Adieu, Gaëtan Soucy

Vorige week werd bekend dat de Frans-Canadese auteur Gaëtan Soucy op 54-jarige leeftijd is overleden. Het was een bijzondere schrijver van een klein, intens en gruwelijk oeuvre. Ik heb hem een aantal keer ontmoet, zowel in Montréal waar hij woonde, als in Amsterdam, waar hij een paar keer kwam om een vertaling te promoten. Een gedreven man, die bevlogen kon spreken over filosofie, over literatuur. Maar vooral een getourmenteerd man die tot de nok vol gevuld was met angst, existentiële angst, angst voor eenzaamheid, angst voor de dood. Het gat van zijn angst was zo groot dat het door niets en niemand te vullen was. Hij rookte, hij dronk. Veel. Hij was wanhopig op zoek naar vervulling, naar redding, zocht overal en bij iedereen naar ‘le salut’. Tevergeefs.


Zijn literaire oeuvre is een universum vol verminkte kinderen, die een harteloze opvoeding krijgen, met uit elkaar gerukte tweelingen, vuur, as en de wurggreep van de rooms-katholieke kerk. In De Onbevlekte Ontvangenis betreden we een verwrongen gedachtenwereld over een man wiens vader bij een brand om het leven kwam. Sindsdien is zijn bestaan beheerst door waanzin, angst en tucht, een discipline die hem heeft onmenselijkt. Net als veel andere Soucy-personages eindigt hij als een wassen pop in handen van degenen die de macht hebben, internaten besturen, het lot van door verdriet waanzinnig geworden moeders bepalen en weeskinderen in een tehuis stoppen. Het kwaad heeft vrij spel. Zijn beroemdste boek is Het meisje dat te veel van lucifers hield, een gruwelijk boek, dat Soucy zelf helemaal niet deprimerend vond.
In een interview dat ik in maart 2004 met hem had vroeg hij mij of ik dan niet bang was. ,,Iedereen is bang te bestaan, bang te verliezen. Ik lijd zelf aan paniekaanvallen. Je moet de moed hebben de angst in de ogen te kijken en te accepteren. Het onvermogen om wezenlijk contact te hebben met de ander, echt tot hem door te dringen, heeft daar veel mee te maken.  Ik zou graag een geruststellend persoon willen zijn. Dat probeer ik ook als docent filosofie. Schrijven is voor mij precies datgene naderen wat mij de meeste angst inboezemt. Het is een manier om mezelf van die fataliteit te bevrijden. Mijn boeken hebben me geholpen een beter mens te worden.’’
Wellicht zijn het zijn boeken geweest die hem de meeste troost hebben geboden. Adieu, cher Gaëtan.
Het interview hieronder had ik met hem in februari 2004, het verscheen in NRC.
Fel en gepassioneerd zijn de reacties op de romans van Gaétan Soucy, één van de grootste literaire talenten uit Québec. ‘Exceptionnel’, schreef men in Montréal, ‘gruwelijk prachtig’, vond men in Parijs. Een Leidse boekhandel trok zijn uitnodiging aan de auteur in omdat men dit niet bij de clientèle kon aanprijzen, maar vanuit New York liet Arnon Grunberg weten dat hij ervan had genoten eindelijk eens een roman in handen te krijgen die hij niet meteen begreep (CS, 13 februari j.l.). Grunberg las Het meisje dat te veel van lucifers hield, een vervreemdende roman over een familietragedie in Québec. Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling van Soucy’s vierde roman Music Hall!.
,,Ik schrijf boeken die erom smeken geschreven te worden’’, zegt Gaétan Soucy (45), schrijver en filosoof, terwijl hij de zoveelste sigaret opsteekt. ,,Het verhaal dringt zich aan mij op. Kindertijd, het ongeluk van de mens – het zijn thema’s die ik niet uitkies, maar waarvan ik ook zelf steeds constateer dat ze in mijn werk zitten.’’ Dat zijn hoofdpersonen vaak gekwelde, mishandelde kinderen zijn, is bepaald niet omdat hij daar genoegen aan beleeft. ,,Weet u, ik heb grote moeite met ‘het zijn’. De meeste mensen vinden het moeilijk dit of dat te doen, maar ‘er zijn’ levert ze geen problemen op. Dat vind ik juist erg moeilijk. Vooral het lijden vind ik onverdraaglijk. Er is niets schandaliger dan een vernietigde, gepijnigde jeugd. Daarom worden mijn romans misschien door kinderen bevolkt.’’
Van jongs af aan wist Soucy dat hij schrijver zou worden. Hij realiseerde zich dat dat een veeleisend beroep was en koos voor een solide vooropleiding in de vorm van studies natuurkunde, astrofysica en filosofie. Sinds jaren doceert hij filosofie aan de Universiteit van Montreal en ook zijn romans zijn doordrenkt met filosofische verwijzingen. ,,Wittgenstein is als persoon veel interessanter dan als filosoof. Bij hem herkende ik dezelfde moeite met ‘het zijn’. Het vreemde is dat hij zijn leven lang heeft gezegd dat spreken over ‘het zijn’ gelijk staat met niets zeggen. Wittgenstein las ik omdat ik ervan houd tegen mezelf in te gaan. Zelf word ik meer aangesproken door ontologie, door metafysica, door de filosofie van Descartes.’’
