Kamel Daoud: Zabor of de psalmen

In 2013 publiceerde Kamel Daoud een boek waarin hij het woord gaf aan de broer van een vermoorde man. Een man zonder naam, uit een beroemd boek van een beroemde schrijver: De vreemdeling van Albert Camus. Waarom was die vermoorde man naamloos gebleven, vroeg de verteller zich af. Het was een Arabier, ‘een ongeletterde drommel’, die geen verhalen kon vertellen, een ‘naamloze die niet eens de tijd kreeg om een voornaam te dragen’. Er bleef niets van hem over. Precies daarom leerde de broer van de vermoorde Arabier, de verteller van het boek, lezen en schrijven in het Frans, hij sprak in plaats van de dode. Het boek Moussa of de dood van een Arabier werd dankzij zijn evidente symbolische lading een internationale bestseller.

Nu is er een tweede roman van de Frans-Algerijnse schrijver, Zabor, ruim twee keer zo dik, een boek dat je moet veroveren, met tijd en geduld, met lezen en herlezen. Bloemrijk en barok schrijft Daoud (1970) nu, zijn boek is een fabel vol literaire verwijzingen, bijbelse en filosofische uitweidingen en vele herhalingen, waardoor je de rode lijn steeds uit het oog dreigt te verliezen.

De verteller is een dertigjarige man uit een Algerijns dorp, Aboukir, op jonge leeftijd verstoten door zijn vader, een rijke slager. Hij werd er valselijk van beschuldigd zijn halfbroer in een put te hebben geduwd, waarna zijn vader hem elders onderbracht.

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/05/03/waar-maar-een-boek-is-is-geen-vrijheid-a1601767 

 

Een dichter zal de nazi Mengele niet vergeten

Met het observatievermogen van een reporter en de techniek van een romancier brengt journalist Guez het after-life in kaart van de gevluchte nazi Mengele. Afschuw, verbijstering en instemming wisselen zich af.

‘Jij die een gewone man onrecht hebt aangedaan/ En in lachen uitbarstte om zijn onrecht,/ Voel jezelf niet veilig./ Een dichter vergeet niet.’ Deze regels van Czeslaw Milosz vormen het motto van De verdwijning van Josef Mengele, het met de prix Renaudot bekroonde boek van Olivier Guez (1974). Het motto is de routekaart van wat je te wachten staat: onderwerp is Josef Mengele, de ‘engel des doods’ van de nazi’s, die duizenden mensen naar de gaskamers stuurde en verschrikkelijke experimenten uitvoerde op gevangenen. In juni 1949 slaagde hij erin naar Zuid-Amerika te ontkomen en er een luizenleven te leiden, tot de Mossad hem opspoorde.

De dichter uit het motto – dat moet Guez zelf zijn. Eerder schreef hij mee aan een filmscenario over de Joodse jurist die ervoor zorgde dat SS’er Adolf Eichmann in Argentinië werd opgespoord. In die tijd raakte Guez gefascineerd door het verdwijnen van Mengele, en wijdde hij zich drie jaar aan het indrukwekkend nauwkeurig in kaart brengen van diens ‘after-life’, zoals Guez het noemt.

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/05/10/een-dichter-zal-de-nazi-mengele-niet-vergeten-a1602510

 

Een opiumroes vol genot en angstvisioenen

Uit zijn roman uit de jaren dertig blijkt hoezeer deze schrijver de Iraanse literatuur heeft gemoderniseerd. Zo trekt hij zijn lezers een wereld zonder doel binnen, zonder logica, zonder liefde, waar je niemand kunt vertrouwen.

