Leïla Slimani: Mathilde

Twee dagen duurt Mathildes reis van Straatsburg naar Rabat. Als ze er op 1 maart 1946 aankomt, ziet ze eindelijk de man terug met wie ze vlak na de oorlog in Mulhouse is getrouwd. Amine, de knappe Marokkaanse soldaat uit het Franse leger. Zij is nog geen twintig, hij acht jaar ouder. Twee dagen komen ze het hotel niet uit. Met hem, denkt ze, gaat ze een exotisch, avontuurlijk leven tegemoet, al haar vriendinnen zijn jaloers.

Driehonderd bladzijden en bijna tien jaar later slaat Amine haar woedend in het gezicht, grijpt hij naar zijn pistool, dreigt hij haar voor de ogen van hun kinderen te doden.

In die tussenliggende bladzijden heeft de Frans-Marokkaanse Leïla Slimani (1981) een immense culturele clash samengebald, een huwelijk van liefde en teleurstelling geschetst, van hoop, desillusie en wederzijds onbegrip. Dat alles tegen de achtergrond van een land waar een oorlogssfeer heerst en de definitieve onafhankelijkheidsstrijd nadert.

Na twee hedendaagse romans, In de tuin van het beest (2018), over een nymfomane, De perfecte oppas (2017), over een nanny die haar oppaskinderen vermoordt en een schokkend essay over de positie van de vrouw in Marokko (Seks en leugens, 2019), kiest Slimani nu voor een historische roman gebaseerd op haar familiegeschiedenis. Le pays des autres is de overkoepelende titel van wat een trilogie moet worden. Het eerste deel – in het Nederlands Mathilde, in het Frans La guerre, la guerre, la guerre – bestrijkt de periode van de Tweede Wereldoorlog tot 1960.

Het is een opvallende keuze voor een schrijfster die tot nu toe het ene na het andere hedendaagse taboe bij de kop pakte, de Prix Goncourt kreeg voor haar tweede roman, en als persoonlijk vertegenwoordiger van de Franse president in zaken van de francofonie de wereld rondreist. In plaats van spanning, jaloezie of begeerte op de korte baan, waagt ze zich nu aan de traditionele roman fleuve, de lange adem, waar het er niet om gaat hete hangijzers van nu te agenderen, maar het leven van generaties te schetsen.

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/06/12/gevangen-in-het-territorium-van-je-man-a4002544

Cees Nooteboom over zijn dichtbundel Afscheid

‘Ik zit in een heel ouderwetse kamer in een oud huis, waar schilderijen hangen van de hand van de moeder van mijn gastvrouw. Haar vader was uitgever, er staan duizenden boeken. Als ik naar rechts kijk zie ik de Käserei, een grote stal waar kaas wordt gemaakt, een oude tractor, als ik opsta alleen maar weilanden en bossen.”

In Hofgut Missen, in Zuid-Duitsland, niet ver van het Bodenmeer, brengt Cees Nooteboom (86) al jaren de wintermaanden door. Nu bleef hij er wat langer vanwege het virus en ziekenhuisbezoek. Zijn recente dichtbundel Afscheid. Gedicht uit de tijd van het virus rondde hij er af. Beelden van de oorlog, verdwijnen, verdwalen, verder trekken, de tijd, de dood, dromen, ‘lessen in afwezigheid’ en ‘steeds minder wereld’ – het zijn terugkerende elementen in zijn werk. Op het omslag van Afscheid een steen met twee oren die ook in het gedicht terugkomt:

Op een CD van György Kurtág zag ik een steen
met twee oren. Ze staan niet opzij maar als reliëf
tegenover elkaar. In het midden een leeg vlak.
Oud ziet het er uit, maar op

de heldere foto geen enkele verklaring. Luistert
de steen, hoort hij mij als ik vraag wat hij betekent?

Nooteboom: „Die CD moet ik ergens hebben, maar als je overal woont is er altijd van alles weg. Mijn vriend Reinbert de Leeuw was dol op Kurtág, net als ik, het is een enorm intrigerend beeld. Horen die oren elkaar?”