Vraag je naar Descartes, dan is Soucy niet snel uitgepraat: ,,Descartes heeft willen zeggen dat de werkelijkheid niet bestaat uit wat voor ons staat, uit wat zich meteen aan je opdringt of uit wat we kunnen aanraken. Dat is een naïeve misvatting. De werkelijkheid heeft de vorm van een lange zoektocht, die meteen bij de geboorte begint met een grote vergissing. Eerst is er die almachtige weldoener die van u houdt op een dermate innige manier dat u met haar samensmelt. Als u vier bent, heeft u de stellige overtuiging dat het universum om u draait. U houdt aan die periode een nostalgie over waarvan u nooit meer geneest. Later herkent u in de liefde datzelfde gevoel van samensmelting, maar u komt geheid van een koude kermis thuis. Het leven doet ons geloven dat we belangrijk zijn, dat we in een ander kunnen opgaan – wat een misvatting! Om de waarheid te naderen, moet je een lange tocht afleggen. Je moet hem veroveren, zei Descartes en wel op zo’n revolutionaire wijze dat hij de vader werd van de moderne filosofie. Descartes heeft zich in één keer willen ontdoen van de vergissingen, van de leugens.’’
Een andere gangbare misvatting betreft het imago van de filosoof, als zou dat iemand zijn die voortdurend met zijn hoofd in de wolken loopt. ,,Juist mensen die zich niet voor filosofie interesseren, leven niet in de werkelijkheid. Die zoeken de vergetelheid! Ik verafschuw het idee dat literatuur onderhoudend moet zijn. Literatuur is geen vermaak! Mensen houden zich hun hele leven bezig met vermaak, met ficti
e, met irrealiteit. Ze leven in een vergissing.’’
,,Eén van de hardste teksten die ik ooit heb gelezen is die van Heidegger over de dood, in Sein und Zeit. Maar die moeilijke en pijnlijke bewustwording ten aanzien van de dood leverde me een groot gevoel van bevrijding op. Je moet niet verkrampen, niet weigeren in de kloof te kijken die ons aan alle kanten omgeeft. Je moet er juist in durven kijken, niet bang zijn.’’
Toch bevinden Soucy’s personages zich in het oog van de angst. Ze schreeuwen het juist uit! ,,Ben u soms niet bang?’’ reageert Soucy. ,,Iedereen is bang te bestaan, bang te verliezen. Ik lijd zelf aan paniekaanvallen. Je moet de moed hebben de angst in de ogen te kijken en te accepteren. Het onvermogen om wezenlijk contact te hebben met de ander, echt tot hem door te dringen, heeft daar veel mee te maken.  Ik zou graag een geruststellend persoon willen zijn. Dat probeer ik ook als docent filosofie. Schrijven is voor mij precies datgene naderen wat mij de meeste angst inboezemt. Het is een manier om mezelf van die fataliteit te bevrijden. Mijn boeken hebben me geholpen een beter mens te worden.’’
Soucy heeft nooit begrepen dat er mensen zijn die Het meisje dat te veel van lucifers hield somber vinden of deprimerend. ,,Het meisje redt het, ondanks alle ellende. Haar levenslust voert haar naar liefde, naar tolerantie, naar respect voor de ander. Het is ook een feministisch boek: een meisje eigent zich de boeken en de woorden van haar vader toe. Ze wordt zichzelf door een eigen taal te verzinnen. Als dat nog niet ontroerend is!’’
Veel is er geschreven over het barokke taalgebruik van de vertelster en over haar vreemde benamingen voor gewone dingen. Het blijken zinnen te zijn die Soucy optekende uit de mond van zijn dochter. ,,Tot mijn dochter vijf jaar was, woonden wij in Japan. Daarna leerde ze Frans en bracht ze de Japanse grammatica over op haar nieuwe taal. Die zinnen vielen regelrecht in mijn schrijversoor. Ze zei bijvoorbeeld als ze zich niet lekker voelde: Je suis tout de travers dans ma santé. Dat zeg je in het Frans niet zo, maar in het Japans wel.’’
In de zojuist vertaalde, dikke roman Music-Hall!brengt Soucy weer een vreemde, onrustbarende, wrede wereld in kaart. Het boek is gesitueerd in een slopersmilieu in New York, aan het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw, een universum waar de gangbare regels van logica, ratio en emotie net zomin gelden als op de boerderij uit Soucy’s eerdere roman. Xavier, een jongeman die niets heeft van het vereiste stevige postuur van een sloper, liever sla eet dan worst en door zijn collega’s bijna de dood in wordt gepest, vindt tussen de puinhopen een doosje met een kikker, die, als je de deksel opent, een lied zingt en erbij danst. Het is een magisch moment in de verder flinke misère waarin Soucy zijn personages ook dit keer neerzet.
Vijftien jaar werkte Soucy aan de roman. ,,Het boek bevat veel verschillende genres, die toch binnen één kaft moesten passen. Het is bijvoorbeeld tegelijkertijd een picareske roman en een tragedie. Ik heb wiskundige schema’s gemaakt om die genres met elkaar te kunnen verzoenen. Ik herinner me nog precies wanneer ik het idee voor dit boek kreeg. Ik was 26 en wist dat ik op aarde was om schrijver te worden, maar ik had nog niets laten zien. Toen zag ik A froggy night, een drie minuten durend filmpje van de Warner Brothers over een man die een doosje open doet, waarin een zingende kikker zit en daarmee miljoenen denkt te verdienen. Die man werkte bij de sloop. Daarmee had ik alle elementen van het boek dat ik wilde schrijven: het fantastische en de sloop, met alles wat dat symboliseert.’’
Ook deze jongen is een volledige buitenstaander, een naïveling die leeft in zijn dromen, een ontroerend, kwetsbaar personage. ,,Al mijn personages zijn intelligent, maar ze zijn niet geschoold. Dat maakt ze interessant. Ze zien de dingen zoals ze zijn. Ze zien dat het wezen van de onderlinge menselijke relaties bestaat uit macht. Dat vinden ze onacceptabel. Ik houd van pure mensen. En dus schep ik zuivere personages, die dicht bij hun kern, hun wezen blijven.’’
Gaétan Soucy: Het meisje dat te veel van lucifers hield. En: Music Hall!
Vert. door Han Meijer. Querido.

