te houden.

Verder lezen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/11/19/een-odysseus-in-het-klein-2-a4020724

 

 

Thuis op de bank en toch naar Parijs: Met Parijse pen. Literaire omzwervingen

Ontdek een nieuw Parijs in de voetsporen van beroemde schrijvers: Patrick Modiano neemt je mee naar een ander Montmartre, Remco Campert laat je de oostkant van de stad zien, Michel Houellebecq leidt je van de Parijse hoogbouw naar de Sorbonne en met Adriaan van Dis kijk je achter de schermen van migrantenlevens.

Parijs – stad van pracht en praal, maar ook van extreme armoede. Je kunt er dwalen om te verdwalen en plekken vinden waarvan je niet wist dat je ze zocht. Onder die prachtige bovenlaag, achter die glanzende façade, borrelt, leeft, stinkt, bloeit de stad.

De pen van Margot Dijkgraaf belicht tien grote Nederlandse en Franse schrijvers en hun personages in Parijs. De foto’s van Bart Koetsier volgen op unieke wijze hun literaire route door de lichtstad. Zo verenigt de literatuur zich met de lens van de stadsfotograaf.

Speur naar wat verloren ging, observeer het Parijs van nu in al zijn diversiteit – en bezie de lichtstad met een nieuwe blik!

Margot Dijkgraaf is literatuurcriticus (NRC), schrijver en curator van literaire en culturele evenementen in Frankrijk en Nederland. Van haar hand verschenen onder meer Spiegelbeeld en schaduwspel. Het oeuvre van Hella S. Haasse (2014), Lezen in Frankrijk. Een literaire tour de France ( 2018) en Zij namen het woord. Rebelse schrijfsters in de Franse letteren (2020) .

 Bart Koetsier is een Nederlands documentair en portretfotograaf wonend in Parijs. Een constante in zijn werk is de sterk cinematografische sfeer. Zijn serie ‘Taillights Fade’, een persoonlijk document van Europa aan het begin van de 20ste eeuw werd gepubliceerd in talloze internationale tijdschriften.

Over het magnum opus van Annie Ernaux, De jaren

Vorig jaar vertelde Annie Ernaux, in een interview op de Franse radio, hoe blij en verbaasd ze was over de wereldwijde #metoo-beweging. Ze had in haar leven alle feministische golven meegemaakt, en dacht dat ze de échte revolutie van de vrouw, met blijvend resultaat, niet meer zou beleven. Voor de beroemde Françaises die de ophef over het mannelijk gedrag allemaal nogal overdreven vonden, had ze geen enkel begrip: dat zijn geprivilegieerde vrouwen, zei ze, ze hebben geen idee van de werkelijkheid, van hoe het er op de werkvloer of in de metro aan toegaat.

Annie Ernaux (1940) weet dat als geen ander. Als meisje hoort ze in de keuken annex kruidenierswinkel van haar ouders alle roddels over het arbeidersbestaan. In de woonkamer, tevens café, ziet ze hoe mannen dronken worden. Op het lyceum wordt ze door meisjes uit de ‘betere kringen’ met de nek aangekeken: ze behoort niet tot de juiste klasse. Bij haar thuis is er geen koelkast, geen badkamer, de wc is op de binnenplaats en – een gotspe! – ze is nog nooit in Parijs geweest. Oppert ze thuis om eens ergens naartoe te gaan, zoals de andere meisjes van haar klas, dan antwoorden haar ouders: ‘Waar wil je dan naartoe, heb je het soms niet naar je zin waar je bent?’

Van die worsteling, van dat klassenverschil, getuigt Ernaux vanaf haar eerste boek. ‘Venger ma race’ was lang haar motto en dat revancheren gold niet haar vrouwzijn, maar haar sociale klasse en de cultuur die daarbij hoort. Haar debuutroman Les armoires vides (Lege kasten, 1974) gaat over een jonge vrouw die een abortus ondergaat. Alleen. De man van wie ze zwanger is, een student uit de betere klassen, is naar de VS vertrokken.

Ernaux is een van de eerste Franse schrijfsters die de stilte rond dit taboe-onderwerp doorbreekt. Daarna volgen romans over een allesverterende passie (Passion simpleAlleen maar hartstocht), over de dag waarop haar vader haar moeder dreigt te vermoorden (La honteDe schaamte), over het leven en de aftakeling van haar moeder (Une femmeEen vrouw) en de worsteling van haar vader om financieel het hoofd boven water te houden (La place, Prix Renaudot 1984).