Vorige zomer begon hij aan het gedicht, in zijn huis op Menorca. Er komt een vijgenboom voorbij, ‘duizendjarige stenen van de muur’, ‘ganzen van de buren’ en natuurlijk de cactussen, zijn ‘vrienden’ die ‘geen monden’ hebben maar ‘punten en hoekige armen’, ‘hun namen zijn vreemd en welluidend, hun vormen gekarteld’. We kennen Nootebooms liefde voor zijn mediterrane tuin onder andere uit 533. Een dagenboek (2016). „In het begin wist ik niet waar ik met dat gedicht heen ging, maar ik had de omgeving van die tuin. De palmen heb ik er zelf geplant, 50 jaar geleden. Op mijn reizen door Latijns-Amerika zag ik altijd die cactusachtigen. Toen ben ik met planten begonnen, ik heb een paar eigenaardige cactussen. Die mis ik nu echt.”

Cees Nootebooms verhalen over Venetië (●●●●) laten zich lezen als een portret van de schrijver en zijn hang naar eeuwigheid. Lees ook:Hoe Cees Nooteboom probeert op te gaan in Venetië
Halverwege het gedicht kreeg hij van zijn vriend de schilder Max Neumann een aantal tekeningen die hem fascineerden, met vervreemdende, bizarre hoofden, kenmerkend voor Neumanns werk. „Het was een soort overval midden in die bundel.” Met Neumann maakte Nooteboom al eerder Fraulund (2000) en de bundel Zelfportret van een ander (1993). „Die hoofden kreeg ik toen ik al een eind op streek was, het tweede deel van het gedicht is door de tekeningen aangeraakt.” Ze verschijnen in de laatste strofen van het eerste deel:

Hoofden zag ik, talloze hoofden,
veldheren, minnaars, reizigers
tussen de sterren. Elk hoofd zijn
eigen verhaal, verborgen in de plooien

van hersens […] Die eenzame reiger
was ik, en alleen aan het water
schreef ik op wat ik zag, wat ik hoorde

hoofd voor hoofd.

Afscheid zou je kunnen beschouwen als een meditatie, een volgende Nooteboomiaanse oefening in verdwijnen.

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/06/11/op-mijn-22ste-vroeg-men-al-wat-ik-met-de-dood-had-a4002505

 

Maylis de Kerangal: Een wereld binnen handbereik

Een wereld binnen handbereik – in de recente roman van Maylis de Kerangal krijg je verschillende werelden onder ogen. Het rommelige, kunstzinnige studentenwereldje van het Institut Supérieur de Peinture in Brussel; de wereld van vergane filmglorie in Cinnecità in Rome; en één uit de prehistorie, de grotten van Lascaux in de Dordogne.

Steeds begint De Kerangal aan de buitenkant: eerst sta je op de stoep van de Metaalstraat waar haar hoofdpersoon Paula Karst een jaar les zal krijgen. Dan ben je met haar onderweg naar de filmstudio van Habemus Papam in Rome en weer later sta je samen bovenop de heuvel waaronder de prehistorische grotten verborgen liggen. Steeds graaft Maylis de Kerangal (1967) zich langzaam en geduldig naar binnen, ze neemt je mee, de diepere lagen in.

Paula Karst gaat een intens jaar tegemoet aan de school in Brussel: ze leert er decors schilderen, de technieken van het trompe-l’oeil. Ze maakt zich de namen van penselen eigen, de ferrule, de petit-gris van varkenshaar, de lakpenseel met haren van een beer uit Alaska. Ze leert hoe je houtsoorten kunt nabootsen, van mahonie tot ebbenhout, marmer en het schild van een schildpad. Ze weet na dat jaar hoe je kleuren moet benoemen, ‘helderrood, lichtguldenroedegeel, middenzeegroen, aquamarijn, lavendelblos, faalroodpaars, tarwe, navajowit’.Net als in haar vorige in het Nederlands vertaalde roman, De levenden herstellen (2015), excelleert De Kerangal in fysiek en zintuiglijk schrijven. Steeds maakt ze zich een ander domein eigen. Ging het in haar eerdere romans om het vocabulaire van bruggen bouwen en dat van een harttransplantatie, nu gaat het om het vocabulaire van de schilderkunst – esthetisch en lichamelijk.

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/05/28/van-het-kunstzinnige-studentenleventje-tot-grote-filmsets-dit-boek-dompelt-je-onder-in-het-leven-van-een-schilderes-a4001142

Interview met Elif Shafak over 10 minuten 38 seconden in deze vreemde wereld

‘Iedereen denkt dat deze coronatijd voor schrijvers gemakkelijker is – die zijn toch vaak alleen. Maar dat is helemaal niet zo. Je gaat je ineens afvragen waar je mee bezig bent, wat voor verschil het maakt of je dit verhaal schrijft of niet.” Elf jaar geleden verhuisde Elif Shafak (1971), auteur van zeventien boeken, vertaald in vijftig talen, van Istanbul naar Londen. Die stad is haar thuis geworden. Ze mist Istanbul. Vanwege de repressieve politieke situatie in Turkije, waar journalisten en schrijvers de mond wordt gesnoerd, wil ze niet terug.

