Op de cover van De zwarte klok van de Oostenrijkse schrijver Paulus Hochgatterer staan witte kleine huisjes tegen een groene achtergrond, identiek, huisjes zoals een kind ze tekent, met een deur, wat ramen en een rood puntdak. Uit slechts één raam schijnt licht, één deur staat open. De andere blijven potdicht, wat zich daar afspeelt blijft verborgen. Veel goeds is het in ieder geval niet.

Paulus Hochgatterer (1961) is schrijver én kinder- en jeugdpsychiater. Net als bij zijn Franse collega Lydie Salvayre en de Waalse Jacqueline Harpman komt zijn professionele ervaring direct binnen in zijn roman. Zijn dorp lijkt bevolkt te worden door psychiaters, onderwijzers en psychologen enerzijds en ontspoorde geesten anderzijds. Daartussenin bevinden zich de slachtoffers, kinderen en volwassenen die de kwetsbaarheid van hun prille jeugd hebben behouden.

In het dorp gebeuren verontrustende dingen: een man valt van een steiger, het lijkt zelfmoord, maar zijn naasten twijfelen daaraan. Een kind verdwijnt uit de klas. Een kind vertelt dat het geslagen is door ‘iets zwarts’. Er volgen meer kinderen die hetzelfde verhaal vertellen. Ze mogen niets zeggen, anders gebeurt nog een keer ‘dat erge’. Allemaal hebben ze het over ‘de zwarte klok’ die hen belaagt.

 

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/09/10/de-zwarte-klok-brengt-onbehagen-in-het-dorpje-a4011518

Over Aan de lopende band van Joseph Ponthus

Een man aan de lopende band denkt aan een parabel van Paul Claudel: op weg van Parijs naar Chartres komt een bedevaartganger langs een arbeider die stenen aan het hakken is. Op de vraag waar hij mee bezig is antwoordt hij: stenen hakken, waardeloos, hondenbaan, ik heb geen rug meer over. Verderop komt hij nog een arbeider tegen, die op de vraag antwoordt dat hij een gezin te onderhouden heeft, ‘ik mag al blij zijn dat ik werk heb.’ Vlak voor Chartres ‘alweer een man die stenen hakt. Stralend gezicht. Wat doet u. Ik bouw een kathedraal.’

Kathedralenbouwers zijn er weinig in de bejubelde autobiografische debuutroman van Joseph Ponthus (1978). Wel mensen met een hondenbaan die een gezin moeten onderhouden. Ponthus zelf is er zo een. Na een universitaire studie letteren en jaren sociaal werk, verhuist hij naar Bretagne – voor de liefde. Passend werk vindt hij er niet. Via een uitzendbureau komt hij aan de lopende band terecht; het is een hel, maar er moet brood op de plank: ‘de stank, de kou, het sjouwen en tillen, het zwoegen, de arbeidsomstandigheden, de lopende band, de moderne slavernij’. Hij moet vis overladen (‘driehonderdvijftig kilo aan zeedraken’, garnalen, wulken), pallets tahoe laten uitlekken, het abattoir schoonmaken, varkenskarkassen duwen op rails ‘die oprijzen als Golgota’s’.

Ponthus’ zinnen zijn kort, vrije verzen, harde poëzie in proza: ‘Ik schrijf zoals ik werk/Aan de lopende band/Aan één stuk door’. Zijn dag-en-nacht ritme raakt verstoord, als hij thuiskomt is hij uitgeput, een stukje lopen met de hond is hem al te veel. Maar schrijven zal hij, de intellectueel in de fabriek, de sociale denker die terecht is gekomen in de harde wereld van de voedingsmiddelenindustrie. Zonder dat houdt hij het niet vol. Het tempo in de fabriek ligt hoog – duwen, trekken, tillen, sjouwen, sorteren –, zolang hij de vereiste beweging niet op de automatische piloot kan doen is hij te langzaam. ‘Ik ga aan het werk/Ik laat tahoe uitlekken/Ik herhaal die woorden/Bijna als een mantra/Een rituele toverformule.’

