Le grand Meaulnes verstript

Op 1 juni 1905 ziet de negentienjarige student Henri-Alban Fournier in Parijs een mooie jonge vrouw de trappen van het Grand Palais afkomen. Het is een coup de foudre, hij volgt haar naar de Boulevard St. Germain, waar ze blijkt te wonen en blijft haar huis dagenlang observeren. ‘Wat bent u mooi!’, fluistert hij haar in het voorbijgaan toe. Hij volgt haar naar de kerk, spreekt haar na de mis aan, excuseert zich voor zijn brutaliteit. Ze voeren ‘une belle et mystérieuse conversation’. Een paar maanden later hoort Fournier dat ze diezelfde winter getrouwd is. Aan zijn vriend Jacques Rivière schrijft hij: ‘Deze keer is alle hoop vervlogen. Ik weet het sinds gisteravond. De pijn, die ik op dat moment nog niet zo voelde, steekt nu in alle hevigheid op’.



Het zijn zinnen die acht jaar later bijna letterlijk zouden terugkomen in de roman die een van Frankrijks eeuwige bestsellers zou worden, Le grand Meaulnes (twee jaar geleden opnieuw in het Nederlands vertaald door Mario Molegraaf), avonturenroman en Bildungsroman tegelijk, vol sprookjesachtige weemoed, romantiek en verlangen naar een verloren liefde. Het boek verscheen precies 100 jaar geleden, kreeg net niet de prix Goncourt, maar werd wereldwijd door miljoenen mensen gelezen en enkele malen verfilmd. Onlangs verscheen het voor het eerst in een stripversie, van Bernard Capo, waaraan het Institut français d’Amsterdam nu een bescheiden tentoonstelling wijdt. Capo’s stijl is klassiek, natuurgetrouw, precies, op het nostalgische af – en past zo qua sfeer wonderwel bij het boek. Capo tekent met pen op overtrekpapier, coloriste Marie-Paule Alluard brengt met de hand de kleuren aan, de tekstballonnen worden in kleurendruk toegevoegd.
Hoe komt het dat het boek tot op de dag van vandaag nog zo populair is dat het wordt verstript? Wat is er zo aantrekkelijk aan het verhaal van de vriendschap tussen twee schoolvrienden die in de loop van hun leven hun jongensdromen als een luchtbel uit elkaar zien spatten?Zit het hem in de sprookjesachtige setting van een kleine plattelandsschool, de spelletjes en rivaliteiten in het lieflijke landschap van de Berry? In de jarenlange zoektocht naar een meisje aan wie Meaulnes tijdens een bizar avontuur zijn hart heeft verpand? Ongetwijfeld. Wie een romantische geest heeft kan ook nu nog smelten voor de beschrijving van het magische, gekostumeerde kinderfeest op het kasteel waar Meaulnes terecht komt en treuren over zijn omzwervingen in een labyrint zonder draad van Ariadne. De lezer leeft mee met zijn boezemvriend, de verteller, die zijn geheim deelt en het begeerde meisje voor hem vindt – om haar weer te verliezen. Het blijft de roman bij uitstek van het getourmenteerde jongerenhart, verliefd, rusteloos, wanhopig op zoek naar de ander.
Honderd jaar geleden, in 1913, stond Europa aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, de wereld die men kende stond op het punt te verdwijnen. Fournier, bevriend met de dichter Charles Péguy, bewonderaar van de dichter-diplomaat Paul Claudel en de inmiddels zo goed als vergeten schrijfster Marguerite Audoux, trad niet in de voetstappen van de grote realistische negentiende-eeuwse romanciers Honoré de Balzac en Emile Zola. Zijn toon, zijn stijl, de sfeer die hij wilde oproepen waren eerder verwant aan de dichters en de romantici, Alphonse de Lamartine, Alfred de Vigny en vooral Gérard de Nerval. De beroemde kleine roman van Nerval, Sylvie uit 1853, lijkt voort te komen uit dezelfde bron van droom en fantasie en beweegt zich evenzo tussen sprookje en prozagedicht, in een verkenning van de  menselijke ziel.
Was Alain-Fourniers stijl voor zijn tijdgenoten al niet actueel of vernieuwend, een grotere de kloof tussen de hedendaagse adolescent en de verteller van Le grand Meaulnes is nauwelijks voorstelbaar. Alain-Fourniers personages houden hun emoties verborgen, veel blijft onuitgesproken. Het leven is langzaam en verstrijkt in zeeën van verveling. Besef van afstand, tijd en ruimte – niets is meer hetzelfde. Het boek beschrijft een wereld waarvan zelfs de laatste sporen zijn verdwenen.   
Juist daarom wordt het boek wellicht nog gelezen: Le grand Meaulnes is een literair lieu de mémoire, symbool van een voorbij tijdperk en een verdwenen Frankrijk, dat louter voortleeft in een romantisch collectief geheugen en alleen nog in literaire vorm kan worden gekoesterd. In hetzelfde jaar, 1913, verscheen het eerste deel van wat A la recherche du temps perdu zou worden, eveneens een poging vervlogen tijd, een verloren paradijs, te doen herleven.
Proust zou nog negen jaar krijgen om zijn meesterwerk af te ronden. Alain-Fournier stierf in 1914, op achtentwintigjarige leeftijd, bij gevechten om de Maas, een jaar na de publicatie van wat zijn enige roman zou blijven. Pas in 1991, 77 jaar later, zouden hij en 21 van zijn medesoldaten worden teruggevonden in een anoniem massagraf in de buurt van Verdun.

De strip verschijnt bij Casterman, € 16.

Villa Gillet presenteert de plannen voor de Assises du Roman 2013

Gisteren presenteerde de Villa Gillet in de boekhandel Les Minimes in Parijs haar plannen voor de Assises du Roman 2013, die dit jaar voor de zevende keer, in de week van 27 mei, in Lyon worden gehouden. Guy Walter, de bevlogen en energieke directeur van de Villa, nam het woord, samen met Raphaëlle Rérolle, journaliste bij het magazine van dagblad Le Monde en mede-initiatiefneemster van de Assises.