Een wanhopige aanklacht tegen politiestaat of noodkreet van een diep eenzaam mens? Je kunt De blinde uil, klassieker uit de Iraanse literatuur, op beide manieren lezen. Sadegh Hedayat (1903–1951) werd geboren in een aristocratisch Iraans schrijversgezin en verhuisde als jongeman naar Europa. Hij behoort tot de schrijvers die de Iraanse literatuur een ander aanzien gaven: minder lyriek, minder klassiek Perzisch, meer spreektaal, dichter bij het dagelijks leven. Hedayat woonde jaren in Parijs. Hij begon er aan De blinde uil, de roman die hij eind jaren dertig in India voltooide. Aan het eind van zijn leven keerde hij vanuit Iran terug naar Parijs, waar hij in 1951 zelfmoord pleegde.

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/03/16/een-opiumroes-vol-genot-en-angstvisioenen-a1595862

Lezen in Frankrijk. Een literaire tour de France

Eind mei verschijnt mijn nieuwe boek, Lezen in Frankrijk. Een literaire tour de France. Ik portretteer 20 schrijvers die naar mijn mening beeldbepalend zijn op dit moment, en die bovendien een beeld geven van het Frankrijk van nu. Een lees- en reisboek voor wie zich interesseert voor Frankrijk en voor wie wil weten hoe het er op dit moment voor staat met de literatuur in het land. Wat is mooier dan een land te verkennen met een hedendaagse roman in de hand?

Geen verlangen zonder gebrek. De toekomst van de Nederlandstalige literatuur.

Deze bundel stelde ik met Wouter van Gils samen, ter gelegenheid van de 25e verjaardag van de Libris Literatuur Prijs. We vroegen 28 schrijvers naar hun idee over de toekomst van de Nederlandstalige roman. Het werden reportages, essays en kortere columns, een heel gevarieerd portret van een levendige romancultuur, waarvoor, als we onze auteurs mogen geloven, nog een stralende toekomst in het verschiet ligt.

 

Brief aan Hella S. Haasse

Lieve Hella,

Morgen, 2 februari, is het honderd jaar geleden dat je werd geboren. In Batavia, het huidige Jakarta. Vandaag wordt in de Nieuwe Kerk een gedenksteen voor je onthuld. Voorzover ik op de uitnodiging kan zien ben je in marmer gegraveerd. Wat zou je er zelf van zeggen? ‘Nu ga ik pas echt de eeuwigheid in’? Of: ‘nu word ik opnieuw met voeten getreden!’? Vorig jaar liet de OBA in Amsterdam immers een regel uit je werk in de bovenste traptrede beitelen. Duizenden mensen lopen sindsdien over je heen. De kastanjeboom in het Vondelpark die ter ere van je negentigste verjaardag werd geplant, staat er goed bij. In welke baan zich momenteel de planetoïde bevindt die naar jou vernoemd is, weet ik niet, daarvoor zouden we met je alter ego C.J. van der Sevensterre op sterrenjacht moeten.
Ik weet dat je moet lachen om al dat eerbetoon aan jouw persoon. Er was maar één ding dat je echt iets kon schelen: je wilde gelezen worden. Je leefde voor je werk. Dezer dagen ben ik in Lyon, voor een festival over post-koloniale literatuur. En reken maar dat ik het over Oeroeg ga hebben. Weet je dat Oeroeg onlangs een enorm succes was in Italië? La Repubblica opende zijn boekenbijlage met een mooie recensie van L’amico perduto. Nee, ik vergeet de vertaler niet te noemen, ik weet hoezeer je hen altijd lof toezwaait, het is Fulvio Ferrari. De criticus prijst in de krant ‘de subtiliteit waarmee verborgen racisme en xenofobie van beide kanten wordt blootgelegd’ en schrijft dat je ons wil doen inzien ‘dat de zogenaamd tolerante acceptatie van wie “anders” is vele duistere nuances kent.’ Ik vraag me af wat je van die interpretatie had gevonden. Het ging jou om vriendschap, om verkenning van de ander. Zeker is dat Oeroeg vragen stelt die ongelofelijk actueel zijn.
Je uitgever heeft het goede idee gehad om Ogenblikken in Valois in de mooie  reeks van je verzameld werk uit te geven. Afgelopen zomer was ik weer eens in de streek waar je tien jaar woonde, ik herinnerde me hoe je door Senlis liep, wandelde door de bossen rond St. Witz. Ik dacht aan die arme lepralijder in de Middeleeuwen uit je verhaal Genius loci, die daar eenzaam ronddoolt en aan je vertelster die daar ondervond ‘wat zij nog nooit had gekend’. Ook die verstoten leproos heeft tegenwoordig vele gedaanten. Weet je dat de perverse Madame de Merteuil uit Daal- en Bergse brieven onlangs weer opdook in de debatten rond #metoo? Jouw imaginaire brieven aan haar over de positie van de vrouw, over feminisme, kunnen generaties jonge vrouwen nog heel wat leren! En hoe actueel is tegenwoordig De meester van de neerdaling, waarin je het duistere lot van kinderen omcirkelt in een ingenieus grimmig web van raadsels. En dan Huurders en onderhuurders! Complottheoriën, fake news, controlisten, kunsthaters, spionageactiviteiten, seksuele en geweldadige excessen, machtswellust – het komt allemaal voorbij. Vermomd, gemaskerd zijn je personages afspiegelingen van wat we nu beleven. Uit de tijd ben je, honderd jaar na dato, nog lang niet.
Ja, ik weet het, het verbaast je niet. Niet voor niets vond je je eigen romans, bij herlezing, altijd ‘verdomd goed geschreven’! 