Maar zit het juiste fysieke gebaar eenmaal in zijn lijf, dan kan hij zijn geest loslaten. Dan komen zinnen uit het werk van Alexandre Dumas in hem op. Zijn ‘veertig ton garnalen per dag’ worden begeleid door citaten van Apollinaire (‘O mijn Danaïdenvat’) of van Beckett. Dan weer heeft hij een onderonsje met Proust (‘Mijn beste Marcel/Die verloren tijd waar jij naar op zoek was/Die heb ik gevonden/Kom maar gauw naar de fabriek/Dan laat ik je die zien/Die verloren tijd’).

 

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/09/03/onderonsje-met-proust-in-het-abattoir-a4010732

Over Lieg met mij van Philippe Besson

Tussen de uitgestrekte wijngaarden ligt Barbezieux, het stadje waar Philippe Besson in 1967 werd geboren en waar de bron van zijn schrijverschap ligt. In Lieg met mij, zijn recent vertaalde roman, herinnert hij zich dat hij, zoon van de hoofdonderwijzer, mee wilde doen met de oogst, en in de cognacstokerij naar de destilleerkolven keek, waaruit ‘het aandeel van de engelen’ vervloog.

Zijn jeugd was gelukkig, schrijft hij, lastig voor een schrijver die geacht wordt ‘met een trauma uit zijn vroegste jeugd op de proppen te komen om te rechtvaardigen dat je schrijft’. Het beeld dat hij schetst van zijn geboortestadje is evenwel niet rooskleurig. ‘Zolang als ik me herinner’, schrijft Besson, ‘overheerst het grijs, het vocht. […] ik kom uit een tijd die voorbij is, uit een stad die op sterven na dood is, uit een roemloos verleden.’

Twintig jaar geleden maakte Besson een vliegende start in de Franse letteren: iedere roman, toegankelijk en filmisch geschreven, had succes. Begon je aan een Besson dan kreeg je een driehoeksrelatie, (homoseksuele) liefde, stille begeerte, scheiding en gemis.

Evenbeeld
Lieg met mij (Arrête avec tes mensonges) is het eerste deel van een trilogie, autobiografisch dit keer. De ik-persoon vertelt hoe hij voor het eerst verliefd werd, welke zijn eerste seksuele ervaringen waren: ‘alles lag in het verleden en zou daar blijven’, luidt een van de motto’s.

De bron van zijn schrijverschap ligt daar, bij zijn eerste, verloren liefde. De ik-persoon geeft een interview in de lobby van een hotel als hij in een flits een jongeman het hotel ziet verlaten. Hij kent die jeugdigheid, die tred, en rent achter hem aan. De jongeman is het evenbeeld van zijn eerste liefde. Het blijkt diens zoon.

Lieg met mij is Bessons oerboek, zou je kunnen zeggen. Op zichzelf is het verhaal over die eerste verliefdheid niet uitzonderlijk: een jongen in de provincie wordt verliefd op een klasgenoot, zoon van een wijnboer, ze krijgen gedurende een paar maanden een relatie, waarna hun wegen uit elkaar gaan. Je ziet dat stadje voor je, die verlegen leerling die les krijgt van zijn vader en de beste van de klas moet zijn, het verlangen, de stille zekerheid dat hij op jongens valt, zijn verbazing over het feit dat een ander hem uitkiest, zijn pijn over het einde, het gemis.

 

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/08/14/het-draait-om-die-eerste-liefde-a4008740

Esprit, es-tu là ? Expositie in Musée Maillol

Ze waren mijnwerker, slotenmaker-loodgieter-zinkbewerker en kruidenier annex caféhouder. Ze woonden in Noord-Frankrijk, niet ver van de grens met België, in gehuchten als Saint-Pierre-lez-Auchel, Montigny-en-Gohelle en Fouquières-lès-Lens. En ze hoorden een stem, van boven, die hun opdracht gaf te gaan schilderen. Nooit waren ze in de buurt van een schildersezel geweest, noch hadden ze ooit een museum bezocht. Maar ze gehoorzaamden aan die stem: schilderen gingen ze.