Weer zullen er grote schrijvers van uit de hele wereld spreken over actuele thema’s, voor een publiek van vele duizenden bezoekers. 
http://www.villagillet.net/portail/air/actualites/
De Villa Gillet, die zich richt op ‘recherches contemporaines’ organiseert niet alleen de Assises du Roman, maar is ook heel succesvol in de VS, waar, samen met Amerikaanse partners jaarlijks een groot evenement wordt georganiseerd op het snijvlak van literatuur, filosofie en sociale wetenschappen. 
http://www.villagillet.net/portail/walls-and-bridges/actualites/
Uitgangspunt van alle activiteiten van Walter en zijn team is een sterk inhoudelijk programma en een intense samenwerking met relevante partners. Ieder jaar slaagt Walter erin nieuwe grote sponsors te vinden voor zijn activiteiten, een knap staaltje cultureel ondernemerschap.


Institut néerlandais sluit eind dit jaar

Een prachtig instituut wordt toch definitief opgeheven – hoe bestaat het…

http://www.nrc.nl/nieuws/2013/02/08/institut-neerlandais-moet-eind-dit-jaar-de-deuren-sluiten/
En dit is het persbericht dat Buitenlandse Zaken en de Fondation Custodia lieten uitgaan:
http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2013/02/08/nieuwe-opzet-culturele-activiteiten-frankrijk.html

Haasses échte prozadebuut: Kle(e)ren maken de vrouw

Deze week verschijnt er een herdruk van Kle(e)ren maken de vrouw van Hella S. Haasse. Het verscheen vlak na de oorlog, in 1947, en het boekje is daarmee Haasses allereerste roman. Het is haar échte prozadebuut, vóór Oeroeg, dat een jaar later verscheen. Haasse schreef het boek in opdracht, voor de serie Carrière-Boeken van C.V. Allert de Lange, een reeks over beroepskeuze voor  ‘het oudere meisje’, waarin jonge vrouwen attent werden gemaakt op mogelijke toekomstperspectieven.



Het is, ook nu nog, een kostelijk boek, in de geest van Cissy van Marxveldt’s Joop ter Heul. Lezers die vroeger hebben gesmuld bij de Pitty op kostschoolreeks van Enid Blyton, zullen hun hart kunnen ophalen. Net als Sterrenjachtis het geen echte roman voor volwassenen – lezers die dat verwachten zullen teleurgesteld worden. Kleren maken de vrouw is een verhaal over twee vriendinnen, Reina en Abbie, die samen een zolderkamer aan het Singel in Amsterdam delen. Reina, het belangrijkste personage, heeft talent voor naaien en ambitie in de mode. Probleem is dat ze haar kostje moet verdienen en geen tijd heeft  daarnaast haar ideaal te verwezenlijken. Als ze een avondjurk maakt voor een vriendin die is uitgenodigd in adellijke kringen, oogst deze zoveel succes met haar jurk dat Reina door een rijke dame een studie aan een modeacademie wordt aangeboden. Ze schrijft zich in, is heel talentvol, serieus en al snel de beste van haar jaargenoten. Haar talent roept de jaloezie op van een verwend meisje uit de hogere klassen, die haar op achterbakse wijze probeert te benadelen, maar Reina, met haar goede hart, slaagt erin vriendschap met haar te sluiten. Haar vrolijke vriendin Abbie werkt op een kantoor, verzorgt alle huishoudelijke taken, is goed in verstelwerk, steunt haar vriendin en ontmoet via haar de man van haar leven.
Hoewel het naar onze huidige begrippen  – hoe kan het ook anders – een vrij zoetsappig verhaal is, moet het boek jonge vrouwen van toen hebben aangesproken. Het is goed geschreven, beschrijvingen en dialogen volgen elkaar snel op, het is geestig en toegeschreven op jonge vrouwen die werk zoeken en idealen koesteren.
Haasse laat zien dat ze – dan al – een vakvrouw is. Haar verhaal heeft vaart en om haar beschrijvingen en dialogen kun je nu nog glimlachen. Psychologisch is het boek zwak. De enorme goedheid die Reina tentoonspreidt ten opzichte van haar rivale (ze vergeeft haar alles en redt haar en passant ook nog uit een bordeel), getuigt van weinig mensenkennis. 
Reina is de eerste literaire afspiegeling die we van Hella te lezen krijgen. Herma (de hoofdpersoon uit Sleuteloog) zal, vele decennia later, de laatste zijn. Wat voor personage is Reina van Holten? Een meisje van rond de 20, wonend in een kamer hoog in een pand aan het Singel, met uitzicht op een ‘rij van bijzondere geveltjes: de barokke overdadigheid van een daklijst waarop twee levensgrote beelden van Minerva en Mercurius in een weelde van plooiende gewaden achteloos op hun ellebogen geleund lagen’. Een meisje dat als herkenningsmelodie voor haar vrienden’schel het beginmotief van Rachmaninoff’s tweede pianoconcert fluit’ en een bibliotheek bezit met ‘de verzen van Leopold naast het kookboek, de Bijbel geflankeerd door Murder on the Orient-Express en Le Rouge et le noirvan Stendhal, een wereldliteratuurgeschiedenis, en Rekel van Cissy van Marxveldt’. Aan de muur van hun kamer hangt een korenveld van Van Gogh en de Akeleid van Dürer. Een meisje, kortom, met een voorliefde en een eruditie die volledig overeenkomen met wat we weten van Hella op die leeftijd.
Reina is bovendien een meisje dat jong wees is geworden, is opgegroeid bij haar grootouders, tijdens haar studie kunstgeschiedenis lid is geworden van het AVSV en haar studie na de dood van haar grootouders heeft moeten opgeven.  Ze werkt sindsdien als verkoopster op de ‘kunst-afdeling van een der grote modezaken’, iets wat ze prettig vindt, want ze heeft ‘een aangeboren behoefte aan een omgeving met aesthetische en mooie dingen’. Ze gaat vaak naar de Schouwburg, heeft vriendinnen aan het toneel. Ze schrijft uitstekende brieven, weet een goed gesprek te voeren, houdt ervan verhalen uit het verleden te horen en beweegt zich ook verder zonder moeite in de hogere kringen. De parallel met de schrijfster is overduidelijk. Bovendien is haar personage knap en trekt ze ongewild snel de aandacht van mannen die ze vervolgens weer van zich af weet te schudden. Ze spreekt niet van ‘verliefdheid’, maar van ‘zielsverwantschap’, ze houdt er niet van als er een ‘schertsende flirttoon’ tegen haar wordt aangeslagen, maar zoekt ‘ ’n prettig soort geestelijk contact’. Aan ‘oppervlakkig-verliefd gedoe’ heeft ze het lak, liever is haar met jongemannen een contact ‘van mens tot mens’ hebben. Ook dit past in het beeld dat we hebben van de Hella van toen.
Opvallend – zeker voor die tijd – is het dat Reina er niet van houdt als mannen ‘meisjes met ambitie’ niet ‘au sérieux’ nemen. Ze wordt driftig als een jongen die haar het hof maakt verkondigt dat meisjes niet moeten werken, maar ‘er aardig uit (moeten) zien, ’n goeie smaak (moeten) hebben en gezellig (moeten) zijn’. Reina’s weerwoord dat dat ‘archaïsche theorieën’ zijn en dat juist ‘de meest aantrekkelijke meisjes diegenen zijn die het hardst studeren’, komt haar op een beschuldiging van ‘feministe!’ te staan. Ze wil ook, als ze uitgaan, haar eigen financiële aandeel betalen, wat bij de heren niet in goede aarde valt.
Het boek eindigt met een mooie moraal, opgetekend uit de mond van Reina: ‘Werk is altijd belangrijk (…). Je moet het zelf doen
– je moet ervoor werken, voor vechten. Je krijgt geen roem of succes cadeau – je kan ’t alleen maar máken door aan te pakken’. Reina/Hella geven daarbij beiden het goede voorbeeld.
Het boekje is inderdaad het prozadebuut van Hella S. Haasse, maar het serieuze werk, haar échte eerste roman, zou toch pas een jaar later verschijnen.