Ook in haar daaropvolgende boeken neemt Ernaux geen blad voor de mond. Ze put uit haar herinnering, niet uit haar verbeelding. Schaamte over haar ouders, hun taalgebruik, hun kleding, schaamte over haar eigen anderszijn, seksualiteit, de vlucht in een huwelijk.

Het ongemak en de woede die daaruit voortkomen zijn thema’s van de ‘transfuge de classe’ die ze geworden is: door haar schrijverschap heeft ze zich ontworsteld aan haar oorspronkelijke sociale klasse. Net als Prix Goncourtwinnaar Nicolas Mathieu en cultauteur Édouard Louis – bewonderaars van Ernaux – vertegenwoordigt ze dat deel van de Franse bevolking dat zich niet gehoord voelt.

Lees verder:

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/10/29/de-geschiedenis-doorkruist-ieders-leven-a4017914

Jean de la Ville de Mirmont: De zondagen van Jean Dézert

De bekendste dichtregel van Jean de la Ville de Mirmont is waarschijnlijk: ‘Je me suis embarqué sur un vaisseau qui danse’, afkomstig uit een postuum gepubliceerd, romantisch gedicht, later door Julien Clerc prachtig vertolkt in een chanson. De stem van de zee lokt, verleidt de man die in een havenstad is geboren, hij bezingt de schepen die hij op de golven ziet dansen, maar echt inschepen – dat heeft hij nooit gedurfd. Wat hem rest zijn dromen aan wal, in storm en regen, weemoed en verveling.

Jean de la Ville de Mirmont (1886-1914), schrijver en dichter uit Bordeaux, liet na zijn dood – hij werd als sergeant in het Franse leger door een Duitse granaat getroffen – een klein oeuvre na: gedichten, brieven en een korte roman De zondagen van Jean Dézert. Het boek verscheen onlangs in de Schwob-reeks van ‘de mooiste vergeten klassiekers’, voorzien van een informatief nawoord van vertaler Mirjam de Veth.

Jean Dézert is beambte op ‘het ministerie van Welzijnsbevordering (afdeling materiële voorzieningen)’. Nadenken hoeft hij niet, hij moet ‘voorgedrukte formulieren invullen’ en ‘stukken doorgeven’. Dézert woont op een vijfde verdieping in de Rue du Bac in Parijs, in een woning met een uitzonderlijk laag plafond. Met een beetje fantasie waan je je ‘op het tussendek van een zeilboot’. Maar juist aan fantasie ontbreekt het hem. Niemand heeft hem ooit kunnen betrappen op ‘het verlangen om iets uit te proberen’. Ambitie kent hij niet, evenmin als afgunst.

Hij heeft één vriend met wie hij dagelijks in hetzelfde restaurant eet. De vriend vertelt, Dézert luistert. In zijn agenda – goud op snee – staat bij de meeste dagen: ‘Niets’. Hij accepteert dat hij slechts ‘een figurant’ is. Eén levenskunst beheerst hij tot in de puntjes: het vermogen te wachten. Wachten op bevordering, wachten op zijn pensioen, wachten op de dood. Vooral wacht hij tot het zondag is.

Lees meer:

Lees meer

Bérengère Cournut: Van steen en been

Een jonge Inuitvrouw verlaat ’s nachts de iglo waarin ze met haar familie ligt te slapen. Gerommel, getril, oorverdovend gekraak. In een oogwenk scheurt de ijslaag onder haar, ze drijft weg van haar ouders, van de iglo, de slee. Haar vader weet haar nog net zijn amulet toe te gooien, een harpoen, een berenvel. Dan verdwijnt ze in de mist.

Het is het filmische, symbolische begin van Van steen en been, het zevende boek van de Franse schrijfster Bérengère Cournut (1980), afgelopen jaar bekroond met de Prix du roman Fnac. Eenzaam begint de Inuitvrouw aan haar overlevingstocht, met niets anders dan een halvemaanvormig mes in haar anorak, een berenhuid, haar moed en vastberadenheid. Eerst moet ze zich vijf uitgehongerde honden van het lijf houden, die zich op hetzelfde stuk ijsschots blijken te bevinden. Eenmaal op het vasteland gestoten is het lopen of sterven. Van haar vader leerde ze jagen, op robben, op beren. Met de honden vangt ze een poolhaas, een sneeuwhoen. Op de uitgestrekte ijsvlakten treft ze een groep van drie gezinnen, bij wie ze zich aansluit. Ze moet de kost verdienen, gaat mee met de mannen om te jagen. Van de oudste moet ze naast de slee meerennen, ‘We gaan ver, ik moet lang rennen’. Als enige weet ze met haar speer een ringelrob te doden, een vet mannetje, waardoor er weer wat te eten is in ‘het winterhuis’. ‘Arnaautuq’ noemen ze haar, gemankeerde jongen.

