Jean de la Ville de Mirmont: De zondagen van Jean Dézert

De bekendste dichtregel van Jean de la Ville de Mirmont is waarschijnlijk: ‘Je me suis embarqué sur un vaisseau qui danse’, afkomstig uit een postuum gepubliceerd, romantisch gedicht, later door Julien Clerc prachtig vertolkt in een chanson. De stem van de zee lokt, verleidt de man die in een havenstad is geboren, hij bezingt de schepen die hij op de golven ziet dansen, maar echt inschepen – dat heeft hij nooit gedurfd. Wat hem rest zijn dromen aan wal, in storm en regen, weemoed en verveling.

Jean de la Ville de Mirmont (1886-1914), schrijver en dichter uit Bordeaux, liet na zijn dood – hij werd als sergeant in het Franse leger door een Duitse granaat getroffen – een klein oeuvre na: gedichten, brieven en een korte roman De zondagen van Jean Dézert. Het boek verscheen onlangs in de Schwob-reeks van ‘de mooiste vergeten klassiekers’, voorzien van een informatief nawoord van vertaler Mirjam de Veth.

Jean Dézert is beambte op ‘het ministerie van Welzijnsbevordering (afdeling materiële voorzieningen)’. Nadenken hoeft hij niet, hij moet ‘voorgedrukte formulieren invullen’ en ‘stukken doorgeven’. Dézert woont op een vijfde verdieping in de Rue du Bac in Parijs, in een woning met een uitzonderlijk laag plafond. Met een beetje fantasie waan je je ‘op het tussendek van een zeilboot’. Maar juist aan fantasie ontbreekt het hem. Niemand heeft hem ooit kunnen betrappen op ‘het verlangen om iets uit te proberen’. Ambitie kent hij niet, evenmin als afgunst.

Hij heeft één vriend met wie hij dagelijks in hetzelfde restaurant eet. De vriend vertelt, Dézert luistert. In zijn agenda – goud op snee – staat bij de meeste dagen: ‘Niets’. Hij accepteert dat hij slechts ‘een figurant’ is. Eén levenskunst beheerst hij tot in de puntjes: het vermogen te wachten. Wachten op bevordering, wachten op zijn pensioen, wachten op de dood. Vooral wacht hij tot het zondag is.

Lees meer:

Lees meer

Bérengère Cournut: Van steen en been

Een jonge Inuitvrouw verlaat ’s nachts de iglo waarin ze met haar familie ligt te slapen. Gerommel, getril, oorverdovend gekraak. In een oogwenk scheurt de ijslaag onder haar, ze drijft weg van haar ouders, van de iglo, de slee. Haar vader weet haar nog net zijn amulet toe te gooien, een harpoen, een berenvel. Dan verdwijnt ze in de mist.

Het is het filmische, symbolische begin van Van steen en been, het zevende boek van de Franse schrijfster Bérengère Cournut (1980), afgelopen jaar bekroond met de Prix du roman Fnac. Eenzaam begint de Inuitvrouw aan haar overlevingstocht, met niets anders dan een halvemaanvormig mes in haar anorak, een berenhuid, haar moed en vastberadenheid. Eerst moet ze zich vijf uitgehongerde honden van het lijf houden, die zich op hetzelfde stuk ijsschots blijken te bevinden. Eenmaal op het vasteland gestoten is het lopen of sterven. Van haar vader leerde ze jagen, op robben, op beren. Met de honden vangt ze een poolhaas, een sneeuwhoen. Op de uitgestrekte ijsvlakten treft ze een groep van drie gezinnen, bij wie ze zich aansluit. Ze moet de kost verdienen, gaat mee met de mannen om te jagen. Van de oudste moet ze naast de slee meerennen, ‘We gaan ver, ik moet lang rennen’. Als enige weet ze met haar speer een ringelrob te doden, een vet mannetje, waardoor er weer wat te eten is in ‘het winterhuis’. ‘Arnaautuq’ noemen ze haar, gemankeerde jongen.

Zo begint haar odyssee, een strijd op leven en dood. Met mannen die in haar een gemakkelijke seksuele prooi zien. Met de natuur. Met de geesten die de cultuur in die contreien beheersen en die ze te vriend moet houden. Als ze een zeehond vangt, geeft ze hem, eenmaal op het vasteland, eerst te drinken, om zijn geest te bedanken dat die zich heeft laten pakken. Hoort ze klanken uit de grond, dan begrijpt ze dat het ‘de reus’ is die haar, in versvorm, beveelt weg te gaan.

