Haïtiaanse schrijfster Kettly Mars writer in residence in Amsterdam

Op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds verblijft de Haïtiaanse schrijfster Kettly Mars een maand in het schrijversappartement aan het Spui in Amsterdam. Vanmiddag stelde ze, op verzoek van de organisatie Read my world, een paar collega-auteurs en andere kunstenaars en journalisten uit Haïti voor. Dat deed ze professioneel, prettig en gedegen. Via een skypeverbinding sprak ze met de schrijfster Evelyne Trouillot, met de radiojournalist Hérold Jean-François, met de schrijver/taalkundige Jean-Ephèle Milcé en met de dichteres Emily Prophète. 


Het is geweldig dat Read my world ons de gelegenheid geeft met een land, een taal, en haar kunstenaars kennis te maken – een land waarin enorm veel mensen analfabeet zijn, een land dat om de haverklap wordt getroffen door natuurrampen, een land dat een lange traditie heeft van dictatorschap. Maar hoe bloeiend is er het culturele leven, hoe actief en inventief zijn de kunstenaars, de musici, de dichters en de romanschrijvers. De wereldberoemde en alom vertaalde auteur Dany Laferrière is er een van de boegbeelden van. 
Maar zijn wij hier wel geïnteresseerd in het verre buitenland? Ik schat dat er een tiental niet gebonden toehoorders waren, vanmiddag in de OBA. Onvoorstelbaar treurig, voor een uitstekend initiatief, dat de vensters opent op de wereld, en dat een vervolg krijgt in september, met een driedaags festival in de Tolhuistuin, een cultureel centrum met potentieel, dat lijdt onder allerhande, technische, vertragende problemen. 

Over de laatst vertaalde roman van Kettly Mars schreef ik twee jaar geleden dit stuk in NRC. Binnenkort is ze in SPUI25 – komt haar beluisteren!

Nirvah Leroy wendt zich, in opperste wanhoop over het lot van haar opgepakte communistische echtgenoot, tot een machtige staatssecretaris in Haïti. Deze realiseert zich dat hij het lot van deze mooie vrouw in handen heeft. Ooit waren vrouwen van haar klasse onbereikbaar voor hem, maar nu ‘vertegenwoordigt ze datgene waarnaar meer dan naar al het andere op de wereld zijn begeerte uitging’. Nu heeft hij haar in zijn macht en stelt zich voor hoe hij haar ‘ruw zou (nemen), zonder een woord, zich bedwelmend aan haar klachten, genietend van de ontreddering in haar ogen op het moment dat hij klaarkwam’. Macht, onmacht en begeerte – dat zijn de belangrijkste thema’s in Wrede seizoenen, de onlangs vertaalde roman van de Haïtiaanse schrijfster Kettly Mars.
Mars is dit jaar een van de laureaten van het Prins Claus Fonds, personen die volgens het fonds allen een ‘uitmuntende prestatie op het gebied van cultuur en ontwikkeling’ hebben geleverd. Mars (1958, Port-au-Prince) wordt geëerd als een ‘krachtige en indringende schrijver die frisse inzichten heeft ten aanzien van de hedendaagse werkelijkheid en een levendig, genuanceerd beeld schetst van de Haïtiaanse maatschappij’.
Nu zijn er op Haïti veel schrijvers die een stem geven aan de historie en aan de recente politieke en klimatologische ellende die het land moet doorstaan. Ieder jaar is er een aantal te gast op het Franse festival Etonnants Voyageurs in St. Malo en sinds kort organiseert de organisatie ook een dochterfestival in Port-au-Prince. Tijdens de voorbereidingen voor het festival van dit jaar vond de verwoestende aardbeving plaats, waarbij ook enkele schrijvers het leven verloren. Dat drama heeft inmiddels tot aangrijpende literatuur geleid, zoals Tout bouge autour de moi van Dany Laferrière en de bundel Pour Haïti (ed.S. Dracius).
De Haïtiaanse literatuur ligt, zo lijkt het, aan het infuus van het dagelijks leven. De verhalen van de Haïtianen gaan bijna zonder uitzondering over het leven van alle dag in Haïti, over geweld, corruptie, chantage, willekeur en verscheurde families. De verhalen zijn vaak even chaotisch, even heftig als de geschiedenis van Haïti zelf.
Legendarisch is bijvoorbeeld Frankétienne, schrijver, toneelschrijver en schilder tegelijk, die zijn hele oeuvre à compte d’auteur liet drukken – een politieke en literaire mythe. Zijn boeken zijn volledig onorthodox, bevatten prozagedichten, kreten, opsommingen en een veelvoud van stemmen waarbij klank en vorm, zo lijkt het, belangrijker zijn dan inhoud of plot. Met alle creatieve middelen waarover hij beschikt vecht hij tegen de misère, tegen de corruptie, tegen degenen die om redenen van persoonlijk gewin de heropbouw en de vooruitgang belemmeren.
Ook zijn collega Lyonel Trouillot, die net als Frankétienne, ondanks de gevaren waaraan schrijvers in Haïti blootstaan, het land nooit verliet, schreef, in het Frans en in het Creools, een belangrijk oeuvre bij elkaar. Met zijn recente roman, La belle amour humaine, wat toegankelijker dan zijn eerdere werk, greep hij dit jaar net naast de prix Goncourt. De meest spraakmakende auteur uit Haïti is ongetwijfeld de eerder genoemde Dany Laferrière. Zijn werk is verrassend, vernieuwend, satirisch en vaak erg geestig. Ook andere bekende in het Frans schrijvende auteurs uit Haïti – er zijn ook Haïtiaanse auteurs die in het Engels schrijven, zoals Edwige Danticat – zoals Marie-Cécile Agnant, Yanick Lahens en Evelyne Trouillot, blijven dichtbij de verwarrende ervaring van de hedendaagse Haïtiaan.
Waar binnen dit panorama bevindt zich de gelauwerde Kettly Mars en haar roman Wrede seizoenen? Saisons sauvages is haar vierde roman uit 2010, een boek met een plot, dat een verhaal vertelt op de Amerikaanse manier. Bij haar geen taal-, vorm- of ritme-experimenten, geen humor of uitgesproken poëtisch taalgebruik, zoals bij andere Franstalige Haïtiaanse auteurs. 
Mars schreef eerst poëzie en debuteerde in 2003 met Kasalé, een roman over natuur, spiritualiteit en ongrijpbare lokale tradities. Eerder dit jaar publiceerde ze, samen met collegaschrijver Leslie Péan Le prince noir de Lillian Russell, een roman over de gelijknamige vaudeville-ster, gesitueerd in het 19e eeuwse New York.
In Wrede seizoenen vertelt ze over de cruciale vragen waarvoor haar vrouwelijke hoofdpersoon, Nirvah Leroy, wordt gesteld als haar man Daniel door het dictatoriale regime van Duvallier wordt opgepakt. De machtige staatssecretaris beschikt over diens leven en ook over dat van haar en haar twee kinderen. Het is haar lichaa
m dat hij begeert, het mooie lichaam van een mulattin waarvan hij vroeger, voordat hij aan de macht kwam, alleen maar kon dromen. Ze wordt zijn obsessie, zijn leven en zijn zwakke plek. Al snel is alleen haar lichaam hem niet genoeg: hij eigent zich haar 15-jarige dochter toe en uiteindelijk ook nog het onschuldige jongenslijf van haar zoon. Nirvah levert, bewust of onbewust, haar hele gezin uit aan een bezeten man.
Dan vertroebelt de tegenstelling goed versus kwaad. De dictator uit de onderste lagen van de bevolking, die er genoegen in schept zelf martelingen uit te voeren blijkt in staat tot liefde en ontpopt zich zelfs tot een belezen amateurhellenist die de zoon van zijn gevangene helpt bij het leren van zijn Griekse grammatica. Nirvah van haar kant ziet mettertijd de goede kanten van haar verkrachter en wordt verscheurd tussen schuldgevoel en genot.
Het vergt nogal wat van de lezer om met deze wendingen mee te gaan. Mars schetst met vaardige hand de gruwelen van de dictatuur, die een vrouw zonder man aan haar zijde moet doorstaan. Ze kan een verhaal vaart geven. Maar de diepgaande morele dilemma’s waar het haar om te doen moet zijn geweest weet ze niet overtuigend met de lezer te delen.
Kettly Mars: Wrede seizoenen. Vertaald door Marianne Kaas. De Geus/Novib, 

Nacht van de Europese Literatuur, 14 mei 2013

De smalle grens tussen vreugde en verdriet
Op dinsdag 14 mei organiseert EUNIC voor de derde keer de Nacht van de Europese literatuur. De avond vindt plaats in de Brakke Grond. Voertaal: Engels.
Kijk hier naar de compilatie van de avond:
http://www.youtube.com/watch?v=NDn_TSpC-nI&feature=youtu.be

‘Hoe we wenen en lachen om hetzelfde’ (Comme nous pleurons et rions d’une même chose). Met de titel van dit essay van de Franse filosoof en schrijver Michel de Montaigne als leidraad, zijn twaalf auteurs uit heel Europa ingegaan op het verzoek een essay, een kort verhaal, of een ander stuk proza te schrijven. Zeven van hen zijn ook daadwerkelijk aanwezig: Laurent Binet (Frankrijk), Jáchym Topol(Tsjechië), Marcel Beyer (Duitsland), Krisztina Tóth (Hongarije), Laura Sintija černiauskaité (Litouwen), Nihan Kaya (Turkije) en Marja Pruis (Nederland). Zij gaan in gesprek met Margot Dijkgraaf, literatuurcriticus, directeur van Academisch-cultureel Centrum SPUI25 en auteur van o.a. De pen van Europa (interviews met Europese schrijvers).