Haar recente roman 10 minuten 38 seconden in deze vreemde wereld, afgelopen jaar genomineerd voor de Booker Prize, droeg ze op aan de stad die ze verliet en aan de vrouwen die er wonen. Haar hoofdpersoon Leïla ligt op de eerste pagina in een stalen afvalcontainer, vermoord, haar paarse stiletto pumps nog aan haar voeten. Haar brein werkt nog, in iets meer dan tien minuten haalt ze zich geuren, kleuren en smaken voor de geest, die verbonden zijn met cruciale momenten uit haar jeugd: hoe haar moeder gedwongen werd haar af te staan, de dag dat haar vader haar verbood nog naar school te gaan, de keer dat haar oom haar voor het eerst misbruikte, de dag dat ze haar ouderlijk huis ontvluchtte en zonder een cent naar Istanbul vertrok. Ze herinnert zich hoe ze haar vrienden ontmoette: het enig kind van een vrouwelijke apotheker, een transseksueel, een zangeres uit Mesopotamië, een Somalische waarzegster. Het is een kleurige, intense roman over een vrouwenleven in de marge, vol pijn, vriendschap, levensvreugde en energie, waarin bijgeloof en ratio de degens kruisen.

Uw boek is een ode aan Istanbul, de stad die, zegt u, altijd een vrouwenstad is geweest. Toch zijn het mannen die er de dienst uitmaken.

„De straat behoort de mannen toe, de pleinen, de stedelijke ruimte worden door mannen gedomineerd, vooral na zonsondergang. De stad is patriarchaal, seksistisch, homofoob, net als het hele land. Maar het wezen van de stad, de spirit, is vrouwelijk. Ottomaanse dichters schreven al over Istanbul als een godin, in latere gedichten wordt ze bezongen als een vrouw die van veertig echtgenoten is gescheiden: ze heeft veel meegemaakt, maar ze is veerkrachtig. Als feminist vind ik dat minderheden zich moeten kunnen bewegen in de stad. Vrouwen moeten de stedelijke ruimte terugclaimen.”

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/05/14/fatalisme-leidt-tot-niets-a3999732

 

Julia Deck: Een huis dat van ons is

‘De roman is het terrein van het experiment’, zei Julia Deck in een interview toen ze in Amsterdam verbleef. In dat opzicht is de Franse schrijfster echt een auteur van het befaamde uitgevershuis Minuit. Net als haar illustere voorgangers Nathalie Sarraute, Alain Robbe-Grillet en haar tijdgenoten Jean Echenoz, Marie N’Diaye en Tanguy Viel experimenteert ze met vorm en thematiek. Haar debuut, Viviane Élisabeth Fauville (2012), schreef Deck (1974) in de u-vorm: ‘Op maandag 15 november, gisteren dus, hebt u uw psychoanalyticus vermoord.’ Wat volgde was een thrillerachtig verhaal, waarbij je met de hoofdpersoon door Parijs zwierf.

Uit Decks tweede (nog onvertaalde) roman Le triangle de l’hiver (2014) zou je een almanak van zeeterminologie kunnen samenstellen. Hierin volgen we een ongrijpbare jonge vrouw die van de ene naar de andere Franse havenstad reist. Decks personages balanceren op de grens van normaliteit en waanzin, één stap verder en ze zouden over de rand schieten.

In haar derde, ook onvertaalde roman Sigma, presenteert Deck een geheime organisatie met een speciale spionagemissie: kunstwerken zijn gevaarlijk, ze ontregelen en dus dienen subversieve kunstenaars onschadelijk gemaakt te worden. Deck excelleert in het schetsen van een universum dat geloofwaardig is en tegelijkertijd absurdistische, groteske trekken heeft.