Ze ontmoet een man met wie ze goed kan jagen, hij noemt haar Uqsuralik, een naam als ‘een wit dier, zowel Beer als Hermelijn’. Haar wereld is doordrenkt van rituelen die de geesten gunstig moeten stemmen. Als ze zwanger is, mogen er geen touwspelletjes in haar omgeving gespeeld worden, de foetus zou wel eens in zijn navelstreng verstrikt kunnen raken. Is ze in de rouw, dan mag ze niet jagen: van een treurende vrouw slaat het wild op de vlucht. Lees verder:

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/10/01/de-mens-is-hier-slechts-een-sneeuwvlok-a4014362

Cours Écrivaines rebelles en littérature française

Retrouvez Margot Dijkgraaf, journaliste et autrice néerlandaise, francophone et francophile, pour un atelier passionnant sur la littérature française du 18ème siècle à nos jours !

Grâce à ce cours, vous aurez l’occasion de découvrir le parcours de six autrices rebelles qui ont marqué de leur empreinte la littérature française : Madame de Staël, George Sand, Colette, Nathalie Sarraute, Annie Ernaux et Lydie Salvayre.

D’une session à l’autre, vous lirez les textes et découvrirez leurs autrices, puis vous aurez l’occasion d’échanger et de discuter avec Margot Dijkgraaf. Cet atelier est ouvert aux étudiant.e.s de niveau avancé ainsi qu’aux francophones.

@ oba amsterdam

Pour plus d’informations : afamsterdam.nl

European Literature Night 2020

Hoe ziet het Europa van nu eruit? Aanstaande vrijdag vragen we het aan twaalf Europese schrijvers. Hoe zullen de sociale en maatschappelijke verschuivingen van vandaag in de literatuur van morgen resoneren? Zullen de kunsten juist bloeien, omdat ze de wezenlijke vragen stellen? Biedt literatuur enig soelaas: Literature, an antidote? Zal er voor schrijvers, voor literatuur, nog een rol zijn weggelegd in een maatschappij die uit individuele eilandjes bestaat?
Dit soort vragen en vele andere zullen Guido Snel en ik stellen aan de gasten op de Europese Literatuurnacht, die vrijdag 18 september wordt gehouden in De Brakke Grond. Met Nicola Lagioia (Italië) en Paulus Hochgatterer (Oostenrijk) zullen we spreken over spanning in de vastgoedwereld, over het imago van landen, over het risico dat kinderen lopen in een digitale samenleving; met Monique Schwitter (Zwitserland) en Tomas Vaiseta (Litouwen) kijken we onder andere naar liefde, eenzaamheid en isolatie in de 21e eeuw; met Juan Gomez Barcena (Spanje) en Nathalie Azoulai (Frankrijk) verkennen we de rol van literaire grootheden in de literatuur van nu, de Tweede Wereldoorlog en #metoo; Eric Ngalle (UK) zal ons vertellen over hoe zijn schrijverschap hem redde in zijn omzwervingen van Kameroen, Malta, Moskou en Wales, Nataša Kramberger (Slovenië) zal ons laten zien welke betekenis grenzen voor haar hebben. Met Pierre Jarawan (Duitsland), Pavla Horakova (Tsjechië) en Abdelkader Benali verkennen we Beyrouth, thema’s van migratie en exil, de Grote en de kleine geschiedenis.
Wie in Europa schrijft heeft een achtergrond van gedeelde ervaringen, gedeelde politieke structuren, van aangehangen en weer verlaten ideologieën, van oorlogen en dictaturen. De Tsjech Jáchym Topol definieerde een Europese schrijver eens als ‘iemand die weet van catastrofes, van verschrikkingen. Het is een persoon die weet wat het communisme heeft aangericht, wat de Tweede Wereldoorlog betekent, iemand bij wie de namen van Hitler en Stalin beelden oproepen.’ Gemeenschappelijke geschiedenis, gemeenschappelijke ellende. Wat Europese literaturen gemeen hebben is het omgaan met een gedeeld verleden. Politiek is daarbij vrijwel altijd een bepalende factor, engagement een houding die de schrijver op het lijf is geschreven.
Hoe ziet het Europa van de toekomst en daarmee de toekomstige Europese literatuur eruit? De opeenstapeling van financiële crisis, klimaatcrisis en pandemie, het kraken van het kapitalisme, de globalisering – staat Europa aan de rand van de afgrond? Hoe luidt het nieuwe verhaal? Schrijvers nemen deel aan het gesprek daarover, ze nemen nieuwe onderwerpen bij de kop en zullen nieuwe literaire vormen ontwikkelen. In de literatuur worden de vragen gesteld ‘waar komen we vandaan?’ en ‘waar gaan we heen?’ Een schrijver vertelt verhalen die de lezer in contact brengen met werelden waar hij niets van wist, of waar hij alleen clichés over kent. “In literatuur ben je niet alleen jezelf, maar ook de ander”, zegt de Turkse schrijfster Elif Shafak. Literatuur kan bijdragen aan kennis over het verleden, bijdragen aan begrip voor de ander, voor de (nieuwe) buren.
Voorafgaand aan de Europese literatuurnacht, spreekt de journalist en historicus Philipp Blom de eerste Staat van de Europese Literatuur uit, een fascinerende kijk op de toekomst van Europa en de Europese literatuur, onder de titel Here be dragons or: How to tell stories in societies that have lost the plot.
Wees welkom, kijk online via de site van debalie.nl.