Jacky Kennedy, Susan Sontag en Angela Davis: een jaar in Frankrijk

Op 16 september 1963 was de negentienjarige Afro-Amerikaanse Angela Davis, die een jaar in Frankrijk studeerde, in de Zuid-Franse stad Biarritz. In een café las ze de Herald Tribune, die op de eerste pagina verslag deed van een bomaanslag in Birmingham, Alabama, haar geboortestad. Vier meisjes uit haar buurt waren bij de aanslag omgekomen, waaronder haar beste vriendin. ‘Duizenden woedende negers kwamen uit hun huizen tevoorschijn’, las ze, ‘de politie vocht twee uur lang en schoot in de lucht om hen onder controle te krijgen’. De laatste regels van het stuk maken melding van een wegrijdende auto die was gezien, ‘mannen met een donkere huid, die zowel blanken als negers konden zijn’. Heel haar leven zou Davis zich de schok herinneren die het artikel bij haar teweeg bracht, en dan vooral de ‘vijandige ondertoon’ van het stuk en de ‘angst voor de zwarte woede’ die eruit sprak.
Daarna las ze wat Paris Match en L’Humanité over de aanslag schreven: die spraken van racistische terreur die in het zuiden van de VS nog niet ten einde was, ze verdiepten zich in de context, citeerden uit speeches van politici aan de vooravond van de aanslag, die leken op te roepen tot geweld. Davis leerde dat nieuws niet overal hetzelfde wordt gebracht: ‘objectiviteit is altijd iemands objectiviteit’. In datzelfde jaar zou ze zien dat de Franse pers dan wel openlijk kritiek kon hebben op Amerikaans racisme, maar dat de toon die werd aangeslagen over het geweld tegen Algerijnen in eigen land van eenzelfde soort ‘objectiviteit’ getuigde.
Het is maar een van de vele culturele bruggen in Dreaming in French van Alice Kaplan, hoogleraar Franse literatuur aan Yale University en auteur van de in 1993 zeer goed ontvangen ‘memoir’, French lessons. Na de Tweede Wereldoorlog brachten duizenden jonge Amerikanen veelal uit welgestelde gezinnen een jaar in Frankrijk door. Ze werden vaak ondergebracht bij Franse gezinnen van gegoede afkomst in Parijs. In haar boek beschrijft Kaplan hoe het drie vrouwen verging wier naam en faam later de wereld over zouden gaan: Jacqueline Bouvier, de toen toekomstige first lady van de VS, die in 1949-1950 in Parijs verbleef; de schrijfster en essayiste Susan Sontag, die in 1957-1958 Parijs verkende en Angela Davis, de latere politieke activiste en hoogleraar die in 1963-1964 Frankrijk doorkruiste. Alledrie droomden ze als jonge vrouwen van Frankrijk, allemaal kwamen ze in een ander soort Frankrijk terecht. Ieder zou de rest van haar leven putten uit de ervaringen van dat ene jaar. Ook aan dat laatste besteedt Kaplan, in haar boeiende en uitstekend geschreven boek, uitgebreid aandacht. Wat de mannen er allemaal uithaalden weten we al, schrijft ze, de macho-ervaringen en seksuele uitspattingen van Norman Mailer, Saul Bellow, Arthur Miller en James Baldwin zijn dankzij hun literaire oeuvre net zo bekend als een tour met de ‘bâteau mouche’ van Parijs. Maar het verhaal van de vrouwen, die zich vooral wilden onderdompelen in een nieuwe taal, in de codes van het land van kunst, cultuur en het intellectuele leven par excellence – dat is zo goed als onbekend, omdat het geen deel is gaan uitmaken van de  Amerikaanse emigrantenliteratuur.
Jacqueline Bouvier ging vijf jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog naar Frankrijk, een land volop bezig met de wederopbouw waar vrouwen net kiesrecht hadden gekregen. Bouvier, wier grootvader auteur was van een boek waarin hij zijn familie van Franse koningen liet afstammen, huurde een kamer bij een aristocratische familie. Een aantal van hen was, zoals vaak in die kringen, in een concentratiekamp omgekomen. Bouvier leerde Frans, ging uit, raakte verslingerd aan de Franse mode, las Proust, ontmoette jonge studenten van de Ecole Polytechnique (onder wie Valéry Giscard d’Estaing) en sloot vriendschappen voor het leven. Eenmaal aan de zijde van John F. Kennedy was zij het die de politieke ego’s in hun milieu beoordeelde: het lezen van Proust en Saint-Simon had van haar een expert in duiding gemaakt. ‘Ik ben de man die Jacqueline Kennedy naar Parijs begeleidde’, zei de Amerikaanse president na hun eerste bezoek aan de Franse hoofdstad. Dankzij haar vriendschap met cultuurminister André Malraux werd, voor het eerst in de geschiedenis, de Mona Lisa in Washington tentoongesteld. Het echtpaar zou de perfecte verpersoonlijking blijven van de Frans-Amerikaanse alliantie in die tijd. Later, na haar vijftigste, zou ze als uitgever bij Doubleday boeken uitgeven over het Parijs van na de bevrijding en over de Franse vrouw in de 17e en 18e eeuw.