Ook haar recent vertaalde vierde roman, Een huis dat van ons is, begint met een regel die je meteen op scherp zet: ‘Zowel in het algemeen als in het bijzonder vond ik het een vergissing om de kat te doden toen je me vertelde over je plannen met het lijk.’ Dit keer combineert Deck elementen van een thriller met een hilarische analyse van een buitenwijk van Parijs, uitgerust met de recentste ecologische technieken. Eva is een Parijse stedenbouwkundige die samenwerkt met een collega uit Rotterdam. Haar vijftien jaar oudere man lijdt aan ‘compulsieve stoornissen’ en gaat alleen de deur uit om zijn psychiater of zijn moeder te bezoeken. Ze willen Parijs uit en kopen, ‘met het oog op hun ecologische voetafdruk’, een omgebouwd pakhuis met zonnepanelen, warmteterugwinning en afvalzuilen. Terwijl zij werkt aan het stadsontwikkelingsproject dat ze heeft binnengesleept – rond het concept ‘onzekere ruimte’ –, leest hij antropologen, in de tuin, onder de parasol.

En dan opent zich de hel: de anderen. Ze worden geterroriseerd door de buurvrouw, haar kat, haar man de makelaar. Met de dag groeit de overlast. De warmtewisselaars blijken niet te werken, de straat ligt maanden open. Het begint raar te ruiken. De kat verdwijnt net als de buurvrouw. Deck beheerst de kunst om verwarring te stichten, te ontregelen. Ze schotelt je een herkenbare wereld voor, die van een moderne woonwijk waar de barbecue wordt aangestoken en overspel wordt gepleegd. Dan voert ze langzaam de graad van bizarheid en buitenissigheid op, draait ze de bankschroef van het mysterie aan. Wie beweert dat er in de Franse literatuur niets te (glim)lachen valt, kent Deck niet. Haar werk is intelligent, haar plot spannend en haar humor spitsvondig, tongue-in-cheek, absurdistisch – een en al experiment.

Over Heuvel van Jean Giono

Een paar mannen liggen onder een eik een dutje te doen. ‘Ze worden gewekt door de stilte. Een vreemde stilte. Dieper dan gewoonlijk; stiller dan de stiltes die ze gewend zijn. Iets is ervandoor gegaan; er is een lege plek in de lucht.’ Ze kijken om zich heen, bestuderen het rauwe landschap van de Bastides Blanches, een gehucht diep in de Provence, het land van de wind, de veldslang, het everzwijn, de lavendel, de eekhoorn en de wezel. Ze kijken zoekend naar de olijfbomen, de rode aarde, de bloeiende orchis, de eg, de ploeg, de wanmolen. Dan zien ze het: de oude fontein is gestopt met stromen.

Dat de bron ineens is opgedroogd is maar één van de omineuze voortekenen, een van de sluipende bedreigingen die op de dertien inwoners van het gehucht afkomen: de oudste ligt op sterven, de jongste is ernstig ziek, net over de heuvel verspreidt een bosbrand zich met razende snelheid in de richting van hun huizen.

In de heerlijke, kleine roman Heuvel van Jean Giono (1895-1970) is alles zintuig, oog en oor. De natuur is personage, ook in de vertaling van de onvolprezen Kiki Coumans. Hitte-nevel scheurt open, een dorp zit ‘als sierduiven op de schouder van een heuvel’. Bossen dansen, de geur van kamperfoelie en brem stroomt in grote golven. Beken zijn overwoekerd door sneeuwballen en bramen. Als je je ogen sluit bén je als lezer even in die ook nu nog onherbergzame Zuid-Franse heuvelkammen.

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/04/23/in-deze-roman-is-de-natuur-een-personage-en-uit-op-wraak-a3997676

Over 10 jaar Europese literatuurprijs en Madame de Staël

In de salon van kasteel Coppet, aan het meer van Genève, zitten Amin Maalouf en Philipp Blom te schaken. In een hoek van de binnenplaats rookt Michel Houellebecq zijn eerste sigaret. Olga Tokarczuk, Leïla Slimani en Marie NDiaye lopen met elkaar te praten onder de eeuwenoude bomen in het park dat bij het château hoort. Ze hebben het over de positie van de vrouw in Polen, Marokko en Frankrijk, over racisme en de gevaren van het populisme. Emmanuel Carrère en Jenny Erpenbeck zitten nog aan het ontbijt. Christiane Taubira en Daniel Cohn-Bendit bekijken een documentaire over Maya Angelou. De eerste discussie van de dag wordt gevoerd door Isabella Hammad en Bas Heijne – over identiteit en Europa. Ondertussen wandelen ze in rustig tempo van het kasteel, via de dorpsstraat naar de steiger aan het meer van Genève, waar ze in de verte de stoomboot uit Lausanne zien aankomen: Frans Timmermans is in aantocht.