De Europese Literatuurnacht is een activiteit van EUNIC, de koepel van buitenlandse culturele instituten in Nederland. De nacht is dit jaar voor het eerst onderdeel van The European Forum on Culture, georganiseerd door De Balie en Dutch Culture. De Staat van de Europese Literatuur is een initiatief van Guido Snel, verbonden aan de Faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.

Op de cover van De zwarte klok van de Oostenrijkse schrijver Paulus Hochgatterer staan witte kleine huisjes tegen een groene achtergrond, identiek, huisjes zoals een kind ze tekent, met een deur, wat ramen en een rood puntdak. Uit slechts één raam schijnt licht, één deur staat open. De andere blijven potdicht, wat zich daar afspeelt blijft verborgen. Veel goeds is het in ieder geval niet.

Paulus Hochgatterer (1961) is schrijver én kinder- en jeugdpsychiater. Net als bij zijn Franse collega Lydie Salvayre en de Waalse Jacqueline Harpman komt zijn professionele ervaring direct binnen in zijn roman. Zijn dorp lijkt bevolkt te worden door psychiaters, onderwijzers en psychologen enerzijds en ontspoorde geesten anderzijds. Daartussenin bevinden zich de slachtoffers, kinderen en volwassenen die de kwetsbaarheid van hun prille jeugd hebben behouden.

In het dorp gebeuren verontrustende dingen: een man valt van een steiger, het lijkt zelfmoord, maar zijn naasten twijfelen daaraan. Een kind verdwijnt uit de klas. Een kind vertelt dat het geslagen is door ‘iets zwarts’. Er volgen meer kinderen die hetzelfde verhaal vertellen. Ze mogen niets zeggen, anders gebeurt nog een keer ‘dat erge’. Allemaal hebben ze het over ‘de zwarte klok’ die hen belaagt.

 

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/09/10/de-zwarte-klok-brengt-onbehagen-in-het-dorpje-a4011518

Over Aan de lopende band van Joseph Ponthus

Een man aan de lopende band denkt aan een parabel van Paul Claudel: op weg van Parijs naar Chartres komt een bedevaartganger langs een arbeider die stenen aan het hakken is. Op de vraag waar hij mee bezig is antwoordt hij: stenen hakken, waardeloos, hondenbaan, ik heb geen rug meer over. Verderop komt hij nog een arbeider tegen, die op de vraag antwoordt dat hij een gezin te onderhouden heeft, ‘ik mag al blij zijn dat ik werk heb.’ Vlak voor Chartres ‘alweer een man die stenen hakt. Stralend gezicht. Wat doet u. Ik bouw een kathedraal.’

Kathedralenbouwers zijn er weinig in de bejubelde autobiografische debuutroman van Joseph Ponthus (1978). Wel mensen met een hondenbaan die een gezin moeten onderhouden. Ponthus zelf is er zo een. Na een universitaire studie letteren en jaren sociaal werk, verhuist hij naar Bretagne – voor de liefde. Passend werk vindt hij er niet. Via een uitzendbureau komt hij aan de lopende band terecht; het is een hel, maar er moet brood op de plank: ‘de stank, de kou, het sjouwen en tillen, het zwoegen, de arbeidsomstandigheden, de lopende band, de moderne slavernij’. Hij moet vis overladen (‘driehonderdvijftig kilo aan zeedraken’, garnalen, wulken), pallets tahoe laten uitlekken, het abattoir schoonmaken, varkenskarkassen duwen op rails ‘die oprijzen als Golgota’s’.