Nu is hun werk te zien in Musée Maillol in Parijs, op een wonderlijke, fascinerende tentoonstelling, onder de titel Esprit, es-tu là? Les peintres et les voix de l’au-delà (Geest, ben je daar? Schilders en de stemmen van boven). Die ‘stem van boven’ gidste hun hand, leidde hun penseel, bepaalde de precieze vorm van hun werk. Die stem zorgde er ook voor dat ze zich vestigden als medium. Ze stonden immers in contact met het hiernamaals, ze hadden een direct lijntje met de doden. En doden waren er veel in het Noord-Frankrijk van vlak na de Eerste Wereldoorlog. Hun families hadden er alles voor over om in contact te komen met hun gesneuvelde dierbaren. Zo werd de regio een vruchtbare bodem voor het spiritisme.

De tentoonstelling in Musée Maillol toont niet alleen werk van Augustin Lesage, Fleury Joseph Crépin en Victor Simon, de bekendste Franse spiritistische schilders van het begin van de twintigste eeuw. Ook de context wordt in kaart gebracht, je volgt de geschiedenis van het spiritisme in vogelvlucht. Vlak na de ingang loop je langs een portrettengalerij van beroemde kunstenaars. Allemaal interesseerden ze zich, door de eeuwen heen, voor communicatie met de ziel van de doden: van Honoré de Balzac tot Paul Klee en Vassili Kandinsky, van Victor Hugo tot Emanuel Swedenborg en het echtpaar Curie.

Al aan de vooravond van de Franse Revolutie (1789) trokken hypnotiseurs en somnambulisten veel publiek: ze brachten mensen in trance en lieten hen met hun overleden dierbaren spreken. In de historische roman Het oog van de engelvan Nelleke Noordervliet vinden we er een prachtig voorbeeld van. Victor Hugo nam tijdens zijn ballingschap op Jersey deel aan spiritistische seances, waarbij hij via een dansende tafel in contact probeerde te komen met zijn verdronken dochter. In 1857 publiceert Alan Kardec Het boek der geesten, het standaardboek van het spiritisme over de onsterfelijkheid van de ziel (ook nu nog leverbaar). Tezelfdertijd communiceren de gezusters Fox in New York via kloptonen met geesten. De utopist Charles Fourier, de arts en schrijver Arthur Conan Doyle, de nobelprijswinnaars Pierre en Marie Curie – allemaal zijn ze gefascineerd door het spiritisme.

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/08/12/geleid-door-gene-zijde-a4008596

 

Philippe Lançon, De flard. De aanslag op Charlie Hebdo

Als figuren uit een duistere versie van Matisses schilderij ‘De dans’ – zo liggen ze daar, de journalisten van Charlie Hebdo, vlak nadat hun moordenaars zijn vertrokken. De doden houden bijna elkaars hand vast, de voet van de een raakt de buik van de ander, de vingers van de een liggen tegen de heup van de ander. Een figuur uit een dodendans.

Ook Philippe Lançon (1963) maakt onderdeel uit van deze kring. Alleen is hij niet dood. Hij ligt onbeweeglijk, ‘in zwevende staat’, hij heeft ‘de zwarte benen met zijn geweer’ langs zien komen, hem ‘Allahoe akbar’ horen roepen. Hij bevindt zich in het niets, in de stilte, hij staart naar zijn hand, begrijpt niet dat die van hem is, een hand met opengereten rug. Hij kijkt naar de schedel van de man die naast hem ligt, tussen zijn haar puilen zijn hersenen naar buiten.

Nooit kwam je zo ijzingwekkend dichtbij de aanslag op het satirische blad Charlie Hebdo, op 7 januari 2015.