Zo ongeveer moet een ochtend op kasteel Coppet eruit hebben gezien, zo’n tweehonderd jaar geleden. Hier ontving Germaine de Staël aan het begin van de negentiende eeuw de crème de la crème van de Europese schrijvers, denkers en politici. Ze is de dochter van de steenrijke Zwitserse bankier Jacques Necker, voormalig minister van Financiën van Frankrijk, wiens ontslag indirect tot de Franse Revolutie leidde. Ze schrijft, ze neemt het woord, ze reist, ze is rijk, onafhankelijk en ze gedraagt zich ernaar – volstrekt ongepast voor een vrouw in die tijd. Ze wordt dan ook bespot, geridiculiseerd, bekritiseerd, en gehaat, voornamelijk door machtige mannen.

Als echtgenote van de Zweedse ambassadeur in Parijs bestiert ze een salon in het hart van Parijs en een tweede in haar eigen Château de Coppet in Zwitserland. Wie er in Europa toe doet is haar gast. Volgens de grote literatuurcriticus van haar tijd, Charles Sainte-Beuve, die ook regelmatig op Coppet vertoeft, beginnen de eerste literaire en filosofische discussies er om 11 uur ’s morgens. Ze gaan de hele dag door, ook tijdens het diner, en duren tot aan het souper, dat tegen 11 uur ’s avonds wordt geserveerd. Ook na middernacht praat men verder. Wie in Coppet komt houdt van discussiëren en debatteren. En van spelletjes: trictrac, schaken, woordspelletjes.

Was Germaine de Staël onze tijdgenote geweest, dan zou ze, als grondlegger van de Europese literatuur, Europese schrijvers en vertalers van nu uitnodigen en de juryleden van de Europese Literatuurprijs genereus onthalen. Coppet was een café avant la lettre, in de definitie van George Steiner: ‘een plek voor rendez-vous en samenzwering, voor intellectuele discussie en roddel, voor de flaneur en de dichter of de metafysicus boven zijn aantekeningen’, kortom voor ‘de sociëteit van de geest’.

In Coppet gaat het niet alleen over literatuur, maar over alle relevante vraagstukken van die tijd. Fictie, non-fictie, wetenschap, politiek, het een doet er niet minder toe dan het ander. Volgens Friedrich Schlegel, schrijver en trouwe metgezel van Madame de Staël, waren ‘de grootste tendensen’ van zijn tijd ‘de Franse Revolutie, Wilhelm Meisters Lehrjahre van Goethe en de Wissenschaftslehre van Fichte’. Een roman en een filosofisch werk stonden op hetzelfde plan als een politieke omwenteling. Dát was Europa toen, het Europa in de geest van Descartes en Cervantes. In zijn boek Rome, Naples et Florence (1826) duidt de beroemde schrijver Stendhal de bezoekers van Coppet – zo’n zeshonderd – aan als de ‘staten generaal van de Europese opinie’. De grote filosoof Voltaire, die niet ver van Coppet woont en daar ook een salon bestiert, ‘komt niet in de buurt’. Van Chateaubriand tot Madame Récamier en Lord Byron – allemaal gaan ze op bezoek bij Madame de Staël. Daarnaast correspondeert ze met velen die haar al dan niet bezocht hebben, met Goethe, tsaar Alexander I, Thomas Jefferson. Haar briefwisseling omvat vele duizenden brieven. De gasten van De Staël hebben affiniteit met haar eigen idealen: ze hangen de Verlichtingsideeën aan, denken na over de perfectibilité, de mogelijkheid om de mens te vervolmaken. Er heerst optimisme over de mens: die is waardig en in staat vrij te zijn. Ze geloven in het vrijheidsideaal, zijn geporteerd van een gematigde republiek en dito regeringen.

Verder lezen:

https://www.groene.nl/artikel/salons-van-melancholie-en-tederheid

 

Piano ostinato van Ségolène Dargnies

Hoe je leven te veranderen? De jonge pianist Gilles wordt in Piano ostinato voor het blok gezet. Hij is jong, ambitieus, zijn internationale carrière neemt net een vlucht, als hij, midden in het pianoconcert in a-mineur opus 54 van Robert Schumann, een brandende pijn krijgt in zijn rechtermiddelvinger. De pijn zet door, wordt intenser, bovendien mag hij die tijdens de rest van zijn concert niet laten merken. De pijn wordt  dermate heftig dat hij uiteindelijk zijn handen, zijn  armen niet meer voelt. Ook de dagen erna doen zijn armen pijn, zijn rug, heupen, zijn wervelkolom, zijn stuitje, zijn schedel – alles brandt. Hij sluit zich af van de wereld, blijft binnen. De enige die hij nog ziet is een ekster, die dagelijks bij hem neerstrijkt op de vensterbank en een aria aanheft, een schor, dissonant lied, een beetje schel.