Ponthus’ zinnen zijn kort, vrije verzen, harde poëzie in proza: ‘Ik schrijf zoals ik werk/Aan de lopende band/Aan één stuk door’. Zijn dag-en-nacht ritme raakt verstoord, als hij thuiskomt is hij uitgeput, een stukje lopen met de hond is hem al te veel. Maar schrijven zal hij, de intellectueel in de fabriek, de sociale denker die terecht is gekomen in de harde wereld van de voedingsmiddelenindustrie. Zonder dat houdt hij het niet vol. Het tempo in de fabriek ligt hoog – duwen, trekken, tillen, sjouwen, sorteren –, zolang hij de vereiste beweging niet op de automatische piloot kan doen is hij te langzaam. ‘Ik ga aan het werk/Ik laat tahoe uitlekken/Ik herhaal die woorden/Bijna als een mantra/Een rituele toverformule.’

Maar zit het juiste fysieke gebaar eenmaal in zijn lijf, dan kan hij zijn geest loslaten. Dan komen zinnen uit het werk van Alexandre Dumas in hem op. Zijn ‘veertig ton garnalen per dag’ worden begeleid door citaten van Apollinaire (‘O mijn Danaïdenvat’) of van Beckett. Dan weer heeft hij een onderonsje met Proust (‘Mijn beste Marcel/Die verloren tijd waar jij naar op zoek was/Die heb ik gevonden/Kom maar gauw naar de fabriek/Dan laat ik je die zien/Die verloren tijd’).

 

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/09/03/onderonsje-met-proust-in-het-abattoir-a4010732

Over Lieg met mij van Philippe Besson

Tussen de uitgestrekte wijngaarden ligt Barbezieux, het stadje waar Philippe Besson in 1967 werd geboren en waar de bron van zijn schrijverschap ligt. In Lieg met mij, zijn recent vertaalde roman, herinnert hij zich dat hij, zoon van de hoofdonderwijzer, mee wilde doen met de oogst, en in de cognacstokerij naar de destilleerkolven keek, waaruit ‘het aandeel van de engelen’ vervloog.

Zijn jeugd was gelukkig, schrijft hij, lastig voor een schrijver die geacht wordt ‘met een trauma uit zijn vroegste jeugd op de proppen te komen om te rechtvaardigen dat je schrijft’. Het beeld dat hij schetst van zijn geboortestadje is evenwel niet rooskleurig. ‘Zolang als ik me herinner’, schrijft Besson, ‘overheerst het grijs, het vocht. […] ik kom uit een tijd die voorbij is, uit een stad die op sterven na dood is, uit een roemloos verleden.’

Twintig jaar geleden maakte Besson een vliegende start in de Franse letteren: iedere roman, toegankelijk en filmisch geschreven, had succes. Begon je aan een Besson dan kreeg je een driehoeksrelatie, (homoseksuele) liefde, stille begeerte, scheiding en gemis.

Evenbeeld
Lieg met mij (Arrête avec tes mensonges) is het eerste deel van een trilogie, autobiografisch dit keer. De ik-persoon vertelt hoe hij voor het eerst verliefd werd, welke zijn eerste seksuele ervaringen waren: ‘alles lag in het verleden en zou daar blijven’, luidt een van de motto’s.

De bron van zijn schrijverschap ligt daar, bij zijn eerste, verloren liefde. De ik-persoon geeft een interview in de lobby van een hotel als hij in een flits een jongeman het hotel ziet verlaten. Hij kent die jeugdigheid, die tred, en rent achter hem aan. De jongeman is het evenbeeld van zijn eerste liefde. Het blijkt diens zoon.

Lieg met mij is Bessons oerboek, zou je kunnen zeggen. Op zichzelf is het verhaal over die eerste verliefdheid niet uitzonderlijk: een jongen in de provincie wordt verliefd op een klasgenoot, zoon van een wijnboer, ze krijgen gedurende een paar maanden een relatie, waarna hun wegen uit elkaar gaan. Je ziet dat stadje voor je, die verlegen leerling die les krijgt van zijn vader en de beste van de klas moet zijn, het verlangen, de stille zekerheid dat hij op jongens valt, zijn verbazing over het feit dat een ander hem uitkiest, zijn pijn over het einde, het gemis.