Zomerboek: De preek over de val van Rome van Jérôme Ferrari

De Goncourt 2012 is uit in een Nederlandse vertaling. Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre hebben uitstekend werk verricht – het is bepaald geen makkelijk boek om te vertalen. Het taalgebruik van Jérôme Ferrari in De preek over de val van Rome kent vele registers, van religieus en bijbels tot scabreus, poëtisch en hoogdravend, zijn zinnen beslaan niet zelden meer dan enkele pagina’s. Hij rijgt zinnen met komma’s aan elkaar, schrijft nauwelijks dialogen, heeft een groot gevoel voor ritme en speelt met alle tijdsvormen (terugblikken, vooruitblikken) die je je maar kunt voorstellen. Maar ook in het Nederlands is het boek uitstekend leesbaar. Voor mijn gevoel is het register iets anders, iets toegankelijker, wat naar beneden bijgesteld. En dat kan geen kwaad bij een boek dat op mij in het Frans, in eerste instantie nogal pretentieus overkwam.



Ferrari kreeg in het najaar van 2012 de Goncourt. Zijn zesde roman speelt zich grotendeels op Corsica af. De auteur, tegenwoordig verbonden aan het Institut Français van Abu Dhabi, doceerde er na zijn studie filosofie aan een lyceum in Ajaccio en werd, zo vertelde hij aan Le monde, twee jaar lang gegrepen door de nationalistische geest die er al decennia op het eiland heerst. Hij vertaalde in die tijd ook twee romans uit het Corsicaans naar het Frans.
De twee hoofdpersonen uit Ferrari’s boek zijn jongens die in Parijs gaan studeren, ontdekken dat hun hart daar niet ligt, hun studie aan de wilgen hangen en terugkeren naar Corsica, waar ze, in the middle of nowhere, een bar openen. Hun ziel en zaligheid stoppen ze in het runnen van die bar, ze investeren, nemen goed uitziende, single door het leven gaande bardames aan voor de klandizie en weten van hun dorp de best lopende toeristische trekpleister van het eiland te maken. Zelf nemen ze het er ook van, drank, seks, binnenstromende pecunia – het lijkt niet op te kunnen. Maar Corsica blijft Corsica: al snel ligt er een revolver binnen handbereik achter de bar.
De nationalistische strijd uit de jaren 90, het geweld tussen rivaliserende groepen en de aanslagen die prompt met nieuwe aanslagen werden beantwoord zijn niet direct onderwerp van de roman. Ze vormen er wel de achtergrond van. Ferrari ziet het groot: het mini-imperium van de bar op Corsica staat voor Rome, voor Frankrijk, voor het Franse koloniale rijk, nee: voor alle koloniale imperia en voor héél Europa. Imperia gaan ten onder en zo gaat ook de harmonie in het Corsicaanse minikoninkrijkje scheuren vertonen. Ruzie om geld, om vrouwen, rivaliteit, jaloezie, vreemde blikken van buiten, verschillende toekomstvisies – ze gooien roet in het eten en leiden uiteindelijk tot de onontkoombare catastrofe die je al vanaf de eerste bladzijde voelt aankomen.
De titel van de roman, De preek over de val van Rome verwijst naar de preek van kerkvader Augustinus over de val van Rome, in 410. Een bar op Corsica vergelijken met Rome op het toppunt van haar macht – je moet het maar durven. De val en plundering van Rome legt Ferrari uit als een waarschuwing van God. Ieder hoofdstuk opent hij met een citaat uit diens preek, in het laatste hoofdstuk legt de auteur – voor wie het nog niet helemaal heeft begrepen – nog eens helemaal uit wat dat nu precies was, de val van Rome, hoe hij al die referenties in zijn roman nu bedoeld heeft. Er hangt een doem over de mensheid, er voortekenen van het einde, de Apocalyps is niet ver meer. Europa, berg je maar.
Ook Ferrari’s andere personages refereren aan werelden die op hun laatste benen lopen en die inmiddels ten onder zijn gegaan: Indochina, Algerije, het hele voormalige koloniale rijk van Frankrijk is immers, na met bloed en te zwaard te zijn veroverd en verdedigd, roemloos verdwenen – met alle littekens van dien. De Franse functionarissen in het boek zijn ‘niet gekomen om beschaving te brengen’, – nee, die hebben ze zelf niet eens gekend -, maar om eindelijk ‘het leven te leiden dat (ze) verdienen’. En nu zitten ze daar ‘in dat koninkrijk van barbaarse droefenis aan het uiteinde van het Imperium’. Hun vrouwen sterven, hun eigen lichaam rot weg in het tropische klimaat van Indochina of Afrika. Ze zien hoe het imperium ineenstort, doem en verderf is overal.
,,In de jaren 90 raakte Corsica ook steeds leger”, vertelde Ferrari vorig jaar voor de microfoon van France Culture, ,,er vielen veel doden, mensen trokken weg, er bleven steeds meer vervallen en verlaten dorpen over. Het cliché van Corsica is gewoon waar. Daarom voegen mijn personages zich ook naar dat cliché. Hun lot is onontkoombaar, hun wereldje gaat ten onder”.
Daar ben je als je het boek dichtslaat geheel van doordrongen. Ferrari legt het nog eens uit, door aan het eind Augustinus’ preek gedeeltelijk uit te schrijven. Stervend in zijn kathedraal denkt hij aan zijn eigen preek terug: de mensen werden er toen niet door getroost. Pas nu, nu zijn eigen doodsklok slaat begrijpt hij waarom. Een mens wordt niet getroost door algemeenheden over ondergang en opkomst van werelden.
Het boek is een roman vol historisch besef die een dreigende brug slaat naar het heden, met een zwarte ondertoon, een roman die zich niet aan je geeft, maar die je moet veroveren – en daar geven de vertalers ons alle gelegenheid toe.