Je t’embrasse,

Margot

 

(foto: Jeannine Govaers)

Hoe te leven na het afscheid? Lees Foenkinos, Montaigne, Modiano en Hamid

Afscheid nemen Afscheid en verlies zijn wezenlijke thema’s in veel romans en verhalen. Daarmee brengen schrijvers het mysterie van leven en dood in kaart.

Aan die uitspraak moest ik denken toen ik onlangs Sarah Bakewells biografie van Montaigne las. In haar boek over de Franse magistraat en filosoof vertelt zij dat Montaigne als jongeman voortdurend werd gekweld door gedachten aan de dood. Hij stelde zich steeds voor wat hem voor vreselijke dingen zouden kunnen overkomen. In 1563 verloor hij zijn beste vriend, Etienne de la Boétie, aan de pest, later zouden ook zijn vader en zijn jongere broer sterven. Van zijn zes kinderen haalde er maar één de volwassen leeftijd.

In 1569 kreeg Montaigne een ongeluk bij het paardrijden: hij viel, raakte bewusteloos en had een bijna-dood ervaring. Toen hij bijkwam, was het geen traumatische gebeurtenis voor hem geweest, het was een oefening in doodgaan, meer niet. Sindsdien maakte hij zich geen zorgen meer. Zijn motto werd ‘ne pas se soucier de la mort’, ‘je moet je geen zorgen maken over de dood’. Het bleef zijn fundamentele antwoord op de vraag hoe te leven.

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/01/05/hoe-te-leven-na-het-afscheid-a1587168

Eric Vuillard: L’ordre du jour – prix Goncourt 2017

Een 9 – dat was het gemiddelde cijfer dat de leesclub Frans van Athenaeum gaf aan L’ordre du jour, het met de prix Goncourt bekroonde boek van Eric Vuillard. Het is relatief dun, geciseleerd en stilistisch perfect. Er staat geen woord, laat staan een zin te veel in, de scènes zijn net schilderijen, goed gekozen taferelen die en détail worden opgeroepen. En om die détails gaat het bij Vuillard. De grote lijn kennen we: de annexatie van Oostenrijk door Hitler, aan de vooravond van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

Maar dat beeld uit het eerste hoofdstuk: die 24 directeuren van grote industriële ondernemingen, die hun hoed afnemen, hun handschoenen uitdoen en hun snor opkrullen terwijl ze anti-chambreren voordat Goering en Hitler hen willen ontvangen  – dat blijft je bij. En een paar hoofdstukken verder: dat beeld van het afscheidsdiner van .., met Chamberlain, Churchill en Schussnig, dat dîner dat eindeloos getraineerd wordt zodat de Engelsen niet meteen adequaat kunnen reageren op het bericht dat Duitsland Oostenrijk is binnengevallen.