 

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/08/14/het-draait-om-die-eerste-liefde-a4008740

Esprit, es-tu là ? Expositie in Musée Maillol

Ze waren mijnwerker, slotenmaker-loodgieter-zinkbewerker en kruidenier annex caféhouder. Ze woonden in Noord-Frankrijk, niet ver van de grens met België, in gehuchten als Saint-Pierre-lez-Auchel, Montigny-en-Gohelle en Fouquières-lès-Lens. En ze hoorden een stem, van boven, die hun opdracht gaf te gaan schilderen. Nooit waren ze in de buurt van een schildersezel geweest, noch hadden ze ooit een museum bezocht. Maar ze gehoorzaamden aan die stem: schilderen gingen ze.

Nu is hun werk te zien in Musée Maillol in Parijs, op een wonderlijke, fascinerende tentoonstelling, onder de titel Esprit, es-tu là? Les peintres et les voix de l’au-delà (Geest, ben je daar? Schilders en de stemmen van boven). Die ‘stem van boven’ gidste hun hand, leidde hun penseel, bepaalde de precieze vorm van hun werk. Die stem zorgde er ook voor dat ze zich vestigden als medium. Ze stonden immers in contact met het hiernamaals, ze hadden een direct lijntje met de doden. En doden waren er veel in het Noord-Frankrijk van vlak na de Eerste Wereldoorlog. Hun families hadden er alles voor over om in contact te komen met hun gesneuvelde dierbaren. Zo werd de regio een vruchtbare bodem voor het spiritisme.

De tentoonstelling in Musée Maillol toont niet alleen werk van Augustin Lesage, Fleury Joseph Crépin en Victor Simon, de bekendste Franse spiritistische schilders van het begin van de twintigste eeuw. Ook de context wordt in kaart gebracht, je volgt de geschiedenis van het spiritisme in vogelvlucht. Vlak na de ingang loop je langs een portrettengalerij van beroemde kunstenaars. Allemaal interesseerden ze zich, door de eeuwen heen, voor communicatie met de ziel van de doden: van Honoré de Balzac tot Paul Klee en Vassili Kandinsky, van Victor Hugo tot Emanuel Swedenborg en het echtpaar Curie.

Al aan de vooravond van de Franse Revolutie (1789) trokken hypnotiseurs en somnambulisten veel publiek: ze brachten mensen in trance en lieten hen met hun overleden dierbaren spreken. In de historische roman Het oog van de engelvan Nelleke Noordervliet vinden we er een prachtig voorbeeld van. Victor Hugo nam tijdens zijn ballingschap op Jersey deel aan spiritistische seances, waarbij hij via een dansende tafel in contact probeerde te komen met zijn verdronken dochter. In 1857 publiceert Alan Kardec Het boek der geesten, het standaardboek van het spiritisme over de onsterfelijkheid van de ziel (ook nu nog leverbaar). Tezelfdertijd communiceren de gezusters Fox in New York via kloptonen met geesten. De utopist Charles Fourier, de arts en schrijver Arthur Conan Doyle, de nobelprijswinnaars Pierre en Marie Curie – allemaal zijn ze gefascineerd door het spiritisme.

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/08/12/geleid-door-gene-zijde-a4008596

 

Philippe Lançon, De flard. De aanslag op Charlie Hebdo

Als figuren uit een duistere versie van Matisses schilderij ‘De dans’ – zo liggen ze daar, de journalisten van Charlie Hebdo, vlak nadat hun moordenaars zijn vertrokken. De doden houden bijna elkaars hand vast, de voet van de een raakt de buik van de ander, de vingers van de een liggen tegen de heup van de ander. Een figuur uit een dodendans.

Ook Philippe Lançon (1963) maakt onderdeel uit van deze kring. Alleen is hij niet dood. Hij ligt onbeweeglijk, ‘in zwevende staat’, hij heeft ‘de zwarte benen met zijn geweer’ langs zien komen, hem ‘Allahoe akbar’ horen roepen. Hij bevindt zich in het niets, in de stilte, hij staart naar zijn hand, begrijpt niet dat die van hem is, een hand met opengereten rug. Hij kijkt naar de schedel van de man die naast hem ligt, tussen zijn haar puilen zijn hersenen naar buiten.

Nooit kwam je zo ijzingwekkend dichtbij de aanslag op het satirische blad Charlie Hebdo, op 7 januari 2015.

Lançon overleefde het bloedbad, elf van zijn collega’s werden vermoord. Wat deed hij voordat hij naar de redactievergadering ging? Wat is er precies gebeurd? Waar is zijn fiets gebleven? Hoe orde aan te brengen in de emotionele chaos en vooral: hoe verder te leven?