Viel Jacqueline Bouvier vooral voor de esthetiek van de Franse cultuur, Susan Sontag was op zoek naar zelfkennis. Ze ondernam een seksuele ontdekkingstocht en ging op in de intellectuele kant van het Parijse bestaan. Vierentwintig was ze toen ze naar Parijs ging om haar droom te realiseren, getrouwd en moeder van een vijfjarige zoon, die ze achterliet. Voor haar geen Parijs’ societyleven, maar café- film- en theaterbezoek, een onderdompeling in het oeuvre van Sartre, Robbe-Grillet en Camus. Voor Sontag geen speciale taalcursus en georganiseerde inwijding in de Franse zeden, zij maakte haar eigen Franse grammaticaboek in de vorm van lijstjes, zoals ze haar hele intellectuele vocabulaire vormgaf (‘Je l’aime beaucoup’ is MORE than ‘Je l’aime bien’, but LESS than ‘Je l’aime’). Toen Sontag zich in Frankrijk bevond, zat het land middenin een heftige strijd aan de vooravond van de Algerijnse onafhankelijkheid, in Parijs vonden aanslagen plaats. Vreemd genoeg, schrijft Kaplan, is daar in Sontags dagboeken geen letter over te vinden, ‘typical of many young women her age’. Haar aandacht ging meer uit naar haar persoonlijke ontwikkeling.
Eenmaal terug werd Sontag de grootste pleitbezorger van de Nouveau Roman en de Nouvelle Vague in de VS, van het structuralisme, van filosofen als Foucault en Roland Barthes. Later werd ze algemeen beschouwd als ‘the expert on French topics’. Kaplan trekt een parallel tussen de Nouveau roman-voorman Alain Robbe-Grillet en Sontag: beiden werden in eigen land meer bewierookt naarmate hun faam in het overzeese land groeide.
Vier jaar nadat Sontag naar de VS was teruggekeerd en haar man in de aankomsthal had aankondigd dat ze wilde scheiden, vertrok de tweedejaars studente Angela Davis naar Parijs. De Algerijnse onafhankelijkheid was een feit, Davis zag de Franse soldaten terugkeren, er werd gestaakt en gedemonstreerd, Frankrijk likte zijn wonden en boog zich over zijn nationale waarden. Davis, ‘op zoek naar seksuele vrijheid en intellectueel raffinement’, was getuige van ‘een migratiedrama, de hogedrukpan van rassenintolerantie en economische misère’ – een situatie waarvoor ze als zwarte vrouw uit een land waar racisme nog hoogtij vierde gevoeliger was dan haar blanke medestudenten. Ze verdiepte zich in de Franse filosofie, ging door naar Duitsland om er bij Adorno verder te studeren, vertrok naar Cuba en werd de intellectueel en de communistische po
litieke activiste die in 1970 van moord beschuldigd zou worden. Vierhonderd Franse intellectuelen – van Louis Aragon tot Nathalie Sarraute, van Juliette Gréco tot Marguerite Duras – tekenden een petitie waarin om haar vrijlating werd gevraagd, duizenden Fransen gingen de straat op.
Wat hebben de drie zo verschillende vrouwen uit dit boek gemeen, behalve dat ze allemaal droomden van Frankrijk en publieke persoonlijkheden werden? ‘France secured them’, schrijft Kaplan. Dat is wellicht wat overdreven, maar Kaplan toont overtuigend aan dat ze wezenlijk gevormd werden door de Franse cultuur: hun leven en werk waren doordrenkt van Proust, de denkbeelden van Sartre en de nouveau roman. Hun denken was gevormd door de veellagige geschiedenis, door het leren van een vreemde taal, hun kennismaking met het Franse savoir vivre en intellectueel debat. De rest van hun actieve leven bleven ze in dialoog met het land waarvan ze hielden, waar ze zich thuis voelden – passeurs tussen twee culturen.
Wellicht is het element dat hen het meeste bindt, de gedeelde behoefte aan een ‘counterlife’, een schaduwleven waarin ze zich in gedachten konden terugtrekken en zich konden laven aan herinneringen en vriendschappen. Vooral hadden ze het inzicht verworven dat er elders een wereld was waar op een andere manier werd gedacht, waar anders tegen de zaken werd aangekeken en waar, eventueel, altijd een ander leven mogelijk was.
Margot Dijkgraaf
Alice Kaplan: Dreaming in French. The Paris years of Jacqueline Bouvier Kennedy, Susan Sontag and Angela Davis, The University of Chicago Press, € 25,95.