Jérôme Ferrari: De preek over de val van Rome. Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre. De Bezige Bij.

Eerste prix Tulipe voor Zwitser Joël Dicker

Amsterdam, 18 juni 2013

Juryrapport prix Tulipe 2013

De Franse literatuur bruist, vernieuwt zich voortdurend, is veelzijdig, divers en open naar de wereld. De prix Tulipe wil die diversiteit en de kwaliteit van de Franse literatuur van nu laten zien aan een breed Nederlands leespubliek en daartoe ook Nederlandse uitgevers attent maken op goede literatuur uit Frankrijk. De prix Tulipe is daarom niet alleen een jaarlijkse prijs voor een roman die – bij wijze van bekroning –  in het Nederlands zal worden vertaald. Hij is ook gekoppeld aan een nieuwe website waarop regelmatig nieuws over recente Franse literatuur zal worden gepresenteerd: www.franseliteratuurvannu.nl
Op de longlist staan drie titels, in alfabetische volgorde:

Peste & choléra van Patrick Deville
Biografische schets over Alexander Yersin, een Franse wetenschapper uit het team van de beroemde microbioloog Pasteur en de ontdekker van de pestbacil. Deville maakte een schitterend, origineel en geestig portret van deze ontdekkingsreiziger, bioloog, astronoom, geograaf, zeevaarder, architect, brievenschrijver en de man die als eerste fietste.

 La vérité sur l’affaire Harry Quebert van Joël Dicker
Een ongekend spannend boek over een schrijver met een writers block en een oude moord, met een snelle opening, een flinke dosis suspense en een troebele liefdesgeschiedenis. De Zwitser Joël Dicker bestudeert Amerika, het plattelandsleven en de uitgeverswereld, en geeft in zijn page turner en passant tips voor startende schrijvers weg.

Notre-Dame du Nil van Scholastique Mukasonga
Prachtig geschreven portret van een meisjesschool aan de bron van de Nijl, in de binnenlanden van Rwanda, een miniatuurgemeenschap waar zich de etnische spanningen al aankondigen die even later het hele land in vuur en vlam zouden zetten. Knappe debuutroman van een jonge Tutsi-schrijfster die ontsnapte aan de raciale moordpartijen in haar vaderland.