Knap vonden de leesclublezers het boek, indrukwekkend, filmisch, paradoxaal ook, gezien het contrast tussen de grote stappen waarmee de auteur door de geschiedenis wandelt in tegenstelling tot de paar beelden en details die hij uitvergroot. Een ‘j’accuse’ vond een ander, met name door het laatste hoofdstuk waarin alle grote merken die we nog dagelijks gebruiken (Krupp, BMW, Bayer, Agfa en andere) aan de historische schandpaal worden genageld. Ironisch, zelfs sarcastisch, vond men de toon van de verteller, die de brug slaat tussen het ‘récit sans fiction’ en de ‘discours critique’ die ook in het boek zit.

Onvergelijkbaar is het boek met eerdere Goncourtwinnaars die ook de oorlog tot onderwerp hadden, Lydie Salvayre, Alexis Jenni, Jérôme Ferrari of Jonathan Littell. Door de stijl, door de focus op enkele scènes, door het afstandelijke in toon en register. Voor de een was het een retorische truc – dat focussen behoort gewoon tot het métier van de schrijver -, voor anderen werkte het wonderwel.  Niemand die niet doordrongen was van het feit dat de schrijver erin geslaagd was te laten zien dat er niets veranderd is, sindsdien. Het grote geld wint altijd. Wie geld heeft, bezit de macht.

Sommige lezers toonden zich helemaal gegrepen. Anderen vroegen zich af waar het hart zit in dit récit, waar zit de emotie? Het is een stilistisch kunstig boek, en dwingt daarmee bewondering af. Maar ben je iemand anders na het lezen van dit boek?

Hoe dan ook, de narratieve non-fictie, zo succesvol in Nederland, heeft in de Fransman Vuillard een geweldige evenknie.

Manosque, festival Les Correspondances

,,Mijn vader nam me mee naar de film”, zingtzegt Marie Modiano in een klein sfeervol zaaltje in Manosque, ,,het was een film over Popeye the Sailorman, voor vier jaar en ouder. Zo oud was ik nog niet. Mijn vader wist de dame achter de kassa te overtuigen. Ik kreeg een zak kleverige snoepjes. ” Sindsdien was naar de film gaan haar favoriete bezigheid: naast haar vader zitten, in het donker, met heerlijkheden onder handbereik – wat wil een meisje nog meer? Marie Modiano, dochter van de Nobelprijswinnaar, schrijft, dicht en zingt voor een publiek dat aan haar lippen hangt.

Het is maar een van de vele optredens en voorstellingen die dezer dagen plaatsvinden in het Zuid-Franse stadje Manosque, geboorteplaats van de Franse schrijver Jean Giono en thuisstad van het literaire festival Les Correspondances, opgericht en geprogrammeerd door Olivier Chaudenson en Evelyn Prawidlo. De topauteurs van deze rentrée treden er op, Kamel Daoud spreekt over zijn nieuwe roman Zabor ou les psaumes; Clément Bénech en François-Henri Désérable treffen elkaar in een geestig amicaal gesprek over hun nieuwe boeken; de gezusters Berest spreken over hun coup de foudre voor hun overgrootmoeder Gabriële Buffet, de minnares van de kunstenaar Françis Picabia. Alles in de openlucht, hetzij op de pittoreske Place de l’Hôtel de Ville, hetzij op de Place Marcel Pagnol. Er zijn steevast veel te weinig stoelen.

Het avondprogramma speelt zich af in het Théâtre Jean-le-Bleu. Zevenhonderd man luisteren naar actrice Cathérine Frot (recent nog te zien in de film Sage Femme) die de Amerikaanse brieven van Nathalie Sarraute aan haar ‘petit chien loup’ ten gehore brengt. Een dag later leest Pierre Baux magistraal de brieven van Henri Michaux, waarin hij op honderd manieren aangeeft dat hij écht écht geen zin heeft in alles waar de buitenwereld hem op wil trakteren.