Leestips voor docenten Frans (en anderen natuurlijk)

Dit zijn de boeken die ik in meer of minder detail behandelde tijdens de workshop op de docentendag Frans, 13 november 2012, in Nieuwegein.
Mathias Enard, Rue des voleurs, Actes Sud
Atiq Rahimi, Syngué Sabour, P.O.L.
Maudit soit Dostoïevski, P.O.L.
Florence Noiville, L’attachement, Stock
Marie NDiaye, Trois femmes puissantes, Gallimard
Alexis Jenni, L’art français de la guerre, Gallimard
Vassilis Alexakis; L’enfant grec, Stock
Thierry Beinstingel: Ils désertent, Fayard
Patrick Deville: Pest & Choléra, Le Seuil
Joël Dicker: La Vérité sur l’Affaire Harry Quebert, Ed. de Fallois/L’Age d’homme
 Jérôme Ferrari: Le sermon sur la chute de Rome, Actes Sud
Joy Sorman: Comme une bête, Gallimard
In de reeks Découvertes Gallimard verscheen een boekje over de geschiedenis van de prix Goncourt.
Olivier Rolin: Un chasseur de lions. Le Seuil.
Jean-Philippe Toussaint: La vérité sur Marie, Minuit
L’urgence et la patience, Minuit
Nieuwe brieven van Belle van Zuylen, Koninklijke Bibliotheek (via website te bekijken)
Colette, J’aime être gourmande, L’Herne
Lydia Flem, Comment je me suis séparée de ma fille et de mon quasi-fils, Le Seuil
Jean Echenoz: Ravel, 14
Amin Maalouf: Les désorientés, Gasset
 Khaled al Khamissy: Taxi, Actes Sud
Alaa el Aswany, L’immeuble Yacoubian, Actes Sud
Tahar Ben Jelloun, Bonheur conjugal, Gallimard
Morgan Sportès :Tout, toute de suite, Fayard
Emmanuel Carrère: D’autres vies que la mienne, P.O.L.
Jonathan Littell: Les bienveillantes, Gallimard
Mauvignier: Des hommes, Minuit
Irère Némirovsky
Aurélien Bellanger: La théorie de l’information, Gallimard
Maylis de Kerangal: La naissance d’un pont, Verticales
Voor meer actualiteit, volg mijn blog:
www.margotdijkgraaf.nl
en de website van Academisch-cultureel centrum SPUI25 in Amsterdam:
www.SPUI25.nl

Over de nieuwe Jens Christian Grøndahl

Het wachten op een nieuwe Grøndahl duurt altijd te lang. Liefst lees je iedere maand zo’n fijngevoelige roman in prachtig tastend taalgebruik, die je nuancerend, filmisch en poëtisch vertelt hoe het leven eruit ziet. En nu is er weer een, met een prachtige, typisch Grøndahliaanse titel, Voordat we afscheid nemen. Een aankondiging van verlies, een van de grote thema’s van de Deense meesterschrijver.



Als altijd lees je Grøndahls eerste bladzijden met extra aandacht. Daarin balt hij vaak zijn zijn hele boek samen, daarin kondigt zich alles aan, van daaruit ontrolt het verhaal zich. ‘Ze schaatste in een grote boog het verlaten ijs op’, luidt ditmaal de eerste zin. Een bevroren ven, tussen Deense dennen, ‘onder de stille hemel’. Een vrouw heeft sinds jaren weer eens schaatsen ondergebonden, ze heeft ze nog niet eerder uit de verhuisdozen gehaald, die dozen ‘die ze had meegebracht en nooit opengemaakt toen ze bij hem introk’. Maar op deze dag dus wel. De man staat aan de kant, handen in de zakken, kleumend, hij was ‘afgevallen en daardoor hing zijn oude huid losser om zijn botten’. ‘Voor de verandering’ heeft hij geen camera bij zich. Zij herinnert zich het gevoel van vrijheid dat het schaatsen geeft, ‘een vergeten vaardigheid die weer ontwaakte’. Je ziet het beeld voor je, als een verstild schilderij van Edward Hopper dat een verhaal vertelt waarnaar het gissen blijft, de lichtval op het ven, duisternis in het omringende woud, twee nietige, eenzame gestalten.
In het eerste deel van de roman ontrolt zich het verhaal van de jonge vrouw, Barbara, en haar twee keer zo oude man, Marcus. Zij, te vondeling gelegd in Calcutta, geadopteerd, medewerkster van een uitgeverij en ‘weekendcosmopoliet’, hij gevierd fotograaf, meer op reis dan thuis, ‘melancholieke nomade’ behorend tot de mensen ‘die al vijfentwintig jaar de cultuur bepaalden’. Ze leven ‘in de tegenwoordige tijd, de rest was gearchiveerd’. Marcus maakt een eind aan hun relatie en vertrekt naar Soedan.
Waarom? Waarom nu? Wat steekt erachter deze relatie? Waar komen deze mensen vandaan? Wat is het geheim? Dat zijn de vragen die je je als lezer stelt, aan het einde van het eerste deel, vragen waarmee je het tweede deel ingaat. Maar nee, de film is ruw in tweeën geknipt, de voorbode van diepgang blijkt een illusie, de schaatster lijkt definitief in een wak verdwenen. We maken kennis met andere personages, andere ontheemden, met getrouwde mannen die liever vrij waren, met vrouwen die zo hun eigen professionele en persoonlijke problemen hebben, met tijdgenoten in wier leven we niet werkelijk geïnteresseerd zijn omdat we op het spoor van dat ene, enigmatische stel zijn gezet. Dat spoor kronkelt in de marge nog een beetje verder, komt wel terug, maar ontvouwt zich uiteindelijk niet. Als lezer word je tegen het einde van het boek overvallen door een gevoel van teleurstelling. De vrouw die zo veelbelovend het verlaten ijs op schaatste is blijven steken in die mooie eerste boog.
Jens Christian Grøndahl: Voordat we afscheid nemen. Vertaald door Annelies van Hees. Meulenhoff. 288 blz. Prijs € 19,95
  
   

Prix Goncourt 2012 voor Jerôme Ferrari

De Goncourt 2012 is vanmiddag toegekend aan Jerôme Ferrari voor zijn roman Le sermon de la chute de Rome. Dat maakte de secretaris van de jury van de Académie Goncourt, Didier Decoin, om 12.45 uur vandaag bekend, traditiegetrouw in restaurant Drouant, in het 2e arrondissement van Parijs. Daarmee is Ferrari voor de rest van zijn leven financieel onafhankelijk en hoeft ook zijn uitgeverij, Actes Sud, zich voor komend jaar geen zorgen te maken. Tot nu toe werden er al 90.000 exemplaren van het boek verkocht, later deze week liggen er – voorlopig – nog eens 150.000 in de winkel.