Zo begint haar odyssee, een strijd op leven en dood. Met mannen die in haar een gemakkelijke seksuele prooi zien. Met de natuur. Met de geesten die de cultuur in die contreien beheersen en die ze te vriend moet houden. Als ze een zeehond vangt, geeft ze hem, eenmaal op het vasteland, eerst te drinken, om zijn geest te bedanken dat die zich heeft laten pakken. Hoort ze klanken uit de grond, dan begrijpt ze dat het ‘de reus’ is die haar, in versvorm, beveelt weg te gaan.

Ze ontmoet een man met wie ze goed kan jagen, hij noemt haar Uqsuralik, een naam als ‘een wit dier, zowel Beer als Hermelijn’. Haar wereld is doordrenkt van rituelen die de geesten gunstig moeten stemmen. Als ze zwanger is, mogen er geen touwspelletjes in haar omgeving gespeeld worden, de foetus zou wel eens in zijn navelstreng verstrikt kunnen raken. Is ze in de rouw, dan mag ze niet jagen: van een treurende vrouw slaat het wild op de vlucht. Lees verder:

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/10/01/de-mens-is-hier-slechts-een-sneeuwvlok-a4014362

Cours Écrivaines rebelles en littérature française

Retrouvez Margot Dijkgraaf, journaliste et autrice néerlandaise, francophone et francophile, pour un atelier passionnant sur la littérature française du 18ème siècle à nos jours !

Grâce à ce cours, vous aurez l’occasion de découvrir le parcours de six autrices rebelles qui ont marqué de leur empreinte la littérature française : Madame de Staël, George Sand, Colette, Nathalie Sarraute, Annie Ernaux et Lydie Salvayre.

D’une session à l’autre, vous lirez les textes et découvrirez leurs autrices, puis vous aurez l’occasion d’échanger et de discuter avec Margot Dijkgraaf. Cet atelier est ouvert aux étudiant.e.s de niveau avancé ainsi qu’aux francophones.

@ oba amsterdam

Pour plus d’informations : afamsterdam.nl

European Literature Night 2020

Hoe ziet het Europa van nu eruit? Aanstaande vrijdag vragen we het aan twaalf Europese schrijvers. Hoe zullen de sociale en maatschappelijke verschuivingen van vandaag in de literatuur van morgen resoneren? Zullen de kunsten juist bloeien, omdat ze de wezenlijke vragen stellen? Biedt literatuur enig soelaas: Literature, an antidote? Zal er voor schrijvers, voor literatuur, nog een rol zijn weggelegd in een maatschappij die uit individuele eilandjes bestaat?
Dit soort vragen en vele andere zullen Guido Snel en ik stellen aan de gasten op de Europese Literatuurnacht, die vrijdag 18 september wordt gehouden in De Brakke Grond. Met Nicola Lagioia (Italië) en Paulus Hochgatterer (Oostenrijk) zullen we spreken over spanning in de vastgoedwereld, over het imago van landen, over het risico dat kinderen lopen in een digitale samenleving; met Monique Schwitter (Zwitserland) en Tomas Vaiseta (Litouwen) kijken we onder andere naar liefde, eenzaamheid en isolatie in de 21e eeuw; met Juan Gomez Barcena (Spanje) en Nathalie Azoulai (Frankrijk) verkennen we de rol van literaire grootheden in de literatuur van nu, de Tweede Wereldoorlog en #metoo; Eric Ngalle (UK) zal ons vertellen over hoe zijn schrijverschap hem redde in zijn omzwervingen van Kameroen, Malta, Moskou en Wales, Nataša Kramberger (Slovenië) zal ons laten zien welke betekenis grenzen voor haar hebben. Met Pierre Jarawan (Duitsland), Pavla Horakova (Tsjechië) en Abdelkader Benali verkennen we Beyrouth, thema’s van migratie en exil, de Grote en de kleine geschiedenis.
Wie in Europa schrijft heeft een achtergrond van gedeelde ervaringen, gedeelde politieke structuren, van aangehangen en weer verlaten ideologieën, van oorlogen en dictaturen. De Tsjech Jáchym Topol definieerde een Europese schrijver eens als ‘iemand die weet van catastrofes, van verschrikkingen. Het is een persoon die weet wat het communisme heeft aangericht, wat de Tweede Wereldoorlog betekent, iemand bij wie de namen van Hitler en Stalin beelden oproepen.’ Gemeenschappelijke geschiedenis, gemeenschappelijke ellende. Wat Europese literaturen gemeen hebben is het omgaan met een gedeeld verleden. Politiek is daarbij vrijwel altijd een bepalende factor, engagement een houding die de schrijver op het lijf is geschreven.
Hoe ziet het Europa van de toekomst en daarmee de toekomstige Europese literatuur eruit? De opeenstapeling van financiële crisis, klimaatcrisis en pandemie, het kraken van het kapitalisme, de globalisering – staat Europa aan de rand van de afgrond? Hoe luidt het nieuwe verhaal? Schrijvers nemen deel aan het gesprek daarover, ze nemen nieuwe onderwerpen bij de kop en zullen nieuwe literaire vormen ontwikkelen. In de literatuur worden de vragen gesteld ‘waar komen we vandaan?’ en ‘waar gaan we heen?’ Een schrijver vertelt verhalen die de lezer in contact brengen met werelden waar hij niets van wist, of waar hij alleen clichés over kent. “In literatuur ben je niet alleen jezelf, maar ook de ander”, zegt de Turkse schrijfster Elif Shafak. Literatuur kan bijdragen aan kennis over het verleden, bijdragen aan begrip voor de ander, voor de (nieuwe) buren.
Voorafgaand aan de Europese literatuurnacht, spreekt de journalist en historicus Philipp Blom de eerste Staat van de Europese Literatuur uit, een fascinerende kijk op de toekomst van Europa en de Europese literatuur, onder de titel Here be dragons or: How to tell stories in societies that have lost the plot.
Wees welkom, kijk online via de site van debalie.nl.