Het leven van Gilles staat on hold. De route die hij, en vooral zijn agent, had uitgestippeld is geblokkeerd, alles ligt stil. Hij verzint een list, gaat iets doen waar hij nooit eerder een seconde aan heeft gedacht: dagelijks naar het zwembad. Hij neem een docent, blijkt een raszwemmer: van schoolslag tot vlinderslag – alles lukt. Tussen de slagen door weeft Dargnies een paralel verhaal, dat van Robert Schumann, die om vergelijkbare redenen zijn carrière van pianist moest laten voor wat hij was en componist werd. Gilles kruipt onder zijn huid, identificeert zich, komt heel dichtbij, gaat met ‘Bobby’ Schumann in dialoog.

Piano ostinato van Ségolène Dargnies is een geweldig, muzikaal debuut. In 2019 verscheen het in Frankrijk bij Mercure de France, nog hetzelfde jaar bracht Vleugels het  in de uitstekende Nederlandse vertaling van Marijke Arijs. Dargnies heeft de droge humor, de korte zinnen en de visuele slapstickstijl van Jean Echenoz, de spannende vertelvorm van Julia Deck, de geografische precisie van beiden. Ze speelt met het perspectief, wisselt van ‘hij’ naar ‘ik’, naar ‘jij’, de vertelling golft, duikt onder, houdt in, versnelt en komt weer boven. Wat een fijn debuut, deze kleine roman van nog geen 80 pagina’s.

Ségolène Dargnies, Piano ostinato, vertaald door Marijke Arijs, uitgeverij Vleugels.

Eenzaam in Parijs

Parijs is al weken ‘en confinement’, niemand mag naar buiten zonder goede reden en een ingevuld en door de overheid goedgekeurd formulier. Zo langzamerhand vliegt iedereen tegen de muren op. Nu ik niet naar Parijs kan voor onderzoek voor een nieuw project – Literaire omzwervingen in Parijs, een boek in samenwerking met fotograaf Bart Koetsier, dat bij Boom zal verschijnen -, loop ik maar in mijn verbeelding in Parijs, in de voetstappen van W.F. Hermans. Ook hij had last van een gevoel van isolement.

In 1973 verhuist Hermans naar Parijs, hij neemt ontslag bij de Universiteit van Groningen. Zijn leven lang had hij er al naar verlangd zich in de lichtstad te vestigen. Eindelijk weg uit het benauwende Nederland, het land waar hij zijn leven lang op afgaf. Hermans is opgevoed met liefde voor de Franse taal en cultuur, zijn ouders hebben allebei een onderwijsakte Frans en hij houdt van Franse films, Franse literatuur. De eerste Franse roman die hij ooit las, Le rouge et le noir van Stendhal, maakt diepe indruk, net als Voyage au bout de la nuit van Céline. In 1947 was hij voor het eerst in Parijs, hij zocht er zijn vriend Paul Rodenko op. Hermans viel als een blok voor de stad.

Bijna 30 jaar later nemen Hermans en zijn vrouw Emmy hun intrek in de rue Théodule Ribot, een statige straat in nog steeds een van de duurste wijken van Parijs, in het 17e arrondissement. Het huis, met een klassieke zware voordeur en een glimmend koperen handvat, ligt op een kwartiertje lopen van Place Charles de Gaulle – Étoile. Het prachtige park Monceau, waar niemand nu in kan, ligt op een steenworp afstand.

Hij is gelukkig in Parijs, zegt Hermans tegen Cees Nooteboom, die hem komt opzoeken. Maar hij vindt het leven ook moeilijk, ‘niet zo makkelijk als veel mensen denken.’ Hermans bleef een toerist in Frankrijk, een Nederlander in Parijs, schrijft zijn biograaf Willem Otterspeer. Hij voelt zich alleen, is er angstig – voor een inbraak, voor een knokpartij tijdens een staking, voor een overval in de metro. Nooteboom heeft de indruk dat hij in ‘die grote, schitterende appartementen in een soms verstikkend isolement leefde.’ De functie van de roman is de fundamentele eenzaamheid van de mens op te heffen, zegt Hermans tegen hem. En eenzaam lijkt hij geweest te zijn, in Parijs. Met Fransen heeft hij geen contact, hij beweegt zich in de kleine kring van Nederlandse expats, rond het Institut néerlandais.