Als een hele grote verrassing kwam de bekroning niet – Ferrari gold al weken als een van de twee grote favorieten, zeker sinds Le monde des Livres, de boekenbijlage van het dagblad, op 23 augustus opende met een bijzonder lovende kritiek plus interview met de 44-jarige schrijver. Toen de prix Femina afgelopen maandag aan Patrick Deville werd toegekend, leek Frankrijks belangrijkste literaire prijs Ferrari niet meer te kunnen ontgaan. Zijn zesde, bijzondere roman speelt zich grotendeels op Corsica af. De auteur, tegenwoordig verbonden aan het Institut Français van Abu Dhabi, doceerde er na zijn studie filosofie aan een lyceum in Ajaccio en werd, zo vertelde hij aan Le monde, twee jaar lang gegrepen door de nationalistische geest die er al decennia op het eiland heerst. Hij vertaalde in die tijd ook twee romans uit het Corsicaans naar het Frans.  ‘Voor het eerst sleept een Corsicaanse schrijver de grootste Franse prijs in de wacht’, kopte de Corse Matin trots, luttele minuten nadat de bekendmaking had plaatsgevonden.
De twee hoofdpersonen uit Ferrari’s boek zijn jongens die in Parijs gaan studeren, ontdekken dat hun hart daar niet ligt, hun studie aan de wilgen hangen en terugkeren naar Corsica, waar ze, in the middle of nowhere, een bar openen. Hun ziel en zaligheid stoppen ze in het runnen van die bar, ze investeren, nemen goed uitziende, single door het leven gaande bardames aan voor de klandizie en weten van hun dorp de best lopende toeristische trekpleister van het eiland te maken. Zelf nemen ze het er ook van, drank, seks, binnenstromende pecunia – het lijkt niet op te kunnen. Maar Corsica blijft Corsica: al snel ligt er een revolver binnen handbereik achter de bar.
De nationalistische strijd uit de jaren 90, het geweld tussen rivaliserende groepen en de aanslagen die prompt met nieuwe aanslagen werden beantwoord zijn niet direct onderwerp van de roman. Ze vormen er wel de achtergrond van. Ferrari ziet het groot: het mini-imperium van de bar op Corsica staat voor Rome, voor Frankrijk, voor het Franse koloniale rijk, nee: voor alle koloniale imperia en voor héél Europa. Imperia gaan ten onder en zo gaat ook de harmonie in het Corsicaanse minikoninkrijkje scheuren vertonen. Ruzie om geld, om vrouwen, rivaliteit, jaloezie, vreemde blikken van buiten, verschillende toekomstvisies – ze gooien roet in het eten en leiden uiteindelijk tot de onontkoombare catastrofe die je al vanaf de eerste bladzijde voelt aankomen.
De titel van de roman, Le sermon de la chute de Rome, verwijst – enigszins pretentieus – naar de preek van kerkvader Augustinus over de val van Rome, in 410. De val en plundering van Rome legt hij uit als een waarschuwing van God. Ieder hoofdstuk opent Ferrari met een citaat uit diens preek, in het laatste hoofdstuk legt de auteur – voor wie het nog niet helemaal heeft begrepen – nog eens helemaal uit wat dat nu precies was, de val van Rome, hoe hij al die referenties in zijn roman nu bedoeld heeft. Er hangt een doem over de mensheid, er voortekenen van het einde, de Apocalyps is niet ver meer. Europa, berg je maar.
Ook Ferrari’s andere personages refereren aan werelden die op hun laatste benen lopen en die inmiddels ten onder zijn gegaan: Indochina, Algerije, het hele voormalige koloniale rijk van Frankrijk is immers, na met bloed en te zwaard te zijn veroverd en verdedigd, roemloos verdwenen – met alle littekens van dien. De Franse functionarissen in het boek zijn ‘niet gekomen om beschaving te brengen’, – nee, die hebben ze zelf niet eens gekend -, maar om eindelijk ‘het leven te leiden dat (ze) verdienen’. En nu zitten ze daar ‘in dat koninkrijk van barbaarse droefenis aan het uiteinde van het Imperium’. Hun vrouwen sterven, hun eigen lichaam rot weg in het tropische klimaat van Indochina of Afrika. Ze zien hoe het imperium ineenstort, doem en verderf is overal.
,,In de jaren 90 raakte Corsica ook steeds leger”, vertelde Ferrari vanmiddag voor de microfoon van France Culture, ,,er vielen veel doden, mensen trokken weg, er bleven steeds meer vervallen en verlaten dorpen over. Het cliché van Corsica is gewoon waar. Daarom voegen mijn personages zich ook naar dat cliché. Hun lot is onontkoombaar, hun wereldje gaat ten onder”.
De vele vertalers die zich nu wereldwijd aan het werk gaan zetten, zullen een harde dobber hebben: het taalgebruik van Ferrari kent vele registers, van religieus en bijbels tot scabreus, poëtisch en hoogdravend, zijn zinnen beslaan niet zelden meer dan enkele pagina’s (Proust heeft hij niet gelezen, vertelde hij in een interview). Hij rijgt zinnen met komma’s aan elkaar, schrijft nauwelijks dialogen, heeft een groot gevoel voor ritme en speelt met alle tijdsvormen (terugblikken, vooruitblikken) die je je maar kunt voorstellen. Het maakt de Goncourt van dit jaar tot een roman vol historisch besef die een dreigende brug slaat naar het heden, met een zwarte ondertoon, een roman die zich niet aan je geeft, maar die je moet veroveren. Een roman ook die zich plaatst in de recente trend waarbij Frankrijk terug is in de Franse literatuur.
De andere genomineerden waren Patrick Deville, met Pest & Choléra (Le Seuil), bekroond met de Prix Femina; Joël Dicker, met La Vérité sur l’Affaire Harry Quebert (Ed. de Fallois/L’Age d’homme) die vorige week de Grand Prix de l’Académie française kreeg en Linda Lê met haar roman Lame de fond. Matthias Enard, wiens roman Rue des Voleurs, buiten de derde en
laatste Goncourtselectie viel, werd vorige week op de boekenbeurs van Beyrouth bekroond met Le Choix de L’Orient, een afgeleide van de prix Goncourt, gekozen uit de eerste nominaties door studenten Frans aan een veelheid van Arabische universiteiten.
Tegelijk met de prix Goncourt werd bekend gemaakt dat de Frans-Rwandese schrijfster Scholastique Mukasonga de prix Renaudot krijgt voor haar roman Notre-Dame du Nil (Gallimard).
Margot Dijkgraaf
Jérôme Ferrari: Le sermon sur la chute de Rome, Actes Sud, 202 blz, € 19