Een trio dat heel verschillend is. Een trio bestaande uit boeken die volgens de jury allemaal interessant zouden zijn voor een Nederlands publiek. Drie romans die het zouden  verdienen in het Nederlands vertaald te worden. Drie gedreven auteurs met passie voor hun onderwerp, die op wat voor wijze dan ook een brug slaan naar het hier en nu. Drie maal een eigen invalshoek, drie maal een persoonlijke visie
Waar de een historisch of cultureel vergezicht opent, excellee
rt de ander juist in spanning of poëtische metaforen. Terwijl de ene tekst geestig is en geschreven alsof de duivel de auteur op de hielen zit, is de andere eerder reflectief of zelfs  schokkend. In onderwerp en in stijl verschillen deze romans enorm. Al lezend komt er een staalkaart aan stijlen voorbij, van poëtisch tot wetenschappelijk, van hartstochtelijk tot quasi-onderkoeld, van informatief tot lyrisch. In het ene boek vind je passages met alleen dialogen, in een ander tref je er geen enkele aan. In het ene boek vind je veel metaforen, in het andere geen een. Hoezeer deze auteurs ook verschillen in de benadering van hun onderwerp, in stijl, toon en register, ze zijn zonder uitzondering uitstekend geschreven. Ieder boek roept een eigen universum op, een wereld met eigen wetten, een eigen kleur en een eigen stem.
Toch kon de jury maar één titel bekronen met de eerste prix Tulipe. Maar één boek kon door ons beloond worden met een vertaling in het Nederlands. De prix Tulipe 2013 gaat naar een roman die op het eerste gezicht helemaal niet Frans is. Een roman die, als je de cover bekijkt, eerder Amerikaans aandoet. Een boek dat de vloer aanveegt met de clichés die in Nederland af en toe de kop opsteken als het over Franse literatuur gaat. Een roman die je in één keer wilt uitlezen. Een roman die ongetwijfeld ooit in de bioscoop te zien zal zijn, zó filmisch is hij opgeschreven. Een roman die spanning heeft én kwaliteit en zo meer is dan een misdaadroman. Een roman die de dwaalwegen van de menselijke geest verbeeldt en een kritische blik op de waanzin van de commercie ventileert. Een boek tenslotte dat een venijnige analyse van een vredig ogend dorp combineert met een ironische blik op het schrijverschap.  

De prix Tulipe 2013 gaat naar La vérité sur l’affaire Harry Quebert van de Zwitserse auteur Joël Dicker.

Voor meer informatie: danielle.bourgois@institutfrancais.nl

Echt gebeurd – autobiografische familieroman van Delphine de Vigan

Een roman is fictie, maar in Frankrijk steeds minder. Dat is kort gezegd een van de belangrijkste trends in de Franse literatuur van de laatste jaren. De roman is het populairste literaire genre – dat is in Frankrijk niet anders dan elders in Europa. Populairder dan het essay, poëzie of toneel. Maar wat is een roman? Wie kan hem nog definiëren? De roman is zo elastisch als wat, heeft een enorme vitaliteit, schreef de auteur Philippe Forest op de website BibliObs, de roman absorbeert alles, integreert grote en kleine verhalen van allerlei soort, hij vreet alle andere genres op.
Sinds het ontstaan van de roman in de 19e eeuw (Balzac, Flaubert) werd de kern ervan gevormd door fantasie, verbeelding, wat het hart uitmaakte van een roman was wat niet direct uit de werkelijkheid kwam. Dat nu lijkt in Frankrijk definitief passé. De roman zoekt steeds meer een verhouding tot de waarheid en de werkelijkheid, staat steeds dichter bij de persoonlijke ervaring, bij de realiteit en het fait divers. De lezer wil een ‘roman vrái’, schrijft Forest, en geen ‘vrai roman’, met andere woorden een roman die op de werkelijkheid is gebaseerd en niet puur uit de verbeeldingskracht van de schrijver komt. Literaire non-fictie zouden we hier misschien zeggen, een term die in Frankrijk geen gangbare equivalent kent. Maar ook dat etiket dekt bij lange na niet alle boeken die in Frankrijk gemakshalve als ‘roman’ worden bestempeld. Nou ja gemakshalve – verkooptechnisch is wellicht een beter woord, aangezien de roman verreweg het genre is dat het best verkoopt.
Biografie, autobiografie, autofictie, enquête, herinneringen, non-fictie – alles is in Frankrijk ‘roman’: het relaas van Sylvain Tesson die een half jaar doorbracht in de wouden van Siberië, het autobiografische verslag van de verwoestende tsunami in Sri Lanka van Emmanuel Carrère, Echenoz’ inkijkje in de levens van de componist Ravel en zijn karakterschets van de legendarische hardloper Emil Zátopek, allemaal romans, maar allemaal tevens ‘echt gebeurd’. Het vreselijke, koel neergeschreven incestverhaal van Christine Angot, de reconstructie van een moord in de banlieue van Morgan Sportès, het boek over de affaire Fritzl in Oostenrijk van de hand van Régis Jauffret – allemaal gebaseerd op de realiteit, op onderzoek, allemaal subjectieve getuigenissen en op documenten gebaseerde boeken. Allemaal ‘roman’.
Dat staat ook op de omslag van Niets weerstaat de nacht, het onlangs vertaalde boek van de Franse (scenario-) schrijfster Delphine de Vigan. Verzonnen is er maar heel weinig in dit boek. Na de zelfmoord van haar moeder heeft de schrijfster een uitgebreid onderzoek gedaan naar haar moeders leven, haar jeugd, de oorzaak van haar waanzin, de redenen voor haar korte opname in een psychiatrische inrichting. Ze interviewde haar moeders broers en zussen, beluisterde haar grootvaders bandopnames waarin hij zijn leven samenvatte, bekeek alle fotoboeken van de familie en reconstrueerde de familieweekends. ‘Ik zocht, onderzocht, zwoegde, deed ontdekkingen, bracht dingen aan het licht, besteedde uren aan het lezen en herlezen, aan het bekijken van films, foto’s ik stelde steeds dezelfde vragen, en ook andere’, schrijft Vigan. Een groot gezin, veel gezelligheid, een vrolijk en intens familieleven van vrijzinnige mensen, grote onderlinge verbondenheid – dat is de mythe. De werkelijkheid is anders. Achter de mythe schuilen intens verdriet over dodelijke ongelukken, gevoelens van haat, overspel, sterke vermoedens van incest en meerdere gevallen van zelfmoord.