Alle teksten worden verwerkt in een muzikale performance van acteurs Hendrik Willekens (België), Rob List (VS), Eva Susova (Tsjechië) en Dennis Deter (Duitsland). De Nederlandse vertalingen van de twaalf teksten worden gebundeld in een boek dat bij Uitgeverij Cossee verschijnt. De andere auteurs die meewerkten aan deze publicatie zijn: Constantin Göttfert (Oostenrijk), Nicolas Ancion (België), Etgar Keret (Isarël; Gustavo Martín Garzo (Spanje) en Christophe Vekeman (België).

Wie doen er mee?
Laurent Binet (1972) debuteerde met HhhH, waarvoor hij in 2010 de Prix Goncourt du Premier Roman ontving. HhhH (Himmlers hersens heten Heydrich) werd in meer dan twintig landen vertaald, ontving zeer lovende kritieken en werd ook in Nederland een bestseller. Laurent Binet bracht zijn militaire dienst door in Slowakije en woonde in Praag. Hij is docent Frans aan de universiteit in Seine-Saint-Denis. Voor zijn tweede boek Niets gaat zoals verwacht, volgde hij maandenlang de Franse presidentskandidaat François Hollande, die uiteindelijk de verkiezingen won.
Jáchym Topol (1962) geldt als de belangrijkste Tsjechische schrijver van de laatste twintig jaar. Na eerst twee dichtbundels te hebben gepubliceerd, kwam zijn doorbraak in 1994 met de roman Zuster, een epos waarin hij op zijn eigen unieke wijze beschrijft hoe
na de fluwelen revolutie in 1989 de tijd explodeerde. Voor deze roman kreeg Topol de Egon Hostovský-prijs. Vrij snel verwierf hij ook, door vertalingen in het Engels en Duits, internationale bekendheid. In 2001 kwam zijn roman Nachtwerk uit, een magisch realistisch verhaal over een jonge jongen ten tijde van de inval in 1968 van troepen van het Warschaupact in Tsjechoslowakije, waarmee een einde kwam aan de Praagse lente. Nachtwerk is het eerste boek van Topol dat, in 2003, in het Nederlands verscheen. Later volgden nog de vertalingen van Spoelen met teerzeep (2006), Het gouden hoofd (2007) en De werkplaats van de duivel (2010), dat op de shortlist belandde van de Europese literatuurprijs 2011. In Tsjechië is Topol met dit laatste boek onderscheiden met de Jaroslav Seifert-prijs. Topol wordt vaak wel de jongste klassieke schrijver van Tsjechië genoemd. Zijn
 werk is inmiddels in meer dan vijftien talen verschenen.
Krisztina Tóth (1967) is schrijver, dichter en literair vertaler. Krisztina Tóth is een van de bekendste Hongaarse auteurs van dit moment. Ze begon haar literaire carrière als dichter, maar de laatste jaren heeft ze veel succes geoogst met haar prozabundels. Haar werk wordt gekenmerkt door een subtiele combinatie van sterke visuele elementen, intellectuele reflectie en grote empathische betrokkenheid bij alledaagse scenes, die zij met een paar woorden haarscherp kan neerzetten. Zij is met diverse prijzen bekroond (o.a. Gravesprijs, Attila József-prijs, Máraiprijs, Lauwerkrans van de Republiek Hongarije). Haar werk is in vele talen vertaald; haar gedichten zijn in het Nederlands verschenen in het literair tijdschrift Kluger Hans (2011) en in diverse bloemlezingen. Krisztina Tóth woont met haar echtgenoot en zoon in Boedapest, waar ze zich naast de literatuur ook bezighoudt met glas-in-lood-kunst.
Laura Sintija černiauskaite (1976 ) is een proza- en toneelschrijfster met tot nu toe zeven boeken op haar naam. Černiauskaite studeerde regie aan de Litouwse Muziek Academie maar stapte al snel over naar Litouwse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Vilnius. Sinds 1998 werkt zij als freelance journaliste en als redacteur voor verschillende tijdschriften, waaronder “Malonumas” (Genot) en “Tavo Vaikas” (Jouw Kind). Haar eerste boek met korte verhalen schreef ze terwijl ze nog op de middelbare school zat en in 1993 werd ze door de Litouwse Schrijversbond onderscheiden voor het beste “Eerste Boek”. Haar debuut als toneelschrijfster volgde in 2000 met het stuk Kumeliukas (Veulen). Als jonge dramaturg heeft zij zichzelf bewezen in de theaterfestivals Bonner Biennale enTheatertreffen en in 2009 ontving ze voor haar boek Kvepavimas i marmura (Breathing into Marble) de Literatuurprijs van de Europese Unie. Haar proza grenst de esthetiek van het hoge modernisme met veel aandacht voor de onzichtbare interacties tussen man en vrouw. Zij schrijft met bijna psychologische aandacht vermengd met speelse ironie en zachte erotiek. Haar boeken zijn vertaald in o.a. het Italiaans, Bulgaars en Duits, en een gedeelte van het in 2008 verschenen Benedikto slenksčiai (Benedictus’ mijlpalen) in het Nederlands. Laura Sintija Černiauskaite woont en werkt in Vilnius en is sinds 2004 lid van de Litouwse Schrijversbond.
Marcel Beyer (1965) woont en werkt sinds 1996 in Dresden. Hij heeft talrijke romans, gedichtenbundels, verhalen en essays gepubliceerd, zijn nieuwste boek is het verhalenbundel Putins Briefkasten (2012). Zijn roman Kaltenburg (2008) werd ook vertaald naar het Nederlands en verscheen in 2009 bij Uitgeverij Cossee onder de titel De nacht dat het dode kraaien regende. Voor zijn werk ontving Marcel Beyer vele prijzen, onder andere de Heinrich Böll-prijs (2001), de Hölderlin-prijs (2003) en de Joseph Breitbach-prijs (2008). Hij was writer in residence aan het University College in London en aan de University of Warwick in Coventry, en in 2010 werd hij onderscheiden met een beurs voor de Villa Massimo in Rome.

Marja Pruis
 (1959) is schrijver, criticus, redacteur en columnist van De Groene Amsterdammer. Ook maakt zij de boekenrubriek voor LINDA. Met haar debuut De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk (1999) toonde zij zich een onorthodox schrijversbiograaf. Haar romans Bloem (2002), De vertrouweling (2005) en Atoomgeheimen (2008) ontvingen nominaties voor De Gouden Uil, de AKO Literatuurprijs en de Anna Bijns Prijs. Haar essayistische werk Kus me, straf me. Over lezen en schrijven, liefde en verraad(2011), haalde de shortlist van de AKO Literatuurprijs. In haar meest recente boek, Als je weg bent. Over Patricia de Martelaere, komen drie van haar hoedanigheden samen, die van biograaf, literair criticus en journalist.
Nihan Kaya (1979) begon op haar negentiende verhalen en literaire teksten te schrijven die werden geplaatst in verschillende tijdschriften. Haar eerste roman verscheen in 2003. Haar tweede boek, Çati kati (Zolder), kreeg de prijs van De Turkse Schrijversvereniging (‘Türkiye Yazarlar Birligi’). Nihan Kaya is nog steeds de jongste ontvanger van deze literaire prijs. Kaya, die wordt gerekend tot de vooraanstaande Turkse schrijvers, schreef zes boeken in het Turks. Zij heeft Engelse Letterkunde gestudeerd aan de Bosporus Universiteit. Zij promoveerde in Engeland aan de Universiteit van Essex, aan het Centrum voor Psychoanalytische Studies. De schrijfster die opvalt door de psychologische diepgang in haar verhalen en romans nam deel als spreker aan internationale conferenties op het gebied van literatuur en psychologie en schreef artikelen. Kaya schreef het eerste deel van Dreaming the Myth Onwards, een boek waaraan verschillende auteurs meewerkten en dat verscheen in 2008 bij de London Routledge Publishers. Het onderwerp van haar proefschrift, dat zij schreef toen zij verbonden was aan het King’s College London bij vergelijkende literatuurwetenschap, was ‘kunstzinnige energie’.