Lançon overleefde het bloedbad, elf van zijn collega’s werden vermoord. Wat deed hij voordat hij naar de redactievergadering ging? Wat is er precies gebeurd? Waar is zijn fiets gebleven? Hoe orde aan te brengen in de emotionele chaos en vooral: hoe verder te leven?

Dat alles probeert Philippe Lançon, cultureel recensent voor Libération en Charlie Hebdo, in De flard in kaart te brengen. Dat doet hij tastend, zoekend naar woorden, naar gevoelens, terugkijkend vanuit een heden dat mijlenver afstaat van het heden van vóór de aanslag. Alles is veranderd. Niet alleen mist hij de onderste kant van zijn gezicht en gaat hij maanden, jaren van pijnlijke chirurgische reconstructie tegemoet; ook zijn al zijn persoonlijke relaties veranderd, zijn emoties gefilterd, zijn wereldbeeld gekanteld.

New York
Aan de vooravond van de aanslag was hij de journalist die naar een toneelstuk van Shakespeare ging, de recensent die over het nieuwe boek van Michel Houellebecq zou schrijven, dat precies op die zevende januari verscheen. Hij was de man die net een vliegticket naar New York had gekocht om in Princeton te gaan doceren. Hij was de schrijver die onderweg was naar een redactievergadering van ‘een berooid blaadje dat op sterven na dood was’.

Vierentwintig uur later is hij lichtjaren van deze man verwijderd. Zijn lichaam is niet meer hetzelfde, zijn gedachten zijn die van een onbekende, zijn herinneringen die van een ander. Vervreemd is hij van de man die hij een dag geleden nog was.

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/07/09/als-toekomst-geen-betekenis-meer-heeft-a4005464

Interview met Szusza Bánk: Slapen doen we later

Nee, veel geschreven heeft ze niet, de afgelopen weken. Man en kinderen thuis, drukte om haar heen – zo kon ze niet werken. Voor Zsuzsa Bánk, die in Frankfurt achter haar scherm zit, zijn stilte en eenzaamheid voorwaarden om te kunnen schrijven. De twee vrouwen die ze in haar nieuwe boek Slapen doen we later tot leven brengt, hebben een druk bestaan, verlangen nu eens naar rust, stilte en bezinning, beseffen dan weer dat ze uit het leven moeten halen wat erin zit, er is geen tijd te verliezen: slapen doen ze later wel.

Márta Horváth is schrijfster en moeder van drie kinderen, Johanna Messner is lerares op een middelbare school. We leren ze kennen via hun intense, openhartige mailwisseling die begint in maart 2009 en eindigt in juni 2012. Hun hele dagelijks leven komt voorbij, alle ups en downs, wat ze lezen en denken, hoe ze zich voelen, wat ze dromen, waar ze naartoe gaan, met alle ziekten, verlies, hartstocht en hoop die in het leven van veertigers voorbij komen. Dat alles in een sprankelende taal vol literaire verwijzingen.

Juist door de gekozen vorm, de brief, komt u heel dicht bij uw personages. De correspondentie als literair genre is sinds de 18de eeuw veel door vrouwelijke auteurs gebruikt, denk bijvoorbeeld aan de brieven van Madame de Sévigné aan haar dochter. Was het voor u de ideale vorm voor het leggen van een mozaïek van stemmingen en gevoelens?

„Ik lees graag brieven en dagboeken, die van Sylvia Plath bijvoorbeeld, waarin veel is verborgen en weggestopt, maar je vindt er toch ook veel emotie, bekentenissen. In vroeger eeuwen waren briefschrijfsters niet bang om grote gevoelens te benoemen. Mijn personage Márta geeft zich onbekommerd, zonder voorbehoud, ik kon al haar duizelingwekkende emoties uitbeelden, daar heb ik enorm van genoten.

„Haar stemmingen weerspiegelen zich ook in haar originele, beeldende, zintuiglijke taalgebruik, nu eens is het spreektaal, dan weer literair.