Agenda november 2012

Zondag 11 november: lezing op het Bronbeek-symposium van de Werkgroep Indische Letteren. ’20 juli 1938, de overtocht’.
Dinsdag 13 november: lezing over recente Franse literatuur op de Docentendag Frans, Nieuwegein.
Woensdag 14 november: uitreiking Erasmusprijs aan Daniel Dennett, Amsterdam
Vrijdag 23 november: interview met Spinozalenswinnaar Pierre Rosanvallon en Willem Schinkel, De Rode Hoed, Amsterdam
Woensdag 28 november, Institut Français, interview met Alexis Jenni, Goncourtwinnaar 2011
Donderdag 29 november, Dag van de Literatuur, interviews met Nelleke Noordervliet, Annejet van der Zijl, Peter Buwalda en Herman Koch
Vrijdag 30 november, moderating the workshop Dimensions in Culture, Getting smaller in Europe, Brussel
Zondag 2 december, interview met Cees Nooteboom, Amstelveen

Prix Goncourt 2012 – Wie zijn de kanshebbers?

Frankrijk is terug in de Franse literatuur. Dat mag vreemd klinken, toch is het een belangrijke recente trend. Waar de Franse romans de afgelopen jaren veelal naar het verre buitenland keken, naar lang vervlogen tijden of juist naar de zieleroerselen van het eigen ‘ik’, is Frankrijk nu, in alle opzichten, terug in de recente literatuur. Franse wetenschappers, de Franse werkvloer, Franse oorlogen, de Franse obsessie met Amerika, de Franse koe, de Franse broederschap met Griekenland – allemaal thema’s die terugkomen in de acht voor de prix Goncourt 2012 genomineerde romans. Samen geven ze een goed idee  van wat Frankrijk momenteel bezighoudt.
,,Het lijkt er inderdaad op dat schrijvers hun zelfhaat, de haat voor het vaderland, hebben overwonnen”, zegt Antoine Compagnon, hoogleraar Franse literatuur aan het prestigieuze Collège de France, ,,er wordt weer over Franse zaken geschreven, over oorlogen, conflicten uit de Franse geschiedenis. Misschien duidt dat erop dat schrijvers hun schaamte over het Franse verleden, over het kolonialisme, overwinnen”. Vijf jaar na De welwillenden van Jonathan Littell, bekroonde de Académie Goncourt vorig jaar bijvoorbeeld al het oorlogspanorama van de biologieleraar Alexis Jenni, waarin hij zonder schroom het Franse koloniale verleden fileerde.
Een van de twee gedoodverfde favorieten voor de Goncourt van dit jaar, de roman Le sermon sur la chute de Rome, van Jerôme Ferrari, raakt ook aan die gevoeligheden van het Franse kolonialisme. Ferrari (1968) beschrijft het leven van enkele functionarissen in het ineenstortende Franse koloniale rijk. Ze zijn ‘niet gekomen om beschaving te brengen’, – nee, die hebben ze zelf niet eens gekend -, maar om eindelijk ‘het leven te leiden dat (ze) verdienen’. En nu zitten ze daar ‘in dat koninkrijk van barbaarse droefenis aan het uiteinde van het Imperium’. Hun vrouwen sterven, hun eigen lichaam rot weg in het tropische klimaat van Indochina of Afrika. Rode draad in het boek is het leven van twee jonge vrienden die hun studie eraan geven en op Corsica, in the middle of nowhere, een bar openen. Hun ziel en zaligheid stoppen ze in het runnen van die bar, als stonden ze aan het hoofd van een imperium. Maar zoals imperia ten onder gaan, zo gaat ook de harmonie in het Corsicaanse minikoninkrijkje scheuren vertonen. De titel – een enigszins pompeuze vergelijking voor een drama in een Franse bar – refereert aan de preek van kerkvader Augustinus over de val van Rome, in 410. De val en plundering van Rome legt hij uit als een waarschuwing van God. Er hangt een doem over de mensheid, suggereert Ferrari, de Apocalyps is niet ver meer. Enige hoogdravendheid in thematiek en in taalgebruik kan Ferrari niet ontzegd worden.
Dat geldt zeker niet voor de andere veel genoemde favoriet, Peste & Choléra, de biografische schets van Patrick Deville. Het boek van Deville (1957) gaat over Alexander Yersin, een Franse wetenschapper uit het team van de beroemde microbioloog Pasteur en de uitvinder van ‘yersinia pestis’, de pestbacil. Het is een van de boeken deze rentrée – en ook dat is een trend in de recente Franse literatuur – die gebaseerd zijn op een wetenschappelijke of technologische ontdekking. Fascinatie voor zo’n tastbaar onderwerp en verbeeldingskracht gaan hand in hand. Dat doet Deville schitterend en zijn portret van de man die als een komeet door de wetenschap schiet is origineel en aanstekelijk. Ontdekkingsreiziger, bioloog, astronoom, geograaf, zeevaarder, architect, brievenschrijver, de man die als eerste fietste, de pionier van de rubberwinning  – Yersin was het allemaal. In korte, precieze zinnen, heen en weer springend in de tijd, zonder psychologie en met veel humor kenschetst Deville zijn held. ‘Hij moet overal altijd alles van weten’, schrijft hij over zijn  ondernemende wetenschapper die vond ‘dat je toch geen leven had, als je niet onderweg bent’. En dan volgt er weer een nieuw verbluffend detail over barometers of een relaas over het houden van kippen. ‘Wetenschap is, net als poëzie, maar één stap verwijderd van de waanzin’, schrijft Deville ergens.