Meer over EUNIC
“EUNIC is het internationale netwerk van de nationale cultuurinstituten. Op dit moment zijn alle 27 EU-landen lid. “”EUNIC Netherlands vertegenwoordigt de nationale cultuurinstituten in Nederland en versterkt de reikwijdte van deze organisaties, onder andere door het aanjagen van gezamenlijke projecten en het onderhouden van een internationaal netwerk. Inmiddels telt EUNIC Netherlands de volgende leden: British Council, Goethe Institut, Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond, Wallonie-Bruxelles International, Istituto di Cultura Italiano, Instituto Cervantes, Institut Français, Ambassade van Oostenrijk, Finnish Cultural Institute, Deens Cultureel Instituut, Litouws Cultureel Centrum, Tsjechisch Centrum, Romanian Cultural Institute, Hongaarse Ambassade, Poolse Ambassade, Ambassade van Malta, Ambassade van Cyprus, Alliance Français, Embassy of Ireland, Embassy of Cyprus, Embassy of Greece, SICA Stichting Internationale Culturele Activiteiten. Ook is er een aantal geassocieerde leden zoals
Yunus Emre Institute (Turkije) en Embassy of Israel, en als permanente gast de Europese commissie.

www.debrakkegrond.nl


Prix Tulipe – Nederlandse prijs voor de beste Franse roman

Amsterdam, 6 mei 2013



PERSBERICHT


In juni 2013 zal voor het eerst de Prix Tulipe worden uitgereikt. Het is een prijs voor de beste Franstalige roman die door zeven grote literaire prijzen in Frankrijk is bekroond. De prijs heeft tot doel de diversiteit en de kwaliteit van hedendaagse Franstalige romans te laten zien en voor een breed Nederlands leespubliek onder de aandacht te brengen.

De door een deskundige Nederlandstalige jury geselecteerde Franstalige roman zal in het Nederlands worden vertaald. Bij verschijnen van de Nederlandse vertaling zal de auteur worden uitgenodigd naar Amsterdam te komen.


De prijs is een initiatief van het Institut Français des Pays-Bas en Margot Dijkgraaf, literair critica en directeur van SPUI25, en zal worden gerealiseerd in samenwerking met Nederlandse uitgevers.

De prijs zal jaarlijks worden uitgereikt.

In juni van dit jaar lanceert het Institut Français bovendien een nieuwe website, waarop regelmatig nieuws over recente Franse literatuur zal worden gepresenteerd. www.franseliteratuurvannu.nl


Voor meer informatie: Danielle Bourgois : danielle.bourgois@institutfrancais.nlTel. 020-5319535

Louise O. Fresco, Joep Leerssen, Marja Pruis, Willem Schinkel en Peter Venmans genomineerd voor Jan Hanlo Essayprijs 2013

De jury van de Jan Hanlo Essayprijs 2013 heeft dit jaar vijf essaybundels genomineerd. Dat is meer dan gebruikelijk. De nominaties gaan naar Louise O. Fresco, Joep Leerssen, Marja Pruis, Willem Schinkel en Peter Venmans. Ook zijn er drie genomineerden voor de Essayprijs voor nog niet gepubliceerde essays. Voor een derde onderdeel van de prijs, de Jan Hanlo Media-essayprijs – deze keer het filmessay –, zijn 20 mededingers.

De jury, bestaande uit Geert Buelens, Xandra Schutte en Arjen van Veelen, onder voorzitterschap van Margot Dijkgraaf, maakte een keuze uit ruim 110 ingezonden essaybundels uit 2011 en 2012. De jury roemt de kwaliteit van de gepubliceerde bundels en laat haar waardering blijken door niet drie maar vijf bundels te nomineren. Genomineerd zijn Louise O. Fresco met ‘Hamburgers in het paradijs’ (Prometheus), Joep Leerssen met ‘Spiegelpaleis Europa’ (Van Tilt), Marja Pruis met ‘Kus me, straf me’ (Nijgh & Van Ditmar), Willem Schinkel met ‘De nieuwe democratie’ (De Bezige Bij) en Peter Venmans met ‘Het derde deel van de ziel’ (Atlas).

Eerdere winnaars van de prijs waren o.a. Rudy Kousbroek, Roel Bentz van den Berg, David van Reybrouck en (in 2011) Joke Hermsen.

De jury boog zich ook over ruim 40 inzendingen voor de Essayprijs voor nog niet gepubliceerde essays. Genomineerd zijn Daan Stoffelsen met ‘Waarschuwingen, ravijnen en ziekenhuisgebouwen’, het schrijversduo Jan Truijens Martinez / Anouk van Kampen met ‘Alles wat al gezegd is’ en Ruth Lasters met ‘Alice’s valsnelheid’.

In 2013 wordt voor de tweede maal een prijs uitgereikt voor een media-essay. Dat is dit jaar een filmessay. De jury bestaat uit Coco Schrijber, Peter Delpeut en Dirk van der Straaten, onder voorzitterschap van BarBara Hanlo. Zij maken een keuze uit ruim 20 inzendingen.

De uitreiking van de prijzen is op dinsdag 21 mei 2013 in Theater de Balie in Amsterdam, en vindt plaats in samenwerking met de SLAA.

De Jan Hanlo Essayprijs wordt gesponsord door Stichting LIRA (Literaire Rechten Auteurs).
(bron persbericht JHEP)

Sex sells – van riscovol protest tot ludieke speeltuin. Over Sara Stridsberg, Nicholson Baker, Céline Minard en Atiq Rahimi.