„In de conventionele roman kun je niet zo veel verschillende soorten taal kwijt. Márta verzint nieuwe woorden, trekt ze samen, citeert uit de literatuur die beide vrouwen lezen. Er wordt gescholden, bejubeld, geklaagd in woorden van alledag, ik speel met geluiden – ping, pang – klank- en rijmspel. In een roman met een alwetende verteller zou dat niet werken. Nu had ik twee perspectieven waarin ik me helemaal kon uitleven, dat was geweldig. Ook daarom heb ik voor de briefvorm gekozen.”

 

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/06/18/het-alledaagse-is-voor-mij-een-geweldig-literair-thema-a4003281

Leïla Slimani: Mathilde

Twee dagen duurt Mathildes reis van Straatsburg naar Rabat. Als ze er op 1 maart 1946 aankomt, ziet ze eindelijk de man terug met wie ze vlak na de oorlog in Mulhouse is getrouwd. Amine, de knappe Marokkaanse soldaat uit het Franse leger. Zij is nog geen twintig, hij acht jaar ouder. Twee dagen komen ze het hotel niet uit. Met hem, denkt ze, gaat ze een exotisch, avontuurlijk leven tegemoet, al haar vriendinnen zijn jaloers.

Driehonderd bladzijden en bijna tien jaar later slaat Amine haar woedend in het gezicht, grijpt hij naar zijn pistool, dreigt hij haar voor de ogen van hun kinderen te doden.

In die tussenliggende bladzijden heeft de Frans-Marokkaanse Leïla Slimani (1981) een immense culturele clash samengebald, een huwelijk van liefde en teleurstelling geschetst, van hoop, desillusie en wederzijds onbegrip. Dat alles tegen de achtergrond van een land waar een oorlogssfeer heerst en de definitieve onafhankelijkheidsstrijd nadert.

Na twee hedendaagse romans, In de tuin van het beest (2018), over een nymfomane, De perfecte oppas (2017), over een nanny die haar oppaskinderen vermoordt en een schokkend essay over de positie van de vrouw in Marokko (Seks en leugens, 2019), kiest Slimani nu voor een historische roman gebaseerd op haar familiegeschiedenis. Le pays des autres is de overkoepelende titel van wat een trilogie moet worden. Het eerste deel – in het Nederlands Mathilde, in het Frans La guerre, la guerre, la guerre – bestrijkt de periode van de Tweede Wereldoorlog tot 1960.

Het is een opvallende keuze voor een schrijfster die tot nu toe het ene na het andere hedendaagse taboe bij de kop pakte, de Prix Goncourt kreeg voor haar tweede roman, en als persoonlijk vertegenwoordiger van de Franse president in zaken van de francofonie de wereld rondreist. In plaats van spanning, jaloezie of begeerte op de korte baan, waagt ze zich nu aan de traditionele roman fleuve, de lange adem, waar het er niet om gaat hete hangijzers van nu te agenderen, maar het leven van generaties te schetsen.

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/06/12/gevangen-in-het-territorium-van-je-man-a4002544

Cees Nooteboom over zijn dichtbundel Afscheid

‘Ik zit in een heel ouderwetse kamer in een oud huis, waar schilderijen hangen van de hand van de moeder van mijn gastvrouw. Haar vader was uitgever, er staan duizenden boeken. Als ik naar rechts kijk zie ik de Käserei, een grote stal waar kaas wordt gemaakt, een oude tractor, als ik opsta alleen maar weilanden en bossen.”

In Hofgut Missen, in Zuid-Duitsland, niet ver van het Bodenmeer, brengt Cees Nooteboom (86) al jaren de wintermaanden door. Nu bleef hij er wat langer vanwege het virus en ziekenhuisbezoek. Zijn recente dichtbundel Afscheid. Gedicht uit de tijd van het virus rondde hij er af. Beelden van de oorlog, verdwijnen, verdwalen, verder trekken, de tijd, de dood, dromen, ‘lessen in afwezigheid’ en ‘steeds minder wereld’ – het zijn terugkerende elementen in zijn werk. Op het omslag van Afscheid een steen met twee oren die ook in het gedicht terugkomt:

Op een CD van György Kurtág zag ik een steen
met twee oren. Ze staan niet opzij maar als reliëf
tegenover elkaar. In het midden een leeg vlak.
Oud ziet het er uit, maar op

de heldere foto geen enkele verklaring. Luistert
de steen, hoort hij mij als ik vraag wat hij betekent?