Delphine de Vigan wilde haar moeder ‘eer bewijzen, haar een papieren doodskist aanbieden’. Ze maakt ons deelgenoot van de obstakels die ze daarbij tegenkomt. Net als bijvoorbeeld Laurent Binet in HhhH onderbreekt ze haar verhaal om van een afstandje de wording van haar eigen boek te beschouwen en de lezer deelgenoot te maken van haar twijfels, van de momenten waarop het schrijven stokt, van het commentaar dat haar geliefde geeft op wat ze heeft geschreven. Soms kan ze niet verder, vraagt ze zich af waar ze mee bezig is, soms is ze ‘de bezieling’ kwijt, is er alleen maar ‘een reusachtige vermoeidheid of een gigantische moedeloosheid’. Dan realiseert ze zich dat schrijven ‘niets vermag’, dat ‘het hooguit de mogelijkheid biedt vragen te stellen en bij het geheugen te rade te gaan’. Op zoek naar de waarheid? Wat een illusie. Ze heeft alleen maar ‘losse stukjes en alleen al ze ordenen leverde fictie op. Wat ik ook zou schrijven, het zou een verzonnen verhaal zijn’. Maar steeds komt ‘de obsessie’ met het onderwerp boven, steeds drijft die passie haar verder.
Af en toe realiseert ze zich de impact van haar verhaal: ‘over je familie schrijven is zonder enige twijfel de beste manier om er ruzie mee te krijgen’. Daar weet menig schrijver van mee te praten, ook de laatste jaren heeft menig Frans auteur een familielid of een voormalige vriend(in) voor de rechter moeten treffen. En inderdaad, als lezer kun je je voorstellen dat haar familie op zijn zacht gezegd niet blij moet zijn geweest. ‘Heb ik het recht te schrijven dat mijn moeder en haar broers en zussen allemaal op enig moment in hun leven (of hun leven lang) gekwetst, kapotgemaakt zijn, geestelijk uit hun evenwicht werden gebracht (..) dat ze hun familie met zich hebben meegedragen als een brandmerk? Heb ik het recht te schrijven dat Georges een vader was die schade aanrichtte, kapotmaakte en vernederde? (..) dat hij met sommigen van zijn dochters betrekkingen onderhield die je op z’n minst verdacht kunt noemen?’  Dat recht heeft Delphine de Vigan zich toegeëigend. Ze heeft persoonlijke redenen om de vraag met ‘ja’ te beantwoorden: ‘Ik schrijf dit boek omdat ik (..) wil weten wat ik doorgeef, omdat ik wil ophouden bang te zijn dat ons iets overkomt..’. Ze wil de geërfde demonen analyseren en op afstand houden, begrijpen waar ze uit voortgekomen is en zichzelf beter begrijpen.
Als lezer bekroop mij regelmatig de vraag: waarom zou ik dit willen weten? Dit gaat mij niet aan, houd het voor jezelf. Maar meer dan een half miljoen Fransen kochten het boek, ze wilden het wél weten, ze schreven massaal brieven naar de auteur. Nieuwsgierigheid? Herkenning? Het
verlangen achter de façade te kijken, te weten hoe de buurvrouw eraan toe is? Dit is ‘echt gebeurd’, wisten haar lezers, dit is het échte leven.
Ook al lijkt wel een roman.
Delphine de Vigan: Niets weerstaat de nacht. Vertaald door Jan Versteeg. De Geus. 442 blz. Prijs € 21,90

Shortlist Europese Literatuurprijs bekend – leestips voor de zomer!

De shortlist voor de Europese Literatuurprijs 2013 is tijdens een feestelijke avond in SPUI25 in Amsterdam bekendgemaakt. De jury selecteerde, uit de longlist van 21 vertalingen, vijf titels die in aanmerking komen voor de prijs. De prijsuitreiking zal op 31 augustus plaatsvinden, tijdens de Uitmarkt in Amsterdam.

De volgende vijf titels zijn genomineerd (in alfabetische volgorde op naam van de auteur):
  • Mr Gwyn van Alessandro Baricco, vertaald uit het Italiaans door Manon Smits (De Bezige Bij)
  • Limonov van Emmanuel Carrère, vertaald uit het Frans door Katelijne De Vuyst en Katrien Vandenberghe (De Bezige Bij Antwerpen)
  • Liefde van Karl Ove Knausgård, vertaald uit het Noors door Marianne Molenaar (De Geus)
  • Coupé No6 van Rosa Liksom, vertaald uit het Fins door Annemarie Raas (Podium)
  • De verliefden van Javier Marías vertaald uit het Spaans door Aline Glastra van Loon (J.M. Meulenhoff)
Enkele overwegingen van de jury bij de selectie van de shortlist:
Alessandro Baricco weet met Mr Gwyn een inkijkje te geven in het domein van de creatie, hij schept een universum waarin met minimale middelen op superieure wijze de verbeelding van de lezer wordt aangesproken.