‘Een gat in de markt’ luidde de mooie dubbelzinnige kop boven een stuk van Elsbeth Etty in NRC Handelsblad van 21 september. In dat artikel maakte ze gehakt van Vagina. A New Biography van de Amerikaanse feministe Naomi Wolf. ‘Kut met peren’, luidde haar oordeel. Alles wat het feminisme van de jaren 1970 had bereikt, werd volgens Etty door Wolf bij het oud papier gezet: Wolf ging terug in de tijd door te verklaren dat vrouwelijke seksualiteit werd bepaald door ‘basale neurologische bedrading’, niet door cultuur, opvoeding of wat dan ook.
Dat NRC zo groots uitpakte met de bespreking van dit boek – opening op de eerste twee pagina’s van de boekenbijlage met een enorme afbeelding van een ondubbelzinnig zwart driehoekje op ware grootte – past in de trend, die de kop uitstekend verwoordt. Het vrouwelijke geslachtsorgaan verkoopt, de vrouwelijke lust laat de kassa rinkelen. De Vagina Monologentrekt volle zalen, Fifty Shades of Greyvan E.L. James, koningin van de vrouwelijke softporno, voert al maandenlang de bestsellerlijsten aan. De eerste imitatie, Bared to You, van Sylvia Day werd in alle Nederlandse kranten groot besproken. Alain de Botton kreeg na het verschijnen van zijn essay Let’s talk about sex nog veel meer vragen en reacties dan op welk van zijn eerdere boeken ook. Vochtige streken (2008) van Charlotte Roche ging vlot over de toonbank en Het seksuele leven van Catherine M. van Catherine Millet, het boek dat wel als koploper van de nieuwe trend gezien mag worden, werd tien jaar geleden al een wereldwijde bestseller.
Over het literaire gehalte van bovengenoemde titels is relatief weinig te berde gebracht. Er valt ook weinig over te zeggen. Daar gaat het immers niet om. Het gaat om commercie, trendsetting, om het inspelen op de tijdgeest: openheid en transparantie is bon ton, alles in het openbare leven – reclame, televisie, commercie – staat bol van de verwijzingen naar en beelden van seksualiteit. Er is maar weinig dat louter tot het privédomein behoort, alle geheimen, persoonlijk of niet, worden vroeg of laat openbaar. Sterker nog, het geheim bestaat eigenlijk niet meer. Bijna alle taboes zijn – in het Westen althans – geslecht. Ook seks is gewoon geworden.
Wat betekent dat voor de schrijver en vooral voor de schrijfster? En voor de literatuur? Hoe verwoordt een hedendaagse auteur seksualiteit nu ze alomtegenwoordig is geworden? Dat was het onderwerp van een rondetafeldiscussie afgelopen juni in Lyon, tijdens de jaarlijkse Assises Internationales du Roman. Drie uiteenlopende schrijvers waren er uitgenodigd: Nicholson Baker (Verenigde Staten), Céline Minard (Frankrijk) en Sara Stridsberg (Zweden).
Nicholson Baker, geboren in New York in 1957, studeerde filosofie, is schrijver en musicus en docent poëzie. Hij schrijft romans en verhalen en bestrijkt een breed spectrum, van historische romans tot politieke essays. Maar hij staat ook bekend als een ‘dirty book writer’. Het is lastig in de grote, uitermate verlegen en snel blozende schrijver een pornografisch auteur te ontdekken, maar toch is hij de man die in 1992 Vox publiceerde, een boek over telefoonseks via de ‘babbelbox’. In The Fermata(1994; De fermate, 1994) verzon hij een man die over een bijzondere gave beschikt: hij is in staat de tijd in de ‘pauzestand’ te zetten, tijd die hij vervolgens gebruikt om vrouwen uit te kleden en zich hun erotische leven voor te stellen. In 2011 verscheen House of Holes, een ronduit pornografische roman met een hoog absurdistisch gehalte. ‘Een seksueel pretpark’ – daar droomde Baker vroeger van, een huis vol gaten waar je allerlei lichaamsdelen in kwijt kunt, een knop op je afstandsbediening waarmee je precies die behoeften kunt laten vervullen die je op dat moment bevangen. Het is een ronduit krankzinnig boek, een seksuele variatie op Alice in Wonderland, vol taalspel en vreemde fantasie. House of Holes onderscheidt zich duidelijk van andere pornografie: in zijn pornoparadijs geen geweld, geen misbruik, geen aids, geen wreedheid, geen dwang. Seks is een spel, meer niet, het maakt iedereen gelukkig. ‘Waarom?’ schrijft Baker, ‘omdat ik vind dat de pornografie zich helemaal op het verkeerde spoor bevindt. Ze is somber, smerig, uitzichtloos, drijft op onderbuikgevoelens. Ik vond dat ze een injectie nodig had van een beetje bovennatuurlijkheid, wat fantasie en absurdisme en vooral, een beetje humor.’
Die combinatie is inderdaad meestal afwezig. Pornografisch schrijven is vaak gelieerd aan een vorm van geweld, dwang en duistere werelden, zelden tot nooit aan humor of een vreugdevol bestaan. Het seksuele leven van Catherine M. van Catherine Millet, sec en klinisch opgeschreven, mag dan een vertelster hebben die zich geheel vrijwillig aan haar mannen overlevert, de roman geeft bepaald geen beeld van een vrouw die geniet van haar leven. Ze is vrij, ze bepaalt haar eigen keuzes, maar humor? – nee. Het seksuele leven van Catherine M. is een seksuele autobiografie, een genre waarvan Catherine Millet zich de pionier mag noemen. Minutieus, realistisch en afstandelijk doet zij het opwindende seksuele leven van haar alter ego uit de doeken. Hoeveel echtgenoten is een vrouw eigenlijk toegestaan? vroeg ze zich als kind af. Later, als minnares en gulzig deelneemster aan seksuele orgieën in de jaren zestig en zeventig, raakt ze de tel kwijt – voorgoed. Millet beschrijft en benoemt haar seksuele handelingen, vangt ze, zoekend, in woorden. Dat doet ze zonder obsceen te worden, zonder in perversie te vervallen en zonder sadisme of troebele gevoelens – op een nieuwe manier, in een nieuwe taal.
Strijd om macht, in dit geval seksuele macht, is een belangrijk thema in het boek. De vertelster is een spin in een seksueel web, bij machte om genot te verschaffen of niet. Haar alter ego neemt vaak een passieve houding in, maar weet daar wel voordeel uit te halen. In seksuele relaties is het, bij Millet, niet noodzakelijkerwijs degene die zich lijkt te onderwerpen, die machteloos is. Ze speelt ook met het thema van de femme fatale, die de psyche van de man aan zich onderwerpt. Millet
was zich er goed van bewust dat ze, als vrouwelijke auteur, een van de laatste taboes doorbrak. Ze zette haar vrouw-zijn in en dat was ook zeker een doorslaggevend element in de enorme publiciteit dat het boek ten deel viel.
Hoe gaat de jongere generatie schrijfsters daarmee om? Vinden zij dat zij, als vrouw, op dat punt een verantwoordelijkheid hebben, zit daar een uitdaging? De twee vrouwen die in Lyon op het podium zaten, Céline Minard (1969) en Sara Stridsberg (1972), vonden dat in ieder geval niet. Sterker nog – ze vonden het een onzinnige vraag. Minard, een ongewoon talent in de Franse literatuur, auteur van acht boeken in acht jaar, gebruikt vocabulaire waarbij ook een Fransman naar het woordenboek moet grijpen, en is in alle opzichten ontregelend. Haar recentste roman, So long Louise, is een kruising tussen een sprookje waarin allerlei vreemde figuren opduiken, een absurdistische roman en een testament: een tachtigjarige vrouw kijkt terug op haar leven en laat haar bezit achter aan de veel jongere vrouw met wie ze haar leven heeft gedeeld. De (lesbische) seksualiteit is een klein, vanzelfsprekend onderdeel in het totale mozaïek. Wat Minard bezighoudt is niet de seksualiteit tussen mensen, maar de seksuele intertekstualiteit, de bevruchting tussen de teksten onderling. In haar boek speelt ze met de monoloog van Molly Bloom uit Ulysses. Fragmenten met erotische lading laat ze terugkomen in haar eigen boek, getransformeerd, geparafraseerd en op een andere manier geseksualiseerd. ‘So long Louise baise avec Ulysse,’ aldus Minard.
Sara Stridsberg kon zich goed vinden in deze definitie. Ook haar werk is doordrenkt van referenties aan boeken van illustere voorgangers: Vladimir Nabokov, Gertrude Stein, Marguerite Duras. Haar roman, in het Frans voorzien van een Engelse titel, Darling River, bevat maar weinig darlings. Haar personages balanceren op de rand van de afgrond, ze zwerven, zijn ieder kompas kwijt en wanhopig op zoek naar de zin van hun leven. Een vader en zijn dochter rijden iedere nacht een willekeurige route, hij rijdt en drinkt, zij slaapt op de achterbank. Een man in een dierentuin raakt geobsedeerd door een vrouwtjeschimpansee met wie hij de liefde wil bedrijven, en zo zijn er nog enkele personages die het roer kwijt zijn. Incest, geweld, pedofilie, een totaal gebrek aan moraal, kindertijd als een bron van ellende – dat zijn de kernthema’s in deze donkere roman. Alles echoot de onuitgesproken, drukkende seksualiteit uit de romans van Marguerite Duras. ‘I can hear the Pacific Ocean,’ zei Stridsberg, ‘the Atlantic, the Mekong River running through the words. It is the same movement, ebb and flow, concentration, vertigo, breathing, a blind pulse of desire working beyond reason and logic.’
Voor Minard en Stridsberg is schrijven over seks geen doel op zich, ze willen niets laten zien, ze hoeven niets te bewijzen. Seksualiteit is gewoon een onderdeel van hun schrijven, beweren ze – inderdaad, net zoals je over de natuur schrijft, een karakter laat zien, een dialoog opzet. Niets bijzonders. Een bijzondere verantwoordelijkheid omdat ze vrouw zijn? Onzin! Ze leven nu, en willen helemaal niet geplaatst worden in een vrouwelijke traditie. Dat mag dan zo zijn – de seksualiteit in deze romans is, als vanouds, gelieerd aan misère, aan onderdrukking, aan het kwaad in de mens. De personages die deze schrijfsters opvoeren bevinden zich aan de zelfkant van de maatschappij, het zijn bijna zonder uitzondering ontspoorde figuren, levend in een bij uitstek gewelddadige wereld. Minard en Stridsberg verkennen vooral hun eigen innerlijke universum, hun eigen fantasmen.
Onlangs verscheen bij Les Editions de la Transparance de bundel La violence au féminin, samengesteld door Claude Benoit, verbonden aan de Universiteit van Valencia. Het boek bevat een aantal essays over geweld in het werk vrouwelijke toneelschrijvers, filmmakers en romanschrijvers. Geweld en seksualiteit blijken, bijna zonder uitzondering, onderling verbonden. In haar openingsessay laat Lydie Salvayre, auteur van een oeuvre waarin geweld in vele hoedanigheden voorkomt, overtuigend zien dat literatuur en geweld op zich al een onverbrekelijk duo zijn. Ze citeert een groot aantal auteurs. Mallarmé: ‘Er is geen betere bom dan een boek.’ Dostojevski: ‘Je moet schrijven met een zweep in je hand.’ Nietzsche: ‘Schrijf met je bloed en je zult leren dat het bloed je geest is.’ Kafka: ‘De literatuur is een bijl die de bevroren zee in ons breekt.’ Literatuur is intrinsiek gewelddadig, schrijft Salvayre, omdat zij de taal ter discussie stelt. Wie de taal ter discussie stelt, stelt alles ter discussie: de politiek, de moraal en de seksualiteit.
Geldt een dergelijke stelling ook voor niet-westerse auteurs? Welke aanpak hanteert in dit kader bijvoorbeeld de in het Frans schrijvende Afghaanse auteur Atiq Rahimi (1962)? Hij kreeg voor zijn indrukwekkende roman Syngué sabour. Pierre de patience in 2008 de prix Goncourt. Ook deze roman, in 2009 in het Nederlands vertaald door Kiki Coumans als Steen van geduld, draait om macht, vrouwen en seksualiteit – thema’s die in de Afghaanse samenleving natuurlijk zeer beladen zijn. Een enorm verschil dringt zich op: terwijl westerse auteurs een eigen universum creëren en naar hartelust en in vrijheid hun fantasmen vormgeven, laat Rahimi ons de realiteit van een andere, keiharde, gewelddadige wereld zien die niets met fantasie te maken heeft.
In zijn stijl blijft Rahimi dicht bij de orale traditie van de Afghaanse Pashtun-poëzie, de eeuwenlang voornamelijk door vrouwen gezongen korte gedichten over thema’s als liefde, eer en dood. Zijn taalgebruik is eenvoudig, ingetogen, sober, poëtisch en vooral filmisch van aard. Het is een stijl die past bij het onderwerp van zijn boek, dat een ode is aan de Afghaanse vrouw. Een vrouw, ‘ergens in Afghanistan of elders’, waakt bij haar man die in coma van een missie is teruggebracht, een kogel in zijn nek. Het huis bevindt zich midden in een gebied waar gevochten wordt, haar buren worden gemarteld en onthoofd. Ze brengt haar dochtertjes onder bij haar tante en blijft zelf waken bij het lichaam van haar man. Dagenlang herhaalt de vrouw mechanisch de gebeden die de imam haar heeft opgedragen. Ze geeft zichzelf de schuld van het coma waarin haar man zich bevindt. Totdat ze zich bewust wordt van het leven dat ze tot dan toe heeft geleid: ze is vernederd en mishandeld door haar vader, uitgehuwelijkt en in de echt verbonden zonder da
t haar echtgenoot aanwezig was en sindsdien als slaaf gebruikt door haar schoonfamilie. Toen haar man eenmaal arriveerde, behandelde hij haar louter als slaaf en seksueel object. Koud en ongenaakbaar ligt hij nu voor haar, als was hij haar ‘syngué sabour’. In de Afghaanse legende is dit een ‘geduldsteen’, waaraan je je zorgen en ellende, je pijn en verdriet kan toevertrouwen. De steen neemt die verhalen in zich op totdat hij op een dag uit elkaar spat. Op dat moment ben je definitief van je zorgen verlost.
Stukje voor stukje vertrouwt ze haar man, die daar als een steen ligt, haar geheimen toe. Ze vertelt hem over haar angst, haar zorgen, haar eenzaamheid. Ze vertelt hem hoe vernederd ze zich voelde wanneer hij haar beval zich te bedekken met een ‘verberg je vlees!’. Ze vertelt hem over haar tante, die, omdat ze toch geen kinderen kon krijgen, werd uitgehuwelijkt aan een man die haar misbruikte – tot ze hem de hersens in sloeg. De vrouw vertelt haar echtgenoot dat er in het begin van hun huwelijk geen kinderen kwamen omdat hij steriel is, en niet zij, zoals hij verkondigde. Om niet mishandeld en verstoten te worden, vond ze een oplossing: ze sliep met een ander en kreeg kinderen. Maar hij is niet hun vader.
Macht en seksualiteit zijn, in deze roman, in deze samenleving dus van een heel ander kaliber. In overeenstemming daarmee is ook de stijl veel minder barok, veel minder uitgelaten dan die van de eerder besproken romans. Rahimi’s stijl is sober, vloeiend, filmisch – hetgeen de roman meer impact geeft. Bij hem geen breed uitgeschreven verhaallijn, geen halve pathos, bovennatuurlijke personages, figuren die hun seksuele escapades uitvergroten, maar soberheid, suggestie en een cinematografische blik.
In een interview dat ik met Rahimi had in het Institut français in Amsterdam, vertelde hij waarom hij deze roman had geschreven. In 2005 was hij door een vijfentwintigjarige getalenteerde dichteres uitgenodigd voor een literaire ontmoeting in Afghanistan. Een week voor het evenement hoorde hij dat de bijeenkomst was afgelast wegens de dood van de dichteres. Ze was vermoord, door haar man. De zaak werd gezien als een familieaangelegenheid, de man werd niet vervolgd. Dat is het lot van vrouwen in grote delen van de wereld, zei Rahimi, ‘daarom heb ik deze roman geschreven. Pas als de man verlamd is, voor dood ligt, kan de vrouw zich uiten. Dan pas kan ze haar hart openen, over haar ellende spreken, haar verlangens en haar dromen.’
Macht en seksualiteit zijn, zoveel is duidelijk, belangrijke literaire thema’s in de hedendaagse literatuur. In niet-westerse literatuur nemen romans vaak stelling, ook als het om machtsverhoudingen en seksualiteit gaat. Het maakt dat soort boeken tot een risicovol protest, een kritiek en reflectie op de misstanden in de maatschappij, een schreeuw en een aanklacht. In de hedendaagse literatuur in het Westen, waar nauwelijks meer taboes gelden, is seksualiteit, en met name die van de vrouw, vaker een ludieke speeltuin voor de obsessies van het individu – en bovendien lekker winstgevend.