Nooteboom: „Die CD moet ik ergens hebben, maar als je overal woont is er altijd van alles weg. Mijn vriend Reinbert de Leeuw was dol op Kurtág, net als ik, het is een enorm intrigerend beeld. Horen die oren elkaar?”

Vorige zomer begon hij aan het gedicht, in zijn huis op Menorca. Er komt een vijgenboom voorbij, ‘duizendjarige stenen van de muur’, ‘ganzen van de buren’ en natuurlijk de cactussen, zijn ‘vrienden’ die ‘geen monden’ hebben maar ‘punten en hoekige armen’, ‘hun namen zijn vreemd en welluidend, hun vormen gekarteld’. We kennen Nootebooms liefde voor zijn mediterrane tuin onder andere uit 533. Een dagenboek (2016). „In het begin wist ik niet waar ik met dat gedicht heen ging, maar ik had de omgeving van die tuin. De palmen heb ik er zelf geplant, 50 jaar geleden. Op mijn reizen door Latijns-Amerika zag ik altijd die cactusachtigen. Toen ben ik met planten begonnen, ik heb een paar eigenaardige cactussen. Die mis ik nu echt.”

Cees Nootebooms verhalen over Venetië (●●●●) laten zich lezen als een portret van de schrijver en zijn hang naar eeuwigheid. Lees ook:Hoe Cees Nooteboom probeert op te gaan in Venetië
Halverwege het gedicht kreeg hij van zijn vriend de schilder Max Neumann een aantal tekeningen die hem fascineerden, met vervreemdende, bizarre hoofden, kenmerkend voor Neumanns werk. „Het was een soort overval midden in die bundel.” Met Neumann maakte Nooteboom al eerder Fraulund (2000) en de bundel Zelfportret van een ander (1993). „Die hoofden kreeg ik toen ik al een eind op streek was, het tweede deel van het gedicht is door de tekeningen aangeraakt.” Ze verschijnen in de laatste strofen van het eerste deel:

Hoofden zag ik, talloze hoofden,
veldheren, minnaars, reizigers
tussen de sterren. Elk hoofd zijn
eigen verhaal, verborgen in de plooien

van hersens […] Die eenzame reiger
was ik, en alleen aan het water
schreef ik op wat ik zag, wat ik hoorde

hoofd voor hoofd.

Afscheid zou je kunnen beschouwen als een meditatie, een volgende Nooteboomiaanse oefening in verdwijnen.

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/06/11/op-mijn-22ste-vroeg-men-al-wat-ik-met-de-dood-had-a4002505

 

Maylis de Kerangal: Een wereld binnen handbereik

Een wereld binnen handbereik – in de recente roman van Maylis de Kerangal krijg je verschillende werelden onder ogen. Het rommelige, kunstzinnige studentenwereldje van het Institut Supérieur de Peinture in Brussel; de wereld van vergane filmglorie in Cinnecità in Rome; en één uit de prehistorie, de grotten van Lascaux in de Dordogne.

Steeds begint De Kerangal aan de buitenkant: eerst sta je op de stoep van de Metaalstraat waar haar hoofdpersoon Paula Karst een jaar les zal krijgen. Dan ben je met haar onderweg naar de filmstudio van Habemus Papam in Rome en weer later sta je samen bovenop de heuvel waaronder de prehistorische grotten verborgen liggen. Steeds graaft Maylis de Kerangal (1967) zich langzaam en geduldig naar binnen, ze neemt je mee, de diepere lagen in.