Dat gevoel van eenzaamheid brengt hij ook over op Paulina, de hoofdpersoon van de enige grote roman die Hermans in Parijs schreef, Au pair. De knappe, lange studente heeft, is door haar bezigheden als au pair in contact gekomen met een paar bizarre heren die verwikkeld zijn in dubieuze zaken. De ware intellectuelen, de echte kunstenaars in wier gezelschap ze zo graag zou verkeren, komt ze niet tegen. Ze verkent te voet de stad, eet croissantjes en zit in cafétjes, maar echt opgenomen voelt ze zich niet.
In een mooi essay uit 2001 (te vinden in de bundel Inkijk) analyseert Hella S. Haasse, die zelf ook tien jaar in Frankrijk woonde en Hermans in die periode regelmatig zag, de roman Au pair. Ze ziet overeenkomsten met Baudelaire met wie Hermans zich graag identificeerde, ze ziet in de roman ook een spiegelbeeld van Hermans zelf: een man op leeftijd, die verlangt naar wat definitief achter hem ligt: zijn jeugd, de volheid van het leven, de voorbije tijd.

In Au pair voel je eenzaamheid en isolement, maar het brengt je ook Hermans’ Parijs: dat van oude paleizen, verdwenen pracht en praal en vergane glorie.

 

Waarom is een Franse klassieker ineens zo populair? Nederland leest De pest van Albert Camus.