Dit artikel verscheen eerder in Armada. Tijdschrift voor Wereldliteratuur, december 2012

Dijkgraaf interviewt Dulce Maria Cardoso, Christos Chryssopoulos en Use Lahoz

Op het Passaporta festival in Brussel sprak ik met drie auteurs over de plaats van de verbeelding in een Europa in crisis. Die krijgt weinig plaats – daar kwam het op neer. Van de Portugese schrijfster Dulce Maria Cardoso verscheen in het Nederlands onder andere Violeta en de engelen (Meulenhoff), de Spaanse auteur Use Lahoz schreef De dromer (Karakter) en van de Griek Christos Chryssopoulos is nog niets in het Nederlands vertaald, maar wel in het Frans. Zijn ‘Atheense kroniek’ Une lampe entre les dents geeft een indringend beeld van het veranderende Athene in tijden van crisis en een steeds gewelddadiger nationalisme.












De Europese literatuur bloeit – ook of misschien wel juist in tijden van crisis.





Margot Dijkgraaf schrijft boek over het oeuvre van Hella S. Haasse

Volgend jaar verschijnt van Margot DijkgraafHella S. Haasse. Portret van een oeuvre, een persoonlijke zoektocht naar de kernthema’s in Haasses werk.
Margot Dijkgraaf is freelance literatuurcriticus voor nrcHandelsblad en directeur van Academisch-cultureel Centrum spui25 in Amsterdam. Zij publiceerde eerder o.a. De pen van Europa, Nooteboom en de anderen en verzorgde samen met Patricia de Groot Uitzicht en Inkijk, de twee delen essays, portretten en beschouwingen in het Verzameld werk van Hella S. Haasse.


In de komende jaren zal Aleid Truijens zich toeleggen op het schrijven van een biografie van Hella S. Haasse (1918-2011). Te zijner tijd zal de biografie bij Uitgeverij Querido verschijnen.
Aleid Truijens is literatuurcriticus en columniste van de Volkskrant, en schrijfster. Zij heeft romans op haar naam staan (Vriendendienst en Geen nacht zonder) en publiceerde in 2011 de geprezen biografie van F.B. Hotz, Geluk kun je alleen schilderen. Eerder schreef zij Draden trekken door het labyrint over het werk van Hella S. Haasse.