Dat alles probeert Philippe Lançon, cultureel recensent voor Libération en Charlie Hebdo, in De flard in kaart te brengen. Dat doet hij tastend, zoekend naar woorden, naar gevoelens, terugkijkend vanuit een heden dat mijlenver afstaat van het heden van vóór de aanslag. Alles is veranderd. Niet alleen mist hij de onderste kant van zijn gezicht en gaat hij maanden, jaren van pijnlijke chirurgische reconstructie tegemoet; ook zijn al zijn persoonlijke relaties veranderd, zijn emoties gefilterd, zijn wereldbeeld gekanteld.

New York
Aan de vooravond van de aanslag was hij de journalist die naar een toneelstuk van Shakespeare ging, de recensent die over het nieuwe boek van Michel Houellebecq zou schrijven, dat precies op die zevende januari verscheen. Hij was de man die net een vliegticket naar New York had gekocht om in Princeton te gaan doceren. Hij was de schrijver die onderweg was naar een redactievergadering van ‘een berooid blaadje dat op sterven na dood was’.

Vierentwintig uur later is hij lichtjaren van deze man verwijderd. Zijn lichaam is niet meer hetzelfde, zijn gedachten zijn die van een onbekende, zijn herinneringen die van een ander. Vervreemd is hij van de man die hij een dag geleden nog was.

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/07/09/als-toekomst-geen-betekenis-meer-heeft-a4005464

Interview met Szusza Bánk: Slapen doen we later

Nee, veel geschreven heeft ze niet, de afgelopen weken. Man en kinderen thuis, drukte om haar heen – zo kon ze niet werken. Voor Zsuzsa Bánk, die in Frankfurt achter haar scherm zit, zijn stilte en eenzaamheid voorwaarden om te kunnen schrijven. De twee vrouwen die ze in haar nieuwe boek Slapen doen we later tot leven brengt, hebben een druk bestaan, verlangen nu eens naar rust, stilte en bezinning, beseffen dan weer dat ze uit het leven moeten halen wat erin zit, er is geen tijd te verliezen: slapen doen ze later wel.

Márta Horváth is schrijfster en moeder van drie kinderen, Johanna Messner is lerares op een middelbare school. We leren ze kennen via hun intense, openhartige mailwisseling die begint in maart 2009 en eindigt in juni 2012. Hun hele dagelijks leven komt voorbij, alle ups en downs, wat ze lezen en denken, hoe ze zich voelen, wat ze dromen, waar ze naartoe gaan, met alle ziekten, verlies, hartstocht en hoop die in het leven van veertigers voorbij komen. Dat alles in een sprankelende taal vol literaire verwijzingen.

Juist door de gekozen vorm, de brief, komt u heel dicht bij uw personages. De correspondentie als literair genre is sinds de 18de eeuw veel door vrouwelijke auteurs gebruikt, denk bijvoorbeeld aan de brieven van Madame de Sévigné aan haar dochter. Was het voor u de ideale vorm voor het leggen van een mozaïek van stemmingen en gevoelens?

„Ik lees graag brieven en dagboeken, die van Sylvia Plath bijvoorbeeld, waarin veel is verborgen en weggestopt, maar je vindt er toch ook veel emotie, bekentenissen. In vroeger eeuwen waren briefschrijfsters niet bang om grote gevoelens te benoemen. Mijn personage Márta geeft zich onbekommerd, zonder voorbehoud, ik kon al haar duizelingwekkende emoties uitbeelden, daar heb ik enorm van genoten.

„Haar stemmingen weerspiegelen zich ook in haar originele, beeldende, zintuiglijke taalgebruik, nu eens is het spreektaal, dan weer literair.

„In de conventionele roman kun je niet zo veel verschillende soorten taal kwijt. Márta verzint nieuwe woorden, trekt ze samen, citeert uit de literatuur die beide vrouwen lezen. Er wordt gescholden, bejubeld, geklaagd in woorden van alledag, ik speel met geluiden – ping, pang – klank- en rijmspel. In een roman met een alwetende verteller zou dat niet werken. Nu had ik twee perspectieven waarin ik me helemaal kon uitleven, dat was geweldig. Ook daarom heb ik voor de briefvorm gekozen.”

 

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/06/18/het-alledaagse-is-voor-mij-een-geweldig-literair-thema-a4003281