Ook in de andere nominaties zit af en toe een flinke dosis waanzin. Menselijke obsessies, daar wemelt het van. Neem bijvoorbeeld Pim, een Franse jongeman die er alles voor over heeft om een goede boterham te verdienen. Slager wil hij worden, een eerzaam beroep met toekomst: in Frankrijk, het land dat het Amerikaanse fastfood van oudsher met argusogen bekijkt, zal men altijd houden van een goed stuk vlees van eigen bodem. Stap voor stap neemt schrijfster Joy Sorman (1973) ons mee in zijn opleiding tot slager, laat ons slachthuizen bezoeken en vrieskisten bestuderen, stallen vol varkens en koeien – allemaal via het hoofd van Pim, een slager in spe die zich volledig vereenzelvigt met de dieren die hij zo prachtig leert uit te benen. Empathie en professionele ambitie vormen in deze roman een origineel, vreemdsoortig, tot ontsporing leidend duo.
De werkvloer – dat is ook het onderwerp van Ils désertentvan Thierry Beinstingel (1958): hoe te overleven in een bedrijf dat steeds een steeds hogere produktie van zijn personeel eist, dat oudere werknemers de laan uitstuurt en jonge ambitieuze vrouwen seksistisch behandelt? Vertrekken – de titel geeft het al aan. Een prangende roman over de knellende economische crisis en zijn directe gevolgen.
Drie romans uit de Goncourtselectie komen dit jaar van buiten Frankrijks grenzen. Geen van hen heeft het kaliber van ‘het nieuwe literaire bloed’ dat in de afgelopen jaren regelmatig bejubeld werd. De van oorsprong Vietnamese Linda Lê (1963) blijft met haar roman Lame de fonds bij haar thematiek van exil, dood en schuldgevoel. De Frans-Griekse auteur Vassilis Alexakis (1943) roept door de ogen van zijn oude alter ego een hele caleidoscoop van literaire bewoners van het Parijse parc du Luxembourg tot leven. Amerika tenslotte, het land waarmee veel Fransen een obsessieve relatie hebben – positief of negatief -, is het onderwerp van de roman van de Zwitser Joël Dicker (1985). De auteur heeft de principes van de Amerikaanse creative writing goed bestudeerd: zijn boek heeft een snelle opening, een flinke dosis suspense, verhaalt van een oude moord en een troebele liefdesgeschiedenis.
De wat mij betreft beste roman van deze rentrée, een die de Goncourt ten volle zou verdienen, is Rue des Voleurs van Mathias Enard (1972). Van deze schrijver met visie en engagement, die excelleert in variatie, stijl en sterke onderwerpen, verscheen vorig jaar Vertel hen over koningen, veldslagen en olifanten. Zijn nieuwe roman is de enige van de acht nominaties die niet specifiek over Frankrijk gaat – en die toch staat  in het hart van wat het land bezigh
oudt. Het gaat over Europa, over de werkloosheid in Spanje, de toestand van Griekenland, over de Arabische lente, de verhulde opkomst van het fundamentalisme op het Europese continent, de positie van de vrouw in Noordafrikaanse landen en ook over liefde, ziekte en trouw. Aan de hand van het parcours van een Marokkaanse jongen neemt Enard Europa de maat. Het boek staat middenin de actualiteit, verkent onze tijd, kijkt naar het leven van de gewone Europeaan, die het op de achtergrond steeds harder hoort donderen. Wie ben ik en wie is die ander? Hoe verder? Al deze vragen heeft Enard verpakt in een spannende, soms schokkende roman met een volledig onverwacht einde.
Hoe de stemming tijdens de laatste lunch van de jury, op 7 november a.s., zal uitpakken blijft, twee weken van te voren, koffiedik kijken. De commerciële belangen zijn, in tijden van crisis in het boekenvak, enorm. De machtige uitgeverijen in de ‘galligrasseuil’-conctie zetten de juryleden flink onder druk. Gallimard had vorig jaar de Goncourt, Le Seuil heeft al de Nobelprijswinnaar van dit jaar, de geruchtenmachine over buitenliteraire criteria draait op volle toeren. Als Patrick Deville op 5 november de prix Femina krijgt, dan is de kans groot dat de Goncourt op 7 november voor Ferrari is. Of andersom.
Maar lees vooral Rue des voleurs van Mathias Enard.
Vassilis Alexakis; L’enfant grec, 316 blz, Stock, € 20
Thierry Beinstingel: Ils désertent, Fayard, 252 blz, € 19
Patrick Deville: Pest & Choléra, Le Seuil, 220 blz, € 18
Joël Dicker: La Vérité sur l’Affaire Harry Quebert, Ed. de Fallois/L’Age d’homme, 664 blz, € 27,50
Matthias Enard: Rue des Voleurs, 252 blz, Actes Sud, € 21,50
Jérôme Ferrari: Le sermon sur la chute de Rome, Actes Sud, 202 blz, € 19
Linda Lê: Lame de fond, Christian Bourgois, 277 blz, € 17
Joy Sorman: Comme une bête, Gallimard, 165 blz, € 16,50
In de reeks Découvertes Gallimard verscheen een boekje over de geschiedenis van de prix Goncourt. 140 blz, € 14,70