Europa herleest Albert Camus. In Nederland staat La peste zelfs vlak achter Lucinda Riley. Een Franse klassieker die ineens opdoemt uit de vergetelheid: wat is hier aan de hand?
Ik stof mijn kennis van Camus af, blader door de biografie van Olivier Todd, herlees die van Ger Verrips, vind een Gallimard-catalogus van een expositie over Camus ooit bezocht in Aix en Provence, in 2013. Op zijn 17e, lees ik, krijgt Camus zijn eerste aanval van tuberculose, hij hoest, krijgt koorts. Artsen vertellen hem dat hij jong zal sterven. Waarom? Hoezo? Wat onzinnig, die naderende dood. Het leven is absurd, beseft hij, iedereen kan op ieder moment door zo’n bericht overvallen worden. Alles kan veranderen, van de ene op de andere dag. Camus stopt het niet weg, hij is bezorgd, raakt vast ook wel soms in paniek, maar accepteert het, hij denkt erover na wat het betekent. Hij steekt zijn kop niet in het zand, zoekt geen troost in valse hoop – een principe dat in al zijn werk terug zal komen. Hij neemt een besluit, zijn tijd is kort: hij zal zijn leven wijden aan de literatuur. Daar wil hij voor leven. Zo omarmt hij de absurditeit van het leven.
Zijn leven eindigde niet vanwege de tuberculose, maar tegen een boom, bij een auto-ongeluk in 1960, twee jaar nadat hem de Nobelprijs was toegekend. Een leven getekend door ziekte, ja, maar veel meer door oorlog, liefde, journalistiek, polemiek en schrijverschap.
Camus werd in 1913 geboren in Mondovi (tegenwoordig Dréan), in het noordoosten van Algerije. Hij groeide op in Belcourt, een volkswijk in Algier met veel verschillende bevolkingsgroepen, Fransen, Algerijnen, noordafrikanen van elders. Iedereen is er arm. Zijn vader sneuvelt als soldaat in de Eerste Wereldoorlog, zijn moeder is doof, kan niet lezen of schrijven, waarna hij wordt opgevoed door zijn grootmoeder. Op de lagere school beseft zijn onderwijzer, Louis Germain, dat hij een begaafde leerling in de klas heeft. Hij zorgt ervoor dat Alber Camus een beurs krijgt waarmee hij naar de middelbare school kan. Zijn oom, Gustave Arcault, slager en levensgenieter, neemt hem in huis. Hij vindt er een bibliotheek waaruit hij vrijelijk kan putten. Camus wordt een ‘transfuge de classe’, hij verruilt het ene voor het andere milieu, schaamt zich voor de sociale klasse waar hij uit komt, en schaamt zich tegelijkertijd voor zijn schaamte hierover. Het is een dilemma, een verscheurdheid waarover later Annie Ernaux, eveneens een ‘transfuge de classe’, indringend zou schrijven, ook bij haar is schaamte een sleutelwoord. Camus gaat filosofie studeren in Algiers, trouwt, scheidt, wordt kort lid van de communistische partij. Zijn leven lang zal hij in zijn politieke stellingname trouw blijven aan de sociale klasse waarin hij is opgegroeid, altijd zal hij de kant van de minder bedeelde kiezen, van de ‘underdog’, de Algerijn. De intellectuelen in Parijs zullen hem nooit voor vol aanzien: hij heeft niet in Parijs gestudeerd, hij hoort niet bij de club. Camus wordt journalist, werkt voor kranten, voor Alger Républicain, voor Combat, de clandestiene krant die tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt opgericht. Als verzetsstrijder denkt hij na over hoe Frankrijk na de oorlog ‘vernieuwd’ moet worden, na de oorlog moet er een nieuwe, betere maatschappij worden opgebouwd. Bij de zuiveringen spreekt hij zich uit tegen de doodstraf voor collaborateurs.
Naast zijn journalistieke werk wijdt Camus zich aan zijn ‘cycle de l’absurde’, gevolgd door een ‘cycle de la révolte’. In 1942 verschijnt L’étranger, dat een enorm succes wordt. Dankzij Kamel Daoud’s roman Meursault, contre-enquête kwam het boek zes jaar geleden weer vol in de schijnwerpers te staan. Vijf jaar later, in 1947, publiceert Camus La peste, dat hem internationale roem brengt. In het boek wordt de stad Oran getroffen door de pest, je volgt de ontwikkelingen door de ogen van een arts die in het oog van de storm zit en het hoofd koel houdt, hoe wanhopig de situatie hem ook lijkt.
Als mens moet je niet wanhopen, zegt Camus’ oeuvre als ik het goed begrijp, maar eenvoudig accepteren, zelfmoord is geen optie. Zoek een oplossing, zoek naar geluk in het nu, zoek naar vrijheid, met hartstocht, in volhardend verzet. ‘Il faut imaginer Sisyphe heureux’ luidt de laatste zin van Camus’ beroemde essay: alleen al door zijn worsteling de top van de berg te bereiken is de mens bezig, in actie, vol van daadkracht. Sisyphus zal niet bezwijken, niet toegeven aan de verleiding van het niets, hij zal doorgaan. Het leven is absurd, het is zinloos, maar je kunt en moet je verzetten, strijden als gemeenschap. Alleen dat al geeft het leven betekenis. Erkennen van de zinloosheid van het bestaan geeft ons leven betekenis, van daaruit kun je verder.
Vandaar wellicht dat in de compositie van La peste een ontwikkeling zit: je gaat aan de hand van de verteller van het individu naar de gemeenschap en terug naar het individu. Eerst laat de verteller je kennismaken met de personages, als individu. Later beschrijft hij, als getuige, als verslaggever, hoe de plaag in gezamenlijkheid beleefd wordt. Eerst dat gevoel van verbannen te zijn, gescheiden te zijn van je dierbaren, Dan angst en opstandigheid, die gemeenschappelijk worden gevoeld. Inderdaad, La peste is herkenbaar, nu. Alle etappes van de situatie waarin de wereld nu zit vind je erin terug: ontkenning, halfhartige maatregelen, ziekte, dood, angst, wanhoop, de eerste weigering van solidariteit, die dan toch komt, de lente die zich aankondigt terwijl de angst regeert, onzekerheid over de toekomst. Ongelijkheid die door de pest groter wordt dan hij al was, arme gezinnen krijgen het moeilijker dan rijke. Al maakt  de ziekte zelf geen onderscheid in de slachtoffers. We zitten in een camusiaanse absurde situatie, die we moeten accepteren en waarmee we om moeten gaan. Er is geen ontkomen aan. We beleven alles in het ‘nu’, er is alleen nog ‘le présent’, alsof er geen toekomst meer is.
Zeven jaar werkte Camus aan La peste, dat verscheen in 1947. Toen werd het vooral gelezen als een metafoor voor de situatie tijdens Tweede Wereldoorlog: angst en bedreiging heersten overal, het individu voelde zich verstikt. Maar Camus ziet ook, aan het eind van zijn roman, het feest van de bevrijding: er wordt gedanst, mensen sluiten elkaar in de armen, er komt een einde aan het gemis, het is voorbij. Maar definitief is het niet: ‘die vrolijkheid is nog altijd in gevaar’, de pestbacil sterft nooit uit – ook dat moet de mens accepteren.