In Limonov geeft Carrère een origineel en zeer overtuigend beeld van de Russische schrijver en halve revolutionair Limonov, dat tegelijkertijd in schrille kleuren de wanhoop van het huidige Rusland schetst.
Liefde van Karl Ove Knausgård is een diepgravende en fascinerende autobiografische roman over de moeizame verhouding tussen man en vrouw, vader en kind, liefde en werk.

Rosa Liksom is een frisse, oorspronkelijke stem in de Scandinavische literatuur. Coupé No6 lezen is een bevrijdende en verrijkende ervaring.

Javier Marías geeft blijk van een diep inzicht in de menselijke geest en drijfveren. De verliefden biedt een waaier aan meesterlijke bespiegelingen over dé thema’s in de literatuur: liefde en dood.
De Europese Literatuurprijs wordt in 2013 voor de derde keer uitgereikt en bekroont de beste Europese roman die in 2012 in Nederlandse vertaling is verschenen. Eerder wonnen Alsof het voorbij is van Julian Barnes en vertaler Ronald Vlek en Drie sterke vrouwenvan Marie NDiaye en vertaler Jeanne Holierhoek. De prijs bestaat uit een geldbedrag van € 10.000 voor de schrijver en € 2.500 voor de vertaler van het bekroonde boek.
De longlistwerd door dertien onafhankelijke boekhandels gekozen. Een vakjury selecteert daaruit de shortlist en de winnaar.

De jury bestaat uit:

  • Alexander Rinnooy Kan, voorzitter; hoogleraar economie en bedrijfskunde aan de UvA en fervent lezer
  • Kees ‘t Hart, schrijver en literair criticus
  • Judith Uyterlinde, schrijver en literair criticus
  • Arno Koek, Boekhandel Blokker, Heemstede
  • Maartje Kroonen, Literaire Boekhandel Lijnmarkt, Utrecht
De Europese Literatuurprijs is een initiatief van Academisch-cultureel centrum SPUI25, het Nederlands Letterenfonds, weekblad De Groene Amsterdammer en Athenaeum Boekhandel en wordt mede mogelijk gemaakt door de volgende onafhankelijke boekhandels:
Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met het Nederlands Letterenfonds, tel. 020-520 73 00.

Assises Internationales du Roman in Lyon inspirerend en druk bezocht

Le sentiment de la vie

29/05/2013 >  19:00  20:30

Les Subsistances
8 bis Quai Saint-Vincent
Lyon 1er
La sensation de se sentir pleinement vivant s’impose parfois à nous au détour d’une émotion, d’un souvenir, d’une pensée ou devant la grandeur immobile d’un paysage. Tout à coup, la vie surgit dans ce qu’elle a de plus brut et de plus beau. Comment la littérature peut-être rendre sensible cette sensation physique d’être au monde, cette vie à l’état pur, dont la puissance n’a d’égale que la fugacité ? Entre matérialisme et métaphysique, comment les écrivains traduisent-ils ce surgissement qui nous envahit ? Comment dire ce bonheur physique et psychique d’être là, ici et maintenant ?
Animée par : Margot Dijkgraaf. Avec :
Margot Dijkgraaf
Maxime Ossipov
Jón Kalman Stefánsson
Sylvie  Germain

TwitterFacebook

Hoe beschrijft een auteur een intens levensgevoel? Iedereen kent die flitsen van geluk die ineens door je heen kunnen gaan. Een kort moment, vluchtig, voor je het weet is het weer verdwenen. Waarom is het zo moeilijk het gevoel van geluk te beschrijven en verwoorden auteurs veel vaker het gevoel ongelukkig te zijn? Die vragen nam ik door met de IJslandse schrijver Jón Kalman Stefánsson, de Russische auteur en cardioloog Maxime Ossipov en de Franse filosofe en schrijfster Sylvie Germain.
Het werd een intense discussie waarbij er veel te lachen viel. 600 bezoekers volgden via simultaanvertaling de antwoorden in het Frans, IJslands en Russisch, een ware Babylonische spraakverwarring. Het werk van Stefánsson in in het Nederlands vertaald en verschijnt bij AmboAnthos. Sylvie Germain schreef een mooi boek over Etty Hillesum, maar is nauwelijks in het Nederlands vertaald. Ossipov schreef een eerste boek over zijn ervaringen van cardioloog in een stadje buiten Moskou, ook dat is onvertaald.
De Assises du Roman in Lyon worden dit jaar voor de zesde keer georganiseerd door de Villa Gillet en Le monde. Tientallen auteurs van over de hele wereld geven acte de présence. Iedere ronde tafel trekt rond de 600 bezoekers, waaronder veel studenten. Uitstekend georganiseerd en altijd inspirerend.