(bron: persbericht Querido)

Roberto Calasso over De droom van Baudelaire

,,Mijn werk behoort tot geen enkel literaire genre, het is ondefinieerbaar. Soms is het roman, soms essay, soms zitten er toneeldialogen in, aforismen en analyses. Wat mijn zeven boeken gemeen hebben is een verhalend karakter. Fysiologisch gezien is dat de manier waarop ik werk, nu al zo’n dertig jaar. Nu ben ik bezig aan het achtste deel van mijn werk in uitvoering, geen idee waar ik uitkom. Ik ben er maar mee opgehouden vooruit te kijken.”



Roberto Calasso (Florence, 1941), de legendarische Italiaanse uitgever  en schrijver van bijvoorbeeld De bruiloft van Cadmus en Harmonia (1988), Ka (1996) en K. (2002), is nog steeds iedere middag te vinden in zijn kamer van de uitgeverij die hij beroemd maakte, Adelphi. Ordelijke stapels boeken, op de grond, op stoelen rond zijn bureau, doorzichtig gekafte eerste drukken in een hele muur beslaande kast. Om hem heen de kantoren van zijn medewerkers. Iedere vijf minuten belt hij een van hen: hij wil me die speciale uitgave laten zien, dat boek schenken, die tekst meegeven, die illustratie tonen. Binnen een minuut wordt zonder zuchten aan zijn wensen voldaan – de wil van een legende is wet.
Binnenkort verschijnt in Nederland Els van der Pluijms schitterende  vertaling van La Folie Baudelaire, bij uitgeverij Wereldbibliotheek De droom van Baudelaire geheten. Verwacht geen biografie van de negentiende-eeuwse Franse dichter, geen nieuwe interpretatie van zijn werk, maar een verrukkelijke, associatieve wandeling door de intellectuele botanische Baudelaire-tuin van gids Calasso.
Fysiologisch – die op het oog vreemde term komt vaker terug in zijn boek. ‘De hele geschiedenis van de literatuur’, schrijft Calasso bijvoorbeeld, ‘kan worden gezien als een sierlijke guirlande van plagiaat’, waarmee hij doelt op ‘bewondering en een fysiologisch assimilatieproces dat een van de best bewaarde mysteries van de literatuur is’. Calasso: ,,Dat is voor mij een cruciaal woord. Het gaat terug op Sainte-Beuve, de in zijn tijd beroemde en beruchte Franse schrijver en criticus die er een groot belang aan hechtte in zijn artikelen een beeld te geven van zowel het leven als het werk van een auteur. Zoals u weet is hij daarom aangevallen door Proust (in Contre Sainte-Beuve – md). Proust wist natuurlijk best dat Sainte-Beuve geen ongelijk had, het ging erom te erkennen dat beide door elkaar heen lopen en niet los van elkaar kunnen worden gezien.”
En dat plagiaat?
,,Dat is de zin zelf van de literatuur. Literatuur is een voortdurende stroom waarbij je van de ene naar de andere tekst gaat, de oude wordt geïncorporeerd in een nieuwe, het verleden in het heden”.
Na uw laatste boek over een schrijver, K., over Kafka, koos u nu voor Baudelaire, waarom hij? U schrijft over een ‘Baudelairegolf die alles doordrenkt’, die zijn tijdgenoten overspoelde en kopje onder liet gaan.
Baudelaire is de eerste niet-Italiaanse dichter die ik las, ik was 12 en raakte door hem gefascineerd. Met hem heb ik altijd een intiemere relatie gehad dan met anderen. Gide zei het ook, Baudelaire fluistert iets in je oor. Met hem begint er een tijdperk met een andere sensibiliteit, een nieuwe richting, een nieuwe toon in de literatuur en de schilderkunst. Al vóór hem was die golf ingezet, maar hij is de spil, met hem kristalleert zich die tendens.
U laat de voor- en de achterkant van dat golvende weefsel zien, in wezen van de hele negentiende eeuw.
Zo’n nauw verband tussen literatuur en schilderkunst is heel zeldzaam. Degas, Manet, Mallarmé, Ingres, Delacroix – in hun werk resoneert die nieuwe sensibiliteit. De golf eindigt met Proust. Zijn essay over Baudelaire is een van de mooiste die er ooit geschreven zijn, het hoort tot zijn mémoires, zijn fysiologie.
‘Het ware moderne, dat in Baudelaire vorm krijgt, is die jacht op beelden, aangevuurd door de ‘demon van de analogie”, schrijft u.
Het is een sleutelzin. Analogie is voor mij, tegen de traditie in, een middel tot kennis. Sinds de Verlichting wordt analogie gezien als een vijandig begrip, het zou niet nauwkeurig en misleidend zijn, maar de oude Grieken zagen het al als een manier om kennis en wijsheid te verwerven. Baudelaire kun je niet begrijpen zonder zijn verhouding tot het beeld, beeld en woord zijn innig en ingewikkeld met elkaar verbonden.
De schilders Delacroix en Ingres geeft u een bijzondere plaats in de context van Baudelaire. Dankzij de eerste kon hij zijn ‘metafysica van de kunst’ formuleren, de tweede kritiseerde hij fel.
Baudelaire had iemand nodig die zijn hartstocht vertegenwoordigde. Delacroix kwam daar het dichtste bij, hij verpersoonlijkte een zaak waar Baudelaire voo
r stond. Het waren geen vrienden. Delacroix hield meer van mensen die hem gehoorzamer waren dan Baudelaire. Het werk van Ingres stond ver van Baudelaire af, maar paradoxaal genoeg is wat hij over hem schreef veel pertinenter dan wat hij over Delacroix noteerde. 
De titel La Folie Baudelaire is in het Duits en ook in het Nederlands vertaald als De droom van Baudelaire, een titel waarmee Calasso niet gelukkig is. Toch is die droom het hart van Calasso’s boek. Toen Baudelaire op 13 maart 1856 wakker werd, schrijft hij, had hij een vreemde droom gehad, die hij meteen noteerde. Hij moet een bevriende bordeelhoudster een net verschenen boek van zijn hand aanbieden, merkt dat hij half ontkleed is, loopt door een soort geneeskundig museum met ingelijste  afbeeldingen van monsterlijke wezens en vindt uiteindelijk een monster op een piedestal, met een soort slang om zijn lichaam. De droom interpreteren is niet wat Calasso wil, ‘dat zou een soort metafysische tactloosheid zijn’. Wat dan wel? Calasso: ,,In die droom zit alles, zijn hele oeuvre vloeit erin samen, als in een estuarium. Het erotische element, de haat voor de wereld om hem heen, de bêtise van zijn eeuw, de wetenschap, alles. Baudelaire komt op blote voeten, met zijn gulp open het bordeel binnen, hij voelt zich gegeneerd. Dat komt helemaal overeen met zijn leven, Baudelaire was een onvrijwillige exhibitionist. Wat hij ook deed, hij was bovenmatig blootgesteld, metafysisch geprostitueerd zou je kunnen zeggen. Als je van die droom uitgaat, zit alles erin.
De oorspronkelijke titel La Folie Baudelaire komt uit een artikel over nieuwe kandidaten voor de Académie française, van Sainte-Beuve. Calasso: ,,In zijn tijd begreep Saint-Beuve het best wat literatuur was. opvallend genoeg vermeed hij het te schrijven over de grote auteurs van zijn tijd, over Baudelaire heeft hij nooit een stuk gepubliceerd. Hij leed als hij met werkelijk groten werd geconfronteerd, vreesde hun betekenis. Baudelaire liet hij doorgaan voor een gewone, goeie jongen om zijn talent niet te hoeven erkennen. Het was een compliceerd man, een beetje pervers, perfide, pathetisch ook, maar een groot schrijver. Zijn roman Port-Royalis een van de grote boeken uit de Franse literatuur, maar nu vergeten. Dat is de wraak van de geschiedenis.”
In de alinea die u citeert karakteriseert Sainte-Beuve  het werk van Baudelaire als ‘een bizar bouwwerk op de uiterste punt van een als onbewoonbaar beschouwde landtong, rijkelijk gedecoreerd, getourmenteerd maar verleidelijk en mysterieus, waar men boeken van Edgar Allen Poe leest, (..) zich bedwelmt met hasj, waar uit tere porseleinen kopjes van opium wordt genipt’. Dat ‘fraaie mozaïek van een harmonieuze originaliteit’, dat ‘romantische Kamtsjatka’ noemt Sainte-Beuve ‘la folie Baudelaire’. Waarom vindt u dat zo’n adequate omschrijving van Baudelaires oeuvre?
Het is precies wat de literatuur is geworden, het is de literature absolue, een plek die moeilijk toegankelijk is, ver weg van de sociale wereld, een bijna onleefbaar punt ver weg in Siberië.
Is dat voor de literatuur de plek par excellence?
Als je een allegorisch beeld moet geven van de literatuur na Baudelaire is het dit Kamtsjatka. In dat bouwsel bevond zich niet alleen Baudelaire, maar ook Rimbaud, Mallarmé en Proust. De cel, de met kurk beklede slaapkamer van Proust aan het eind van zijn leven – dat was zíjn Kamtsjatka. Sainte-Beuve had het helemaal bij het rechte eind, maar wat was het een angstige, laffe man.
Bevindt u zich, als uitgever en als schrijver van een associatief, uitdijend, onderling verbonden, lastig toegankelijk oeuvre, niet ook in een dergelijk Kamtsjatka?
Ja, dat zou kunnen, al houd ik me met die vraag niet echt bezig. Het is in ieder geval wat de literatuur is geworden. Als het anders was, zou ze me niet interesseren.
Waar bevindt die lieu absolue van de literatuur zich tegenwoordig?
Overal. Je hoeft niet naar Siberië te gaan. Er zijn niet veel grote schrijvers, schrijvers die écht belangrijk zijn. Het begint met Baudelaire en het eindigt met Kafka, sindsdien zijn er niet veel bijgekomen. De groten zijn eenlingen, mensen die wel een sociaal leven hebben – denk aan Nabokov, Borges -, maar in wezen leven in een onzichtbare luchtbel. Een kwestie van zelfbescherming. De lieu absolue van nu is overal. En ik verzeker u – erg druk is het er niet.
Roberto Calasso: De droom van Baudelaire. Vertaald door Els van der Pluijm. Wereldbibliotheek. 366 blz., prijs € 44,90