De Europese Literatuurnacht is een activiteit van EUNIC, de koepel van buitenlandse culturele instituten in Nederland. De nacht is dit jaar voor het eerst onderdeel van The European Forum on Culture, georganiseerd door De Balie en Dutch Culture. De Staat van de Europese Literatuur is een initiatief van Guido Snel, verbonden aan de Faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.

Op de cover van De zwarte klok van de Oostenrijkse schrijver Paulus Hochgatterer staan witte kleine huisjes tegen een groene achtergrond, identiek, huisjes zoals een kind ze tekent, met een deur, wat ramen en een rood puntdak. Uit slechts één raam schijnt licht, één deur staat open. De andere blijven potdicht, wat zich daar afspeelt blijft verborgen. Veel goeds is het in ieder geval niet.

Paulus Hochgatterer (1961) is schrijver én kinder- en jeugdpsychiater. Net als bij zijn Franse collega Lydie Salvayre en de Waalse Jacqueline Harpman komt zijn professionele ervaring direct binnen in zijn roman. Zijn dorp lijkt bevolkt te worden door psychiaters, onderwijzers en psychologen enerzijds en ontspoorde geesten anderzijds. Daartussenin bevinden zich de slachtoffers, kinderen en volwassenen die de kwetsbaarheid van hun prille jeugd hebben behouden.

In het dorp gebeuren verontrustende dingen: een man valt van een steiger, het lijkt zelfmoord, maar zijn naasten twijfelen daaraan. Een kind verdwijnt uit de klas. Een kind vertelt dat het geslagen is door ‘iets zwarts’. Er volgen meer kinderen die hetzelfde verhaal vertellen. Ze mogen niets zeggen, anders gebeurt nog een keer ‘dat erge’. Allemaal hebben ze het over ‘de zwarte klok’ die hen belaagt.

 

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/09/10/de-zwarte-klok-brengt-onbehagen-in-het-dorpje-a4011518

Over Aan de lopende band van Joseph Ponthus

Een man aan de lopende band denkt aan een parabel van Paul Claudel: op weg van Parijs naar Chartres komt een bedevaartganger langs een arbeider die stenen aan het hakken is. Op de vraag waar hij mee bezig is antwoordt hij: stenen hakken, waardeloos, hondenbaan, ik heb geen rug meer over. Verderop komt hij nog een arbeider tegen, die op de vraag antwoordt dat hij een gezin te onderhouden heeft, ‘ik mag al blij zijn dat ik werk heb.’ Vlak voor Chartres ‘alweer een man die stenen hakt. Stralend gezicht. Wat doet u. Ik bouw een kathedraal.’

Kathedralenbouwers zijn er weinig in de bejubelde autobiografische debuutroman van Joseph Ponthus (1978). Wel mensen met een hondenbaan die een gezin moeten onderhouden. Ponthus zelf is er zo een. Na een universitaire studie letteren en jaren sociaal werk, verhuist hij naar Bretagne – voor de liefde. Passend werk vindt hij er niet. Via een uitzendbureau komt hij aan de lopende band terecht; het is een hel, maar er moet brood op de plank: ‘de stank, de kou, het sjouwen en tillen, het zwoegen, de arbeidsomstandigheden, de lopende band, de moderne slavernij’. Hij moet vis overladen (‘driehonderdvijftig kilo aan zeedraken’, garnalen, wulken), pallets tahoe laten uitlekken, het abattoir schoonmaken, varkenskarkassen duwen op rails ‘die oprijzen als Golgota’s’.