Shortlist Prix Tulipe bekend

Persbericht
Amsterdam, 29 mei 2013

Shortlist voor de prix Tulipe 2013 bekend
De jury van de prix Tulipe, de prijs voor de beste Franse roman van vorig jaar, heeft drie romans gekozen voor de shortlist:

Peste & choléra van Patrick Deville

Biografische schets over Alexander Yersin, een Franse wetenschapper uit het team van de beroemde microbioloog Pasteur en de ontdekker van de pestbacil. Deville maakte een schitterend en origineel portret van deze ontdekkingsreiziger, bioloog, astronoom, geograaf, zeevaarder, architect, brievenschrijver en de man die als eerste fietste.

 La vérité sur l’affaire Harry Quebert van Joël Dicker



Een ongekend spannnend boek over een schrijver met een writersblock en een oude moord, met een snelle opening, een flinke dosis suspense en een troebele liefdesgeschiedenis. De Zwitser Joël Dicker bestudeert Amerika en geeft  in zijn page turner en passant tips voor schrijvers weg.

Notre-Dame du Nil van Scholastique Mukasonga


Prachtig geschreven portret van een meisjesschool aan de bron van de Nijl, in de binnenlanden van Rwanda, aan de vooravond van het geweld dat generaties zou tekenen. Knappe debuutroman van een jonge Tutsi-schrijfster die ontsnapte aan de raciale moordpartijen in haar vaderland.

Op 18 juni, om 17 uur, zal in het Maison Descartes, de winnaar bekend worden gemaakt. U bent van harte welkom bij de feestelijke bekendmaking.

De jury bestaat uit: Danielle Bourgois, Margot Dijkgraaf, Phi
lip Freriks, Renée van Herwaarden, Fouad Laroui en Rebecca van Raamsdonk.
De prix Tulipe is een prijs voor de beste Franstalige roman die door zeven grote literaire prijzen in Frankrijk is bekroond. De prijs heeft tot doel de diversiteit en de kwaliteit van hedendaagse Franstalige romans te laten zien en voor een breed Nederlands leespubliek onder de aandacht te brengen.
De gekozen Franstalige roman zal in het Nederlands worden vertaald. Bij verschijnen van de Nederlandse vertaling zal de auteur worden uitgenodigd naar Amsterdam te komen.
De prijs is een initiatief van het Institut Français des Pays-Bas en Margot Dijkgraaf, literair critica en directeur van SPUI25, en zal jaarlijks worden gerealiseerd in samenwerking met Nederlandse uitgevers.

Op 18 juni lanceert het Institut Français bovendien een nieuwe website, waarop regelmatig nieuws over recente Franse literatuur zal worden gepresenteerd. www.franseliteratuurvannu.nl
De longlist bestond uit 7 in Frankrijk bekroonde romans:
Jérôme Ferrari Le sermon sur la chute de Rome (Goncourt)
Philippe Djian Oh…(Interallié)
Scholastique Mukasonga: Notre-Dame du Nil (Renaudot)
Patrick Deville: Peste & choléra (Femina)
Joël Dicker: La vérité sur l’Affaire Harry Quebert (Goncourt des Lycéens et Académie française)
Mathieu Riboulet: Les oeuvres de miséricorde (Décembre)
Emmanuelle Pireyre: Féérie générale (Medicis)
Voor meer informatie: Danielle Bourgois : danielle.bourgois@institutfrancais.nl– Tel. 020-5319535. Bij haar afwezigheid: m.h.dijkgraaf@planet.nl.

Ouder worden in de literatuur – van Casanova to De Beauvoir, van Duras tot Roth

Iedere vrouw boven de 40 in Frankrijk gebeurt het. Van het ene moment op het andere wordt ze niet langer aangesproken met ‘mademoiselle’, maar met ‘madame’. In een artikel in The Guardian legde de Franse schrijfster Marie Darrieussecq de Engelsen onlangs uit wat het verschil is: de Fransen noemen een vrouw ‘mademoiselle’ zolang ze er in hun ogen jong en aantrekkelijk uitziet. Er kan nog met haar geflirt worden, het is de moeite waard te proberen haar in bed te krijgen. Wordt het ‘madame’, dan is haar tijd voorbij. Voor Darrieussecq mede reden om te pleiten voor afschaffing van het woord ‘mademoiselle’, een man is immers op alle leeftijden een ‘monsieur’.
Wanneer ben je eigenlijk oud in 2013? En wat betekent dat dan? Dat is de vraag die Martine Boyer-Weinmann stelt in haar ‘anthropologie littéraire de l’âge’, een recente, gedegen wetenschappelijke studie met de Durassiaanse titel Vieillir, dit elle. Dat ‘vieillir’ is een worsteling – zoveel is meteen duidelijk. Uit ontzetting over het feit dat hij drie maanden later 50 zou worden, schreef de Franse schrijver Stendhal stiekem aan de binnenkant van zijn ceintuur: ‘J.vaisavoirla5’. In dezelfde toestand van shock noteert Giacomo Casanova in zijn autobiografie De geschiedenis van mijn leven dat hij in september 1763, op zijn achtendertigste, ‘begon te sterven’. Bij Marguerite Duras viel het kwartje eerder, in haar