Over de Berberbibliotheek

Een caleidoscoop – dat is de eerste associatie met de boekomslagen van de Berberbibliotheek. Fel gekleurde sterren, dreigende wolken, golvende regenboogbanen, een kamelenkop, een schedel, een woestijnpaleis dat als je snel kijkt net een moskee is. Hier spat, zoveel is meteen duidelijk, een universum uit elkaar, hier vergaat een wereld in duizenden splinters.






En inderdaad, als de vier boeken die tot nu toe zijn verschenen in de Berberreeks iets gemeen hebben, is het wellicht dat. Alle vier vormen ze een stukje literaire verbeelding van de geschiedenis van de Berbers, de oorspronkelijke inwoners van Noord-Afrika. Brokjes historie, schuivende puzzelstukjes, verhalen vol geweld en gemankeerde levens, soms realistisch, vaak surrealistisch en hallucinatoir – maar heel blijft die wereld nooit. Er wordt gezworven, gezocht, gereisd, gevochten, er wordt gewroken en gevangen gezet. Van het ene ondoorgrondelijke verhaal val je in het andere, van de ene bizarre hoofdpersoon ga je naar de volgende, de ene queeste wordt gevolgd door weer een nieuwe. En ja, de berberwereld wordt verscheurd, raakt versplinterd, eeuwenlange tradities worden aangetast en verdwijnen, hoofdpersonen gaan op pad om nooit meer terug te keren, anderen keren terug en herkennen niets van wat ze achterlieten.


Onlangs verscheen Nedjma van de grote Algerijnse schrijver Kateb Yacine (1929 – 1989), verreweg de belangrijkste én de interessantste van de vier tot nu toe in de reeks verschenen titels: met Nedjma werd de Franstalige magrebliteratuur van vóór de onafhankelijkheid volwassen: Algerije kreeg een stem. Laat ik duidelijk zijn, het is een roman waarin je als lezer hopeloos verdwaalt, een boek dat irriteert en intrigeert. Maar in dat dolen, in dat dwalen ligt tegelijkertijd de betekenis van de roman. De personages, vier jongemannen die allemaal een oogje hebben op dezelfde beeldschone vrouw, cirkelen rond die ene historische datum, 8 mei 1945. Op die dag sloegen de Fransen een Algerijnse volksopstand bloedig neer en werden demonstranten, onder wie Kateb Yacine zelf, opgepakt, gemarteld en gevangen gezet. In die gevangenis werd hij schrijver. Nedjma, uit 1956, is zijn debuut. Het boek bestaat uit snippers, een verhaal dat vanuit verschillende perspectieven, in een ogenschijnlijk willekeurige volgorde aan elkaar is geplakt. Ieder personage leeft met een gemis, een verdriet, een lijden, in een persoonlijke gevangenis. Iedereen wordt bedreigd, ondermijnd, bestolen, onrecht aangedaan. Nedjma, de centrale vrouwelijke figuur, is knap maar ongrijpbaar, van onduidelijke afkomst en gaat een nog onzekerder toekomst tegemoet. Zij is de metafoor voor haar vaderland, dat iedereen wil bezitten – Europeanen, vaders, broers, buren. Het maakt Nedjma politiek en ideologisch, maar ook in literair opzicht tot een scharnierroman in de berberliteratuur. Meer nog, zou ik zeggen, het is een visionaire, universele roman die in haar quasi-onsamenhangende, versplinterde en wanhopig complexe structuur net zo goed de huidige ontwikkelingen in Syrië en zijn buurlanden weerspiegelt.
Tot zo’n roman hebben de andere drie auteurs uit de reeks zeker hun houding moeten bepalen. De boeken van Mohammed Khaïr-Eddine, Tahar Djaout en Ibrahim Al-Koni verschenen 30 à 40 jaar na Nedjma. Ze behoren tot een post-koloniaal, dus een heel ander tijdperk. De magrebschrijvers die in de jaren 70 doorbraken, horen tot wat wel de generatie van de verloren hoop en de desillusie wordt genoemd. Na de euforie van de onafhankelijkheid werden de hooggespannen verwachtingen van de nieuwe tijd de grond in geboord. De nieuwe politici bleken nauwelijks betere tijden te brengen dan de verafschuwde kolonisator. Hun desillusie vertaalden deze auteurs in een provocatieve literaire stijl waarin alle genres door elkaar lopen, in composities waar kop noch staart aan te ontdekken valt en waar het hard speuren is naar een rode draad. Ze bezingen de amazigh-cultuur en eisen voor hun Berberse identiteit een volwaardige, erkende plek op – naast de officiële Arabische. Hun werk zit vol met mythen en sagen uit de Berberse orale overlevering. Het leven na de koloniale onafhankelijkheid was er helemaal niet beter op geworden, het politieke bestel was compleet ontspoord.
Dat gold zeker voor Algerije, dat aan het eind van de vorige eeuw ten prooi viel aan gewelddadige fundamentalisen. Honderden intellectuelen werden vermoord, veel anderen vluchtten naar het buitenland. Een van hun eerste slachtoffers was de schrijver Tahar Djaout (1954 – 1993), een generatiegenoot dus van de inmiddels bekende Algerijnse auteurs Yasmina Khadra en Boualem Sansal. Met zijn werk maakte Djaout als het ware een röntgenfoto van het kwaad dat hij in zijn land overal om zich heen zag, hij maakte zich sterk voor vrijheid van religie en bekritiseerde, bijvoorbeeld in zijn roman L’invention du désert, het religieuze fanatisme. Zijn roman De bottenzoekers, uit 1984, ook een nu vertaald deel uit de Berberbibliotheek, zou je als een milde satire op de menselijke hypocrisie kunnen lezen: na het einde van de onafhankelijkheidsoorlog gaan er hele ‘konvooien van skelettenzoekers’ op pad om de botten te vinden van dorpsbewoners die in de oorlog gesneuveld zijn. De dorpen hechten eraan ‘de overblijfselen van hun doden het graf te geven dat ze als eminente burgers verdienen’. Werkelijk? Zouden de botten van die helden wel echt terugwillen naar ‘dat tirannieke dorp waar ze hun leven lang niet vrij hebben kunnen ademen?’ Het zijn eerder de achtergebleven familieleden die straks die botten nodig hebben ‘ter rechtvaardiging van de arrogantie en de eigenwaan die z
ij straks tentoon gaan spreiden op het dorpsplein’.