Ponthus’ zinnen zijn kort, vrije verzen, harde poëzie in proza: ‘Ik schrijf zoals ik werk/Aan de lopende band/Aan één stuk door’. Zijn dag-en-nacht ritme raakt verstoord, als hij thuiskomt is hij uitgeput, een stukje lopen met de hond is hem al te veel. Maar schrijven zal hij, de intellectueel in de fabriek, de sociale denker die terecht is gekomen in de harde wereld van de voedingsmiddelenindustrie. Zonder dat houdt hij het niet vol. Het tempo in de fabriek ligt hoog – duwen, trekken, tillen, sjouwen, sorteren –, zolang hij de vereiste beweging niet op de automatische piloot kan doen is hij te langzaam. ‘Ik ga aan het werk/Ik laat tahoe uitlekken/Ik herhaal die woorden/Bijna als een mantra/Een rituele toverformule.’

Maar zit het juiste fysieke gebaar eenmaal in zijn lijf, dan kan hij zijn geest loslaten. Dan komen zinnen uit het werk van Alexandre Dumas in hem op. Zijn ‘veertig ton garnalen per dag’ worden begeleid door citaten van Apollinaire (‘O mijn Danaïdenvat’) of van Beckett. Dan weer heeft hij een onderonsje met Proust (‘Mijn beste Marcel/Die verloren tijd waar jij naar op zoek was/Die heb ik gevonden/Kom maar gauw naar de fabriek/Dan laat ik je die zien/Die verloren tijd’).

 

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/09/03/onderonsje-met-proust-in-het-abattoir-a4010732

Over Lieg met mij van Philippe Besson

Tussen de uitgestrekte wijngaarden ligt Barbezieux, het stadje waar Philippe Besson in 1967 werd geboren en waar de bron van zijn schrijverschap ligt. In Lieg met mij, zijn recent vertaalde roman, herinnert hij zich dat hij, zoon van de hoofdonderwijzer, mee wilde doen met de oogst, en in de cognacstokerij naar de destilleerkolven keek, waaruit ‘het aandeel van de engelen’ vervloog.

Zijn jeugd was gelukkig, schrijft hij, lastig voor een schrijver die geacht wordt ‘met een trauma uit zijn vroegste jeugd op de proppen te komen om te rechtvaardigen dat je schrijft’. Het beeld dat hij schetst van zijn geboortestadje is evenwel niet rooskleurig. ‘Zolang als ik me herinner’, schrijft Besson, ‘overheerst het grijs, het vocht. […] ik kom uit een tijd die voorbij is, uit een stad die op sterven na dood is, uit een roemloos verleden.’

Twintig jaar geleden maakte Besson een vliegende start in de Franse letteren: iedere roman, toegankelijk en filmisch geschreven, had succes. Begon je aan een Besson dan kreeg je een driehoeksrelatie, (homoseksuele) liefde, stille begeerte, scheiding en gemis.

Evenbeeld
Lieg met mij (Arrête avec tes mensonges) is het eerste deel van een trilogie, autobiografisch dit keer. De ik-persoon vertelt hoe hij voor het eerst verliefd werd, welke zijn eerste seksuele ervaringen waren: ‘alles lag in het verleden en zou daar blijven’, luidt een van de motto’s.

De bron van zijn schrijverschap ligt daar, bij zijn eerste, verloren liefde. De ik-persoon geeft een interview in de lobby van een hotel als hij in een flits een jongeman het hotel ziet verlaten. Hij kent die jeugdigheid, die tred, en rent achter hem aan. De jongeman is het evenbeeld van zijn eerste liefde. Het blijkt diens zoon.

Lieg met mij is Bessons oerboek, zou je kunnen zeggen. Op zichzelf is het verhaal over die eerste verliefdheid niet uitzonderlijk: een jongen in de provincie wordt verliefd op een klasgenoot, zoon van een wijnboer, ze krijgen gedurende een paar maanden een relatie, waarna hun wegen uit elkaar gaan. Je ziet dat stadje voor je, die verlegen leerling die les krijgt van zijn vader en de beste van de klas moet zijn, het verlangen, de stille zekerheid dat hij op jongens valt, zijn verbazing over het feit dat een ander hem uitkiest, zijn pijn over het einde, het gemis.

 

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/08/14/het-draait-om-die-eerste-liefde-a4008740