Het lijkt weer of ‘tout Paris’ naar dit charmante Provençaalse stadje is toegetrokken. Om de zomer nog even te verlengen. Om alle collega’s te zien van uitgeverijen, literaire festivals, allerhande media. Om de voorzet van Les Correspondances te beluisteren, een goede neus als ze altijd hebben als het gaat om het ontdekken van dé nieuwe talenten van het seizoen. Ik heb er afgesproken met festivaldirecteuren die wel oren blijken hebben naar participatie van Nederlandse en Vlaamse auteurs op hun festival.

En inderdaad, ook dit jaar is het heerlijk nazomerweer. Als we worden opgehaald om weer naar het vliegveld te rijden, drukt de chauffeur die ons op de heenweg ophaalde ons nog even zijn CD in de hand. Hij is rockmusicus zoals velen die dit weekend voor het festival werken. Kijk even naar de titel van het vierde nummer, zegt hij.

Tussen alle Franse titels is er een in het Nederlands: ‘Lekker in de zon’.

 

 

 

Nancy: Le livre sur la place (rentrée, 3)

Als ik aan het begin van de middag het station van Nancy uitloop, komt er een jongen op me af. Een jaar of dertien, staalblauwe ogen. Hij hoort bij een groepje, is zo dronken dat hij nauwelijks meer op zijn benen kan staan en hij schreeuwt aan een stuk door. Hij gaat vlak voor me staan, zegt: ‘ik houd niet van geschreeuw, et vous?’.

Even later ben ik op de Place Stanislas, hart van het literaire festival Le livre sur la place. Imposante 18e eeuwse gebouwen, glimmend verguld hekwerk, duizenden mensen, lange rijen voor de optredens van schrijvers uit de rentrée. 500 man voor Leïla Slimani die een roemrucht essay publiceert over seksualiteit en Marokko, 1200 voor Jean-Christophe Rufin in de Opera. Zo’n 700 voor Kamel Daoud die de prijs voor ‘het boek en de mensenrechten’ in ontvangst neemt. ‘Ik kan goed voor iets knokken, maar ik weet niet hoe ik eerbetoon in ontvangst moet nemen’, zegt de Algerijn, ‘iedereen noemt me steeds zo moedig, maar ik ben gewoon iemand die zich verdedigt’.

Een uur later hoor ik Bernard Pivot vertellen over zijn eerste ontmoeting met Karen Blixen: ‘ze werd genoemd voor de Nobelprijs, ik nodigde haar uit voor een déjeuner in restaurant Drouant, wilde haar fêteren. Toen ze binnenkwam wist ik dat dat een vergissing was: het was een insect, de magerste vrouw die ik ooit had gezien! Ze at één abrikoos. Haar man had haar bij wijze van huwelijkscadeau syfilis gegeven.’

Strijd en herinnering – dat lijkt de rode draad in de nieuwe Franse literatuur van de rentrée. Véronique Olmi ontrukt het lot van de Soedanese Bakhita aan de vergetelheid, Valentine Goby heeft een ‘choc amoureux’ voor verzetstrijdster Charlotte Delbo, Patrick Deville brengt in zijn nieuwe boek heel Frankrijk in kaart, Chantal Thomas (binnenkort in Amsterdam) herinnert zich hoe haar moeder in het zwemmen een beetje vrijheid vond, uitgeverij Noir sur Blanc viert dat ze 30 jaar geleden begon met een uitgeverij die een ‘passerelle’ tussen oost en west wilde zijn.

Op de péniche die vanuit Namur is vertrokken en naar Frankfurt vaart, waar Frankrijk dit jaar gastland is, kom ik kapitein Olivier Rolin tegen. De schrijver/reiziger komt binnenkort in residentie in Amsterdam. ‘Bereid je maar voor’, roept hij vrolijk, ‘ik ken niemand in Amsterdam, alleen jou!’