Het enige niet uit het Frans, maar uit het Arabisch vertaalde boek in de tot nu toe verschenen reeks is Goudstof van de Libische, in Zwitserland wonende schrijver Ibrahim Al-Koni (1948). Hij is Toeareg, groeide hij op in de Sahara en leerde op zijn twaalfde lezen en schrijven in het Arabisch. De anderen schreven, om verschillende redenen, in het Frans, paradoxaal genoeg de taal van de kolonisator. Ook Goudstof is allesbehalve realistisch: de allesverslindende passie tussen een man en een kameel is een verhaal dat aan elkaar hangt van dromen, mythen, waan en hallucinatie. De Sahara, het zand, het stof, ‘de hete zuidenwinden’, de slangen, de verborgen bronnen, truffels, djinns, fata morgana’s – dat zijn Koni’s échte hoofdpersonen. ,,Mijn boek gaat over een mythologische vriendschap”, zei Koni bij een bezoek aan Amsterdam, ,,het is een ode aan het verloren paradijs”. Volgens Koni hebben de Fransen in de jaren 50 en 60 de woestijn, het paradijs uit zijn jeugd, voorgoed vernietigd. Dat paradijs oproepen, verbeelden, uit de vergetelheid redden beschouwt hij als zijn missie.   
Ook de Marokkaanse schrijver Mohammed Khaïr-Eddine (1941 – 1995) was een man met een missie. Het boek waarmee de berberreeks begon, Leven en legende van Agoun’Chich – weinig toegankelijk al geldt het wel als zijn leesbaarste werk -, schreef hij toen hij na een verblijf van 15 jaar in Frankrijk naar zijn geboorteland terugkeerde. Terug naar de ‘arganboom’, symbool voor ‘het bergachtige land dat door de legende wordt getooid met de eeuwenoude glans van mythes en mysteries’. De schrik moet hem bevangen hebben. Niets was er meer over van de eeuwenoude berberidentiteit. ‘De eeuwenoude schoonheid van de dingen werd langzaam weggeknaagd door de modernisering’en de berbervrouw was niet langer ‘hoedster van de verborgen betekenissen in de wereld’. Ontworteling en vervreemding rukken op, kijk naar ‘de eeuwenoude amandel-, olijf-, vijgen- en dadelbomen in de Ammelnvallei’ en zet die eens af tegen de ‘moderniteit als een verdovende mode die uitsluitend draait om consumptie’. Tegen de achtergrond van het onderling verdeelde verzet tegen de Franse overheerser, schetst Khaïr-Eddine het leven van een gewelddadige bandiet die de moord op zijn zus wil wreken. Agoun’Chich is een een man die zwerft ‘op de brandende rand van onbevredigde wraaklust’, een wreker die ‘net zo lang doorgaat tot hij al zijn vijanden heeft vermoord of zelf wordt gedood’. Voor de oude generatie is hij ‘een rasechte Berber, zoals het huidige ras van slappelingen ze niet meer voorbracht. Hij belichaamde de voortreffelijkheid van hun streek: diasporisch en toch alom aanwezig, noodgedwongen zwervend, maar eeuwig strijdend voor absolute vrijheid.’ Ook in de Berberreeks is literatuur altijd politiek.
Jonge berberzangers en componisten zijn ‘de dichters van de Berberopleving’, schrijft Khaïr-Eddine, ‘zij weten hun cultuur te vermengen met trends van nu’. Berberrenaissance – de initiatiefnemer van de reeks, Asis Aynan, neemt, in zijn inleiding, hetzelfde woord in de mond, al voltrekt die zich volgens hem niet daar, in Noord-Afrika, maar híer in Nederland. Tussen ‘de theorie en de legende’ is er, schrijft Khaïr-Eddine, ‘nog een kleine kier open voor de waan. We moeten dus luisteren naar de legende, zonder de historische gebeurtenissen weg te wuiven die ons inzicht kunnen geven in de schemerzone waar de verbeelding regeert’. Een moedig initiatief van de uitgever, die met deze reeks niet alleen de Hollandse ramen weer wijd opendoet en een paar fantastische auteurs introduceert, maar die ook durft in te zetten op de waan en de verbeelding – dwars tegen de dwingende, commerciële tijdgeest in.

In de Berberbibliotheek van Athenaeum – Polak & Van Gennep verschenen tot nu toe: Mohammed Khaïr-Eddine, Leven en legende van Agoun’Chich (met een voorwoord van Asis Aynan); Tahar Djaout, De bottenzoekers (met een voorwoord van Abdelkader Benali), en Nedjma van Kateb Yacine (alledrie vertaald door Hester Tollenaar die bij de laatstgenoemde titel ook een voorwoord schreef); en Goudstof van Ibrahim Al-Koni, vertaald door Jan Jaap de Ruiter (met een voorwoord van Gerbrand Bakker). 

Bij de dood van Stéphane Hessel

Afgelopen zomer was Stéphane Hessel bij een van de voorstellingen in het Festival d’Avignon. Toen hij, als elegante gentleman op leeftijd, de Cour des Pâpes binnenschuifelde en men in de gaten kreeg dat hij er was, ging er een spontaan applaus op. Er vormde zich een rij van bewonderaars van en naar de plek waar hij zat, halverwege de rijen in het eeuwenoude theater onder de open sterrenhemel. Ook in de pauze en na afloop van de voorstelling bleven de mensen toestromen. Een handtekening, een bewonderende reactie, een korte vraag.



Zo geliefd, zo bewonderd was de woensdagnacht op 95-jarige leeftijd gestorven oud-diplomaat, die na zijn pensioen aan een nieuw leven begon, een leven in de volle openbaarheid.
Het begon in oktober 2010 met een pamflet van 3 euro, een dunne, weinig imposante publicatie, met de titel Indignez-vous!, uitgegeven bij Indigène, een onbekend uitgeverijtje. Dat pamfletje werd de afgelopen jaren in Frankrijk alleen al meer dan 2,1 miljoen keer verkocht. Meer dan 40 vertalingen verschenen er buiten de Franse grenzen, in Nederland verscheen het boekje als Neem het niet!. Het was een aanklacht tegen het ongebreidelde (financiële) kapitalisme, dat in Hessels ogen een bedreiging vormde voor de vrede en de democratie.
Indignez-vous! was de hartekreet van een oud-verzetsstrijder, een oud-gedeporteerde, een schrijver en dichter die ineens een hele generatie jongeren bleek aan te spreken. Werkte hij in zijn jonge jaren mee aan de tekst van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948), nu gaf hij jongeren een programma, hij nam ze serieus, legde met de wijsheid van jaren zijn vinger op de wonde in de maatschappij.
Eindelijk iemand die niet alleen een richting aangaf voor daadwerkelijke verandering, maar ook nog een karrevracht ervaring en wijsheid wist in te brengen die in duidelijke taal werd verwoord. Hij riep de ‘verontwaardigden’ op op te komen voor immigranten, illegalen en zigeuners en de schadelijke mentaliteit van het  ‘altijd meer’ (consumeren) een halt toe te roepen. Hij werd de stem van het nieuwe engagement. Zelf had Hessel zich onder meer ingespannen voor opvang van daklozen in Parijs. En hij leverde felle kritiek op Israël, waardoor hij in conflict kwam met joodse organisaties. Hessel, in 1917 in Berlijn geboren als Stefan, had een Duits-joodse vader.  
In 2011 verscheen Engagez-vous!, een interviewboek met Hessel en zijn autobiografie in meerdere delen, Tous comptes faits…ou presque, die ook hoge verkoopcijfers haalde. Daarna publiceerde Hessel opnieuw een handzaam boekje van 60 bladzijden, getiteld Le chemin de l’espérance, ditmaal in samenwerking met zijn oude ‘strijdmakker’, de Franse filosoof en socioloog Edgar Morin. Daarin schetsen ze de contouren van een nieuwe politiek en ‘een nieuwe hoop’: mondialiseren én démondialiseren was hun motto. Een jaar later riep Hessel, in Exigez!, op tot een wereldwijde nucleaire ontwapening.
Vooral  Indignez-vous!mobiliseerde mensen in vele landen: de ‘verontwaardigden’ (les indignés) zijn een begrip geworden. De Spaanse jongeren die in 2011 pleinen bezetten noemden zichzelf indignados. De afgelopen jaren leek de agenda van de hoogbejaarde Hessel op die van een popster. Zolang zijn benen hem wilden dragen, zolang zijn geest nog helder was en zolang hij nog invloed kon uitoefenen, reisde hij de wereld rond. Overal riep hij zijn toehoorders op zich werkelijk als burgers te gedragen, hun stem te verheffen en te protesteren tegen de groeiende kloof tussen arm en rijk, de miserabele toestand van migranten in Europa en de teloorgang van het milieu.