Paula Karst gaat een intens jaar tegemoet aan de school in Brussel: ze leert er decors schilderen, de technieken van het trompe-l’oeil. Ze maakt zich de namen van penselen eigen, de ferrule, de petit-gris van varkenshaar, de lakpenseel met haren van een beer uit Alaska. Ze leert hoe je houtsoorten kunt nabootsen, van mahonie tot ebbenhout, marmer en het schild van een schildpad. Ze weet na dat jaar hoe je kleuren moet benoemen, ‘helderrood, lichtguldenroedegeel, middenzeegroen, aquamarijn, lavendelblos, faalroodpaars, tarwe, navajowit’.Net als in haar vorige in het Nederlands vertaalde roman, De levenden herstellen (2015), excelleert De Kerangal in fysiek en zintuiglijk schrijven. Steeds maakt ze zich een ander domein eigen. Ging het in haar eerdere romans om het vocabulaire van bruggen bouwen en dat van een harttransplantatie, nu gaat het om het vocabulaire van de schilderkunst – esthetisch en lichamelijk.

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/05/28/van-het-kunstzinnige-studentenleventje-tot-grote-filmsets-dit-boek-dompelt-je-onder-in-het-leven-van-een-schilderes-a4001142

Interview met Elif Shafak over 10 minuten 38 seconden in deze vreemde wereld

‘Iedereen denkt dat deze coronatijd voor schrijvers gemakkelijker is – die zijn toch vaak alleen. Maar dat is helemaal niet zo. Je gaat je ineens afvragen waar je mee bezig bent, wat voor verschil het maakt of je dit verhaal schrijft of niet.” Elf jaar geleden verhuisde Elif Shafak (1971), auteur van zeventien boeken, vertaald in vijftig talen, van Istanbul naar Londen. Die stad is haar thuis geworden. Ze mist Istanbul. Vanwege de repressieve politieke situatie in Turkije, waar journalisten en schrijvers de mond wordt gesnoerd, wil ze niet terug.

Haar recente roman 10 minuten 38 seconden in deze vreemde wereld, afgelopen jaar genomineerd voor de Booker Prize, droeg ze op aan de stad die ze verliet en aan de vrouwen die er wonen. Haar hoofdpersoon Leïla ligt op de eerste pagina in een stalen afvalcontainer, vermoord, haar paarse stiletto pumps nog aan haar voeten. Haar brein werkt nog, in iets meer dan tien minuten haalt ze zich geuren, kleuren en smaken voor de geest, die verbonden zijn met cruciale momenten uit haar jeugd: hoe haar moeder gedwongen werd haar af te staan, de dag dat haar vader haar verbood nog naar school te gaan, de keer dat haar oom haar voor het eerst misbruikte, de dag dat ze haar ouderlijk huis ontvluchtte en zonder een cent naar Istanbul vertrok. Ze herinnert zich hoe ze haar vrienden ontmoette: het enig kind van een vrouwelijke apotheker, een transseksueel, een zangeres uit Mesopotamië, een Somalische waarzegster. Het is een kleurige, intense roman over een vrouwenleven in de marge, vol pijn, vriendschap, levensvreugde en energie, waarin bijgeloof en ratio de degens kruisen.

Uw boek is een ode aan Istanbul, de stad die, zegt u, altijd een vrouwenstad is geweest. Toch zijn het mannen die er de dienst uitmaken.

„De straat behoort de mannen toe, de pleinen, de stedelijke ruimte worden door mannen gedomineerd, vooral na zonsondergang. De stad is patriarchaal, seksistisch, homofoob, net als het hele land. Maar het wezen van de stad, de spirit, is vrouwelijk. Ottomaanse dichters schreven al over Istanbul als een godin, in latere gedichten wordt ze bezongen als een vrouw die van veertig echtgenoten is gescheiden: ze heeft veel meegemaakt, maar ze is veerkrachtig. Als feminist vind ik dat minderheden zich moeten kunnen bewegen in de stad. Vrouwen moeten de stedelijke ruimte terugclaimen.”

Verder lezen

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/05/14/fatalisme-leidt-tot-niets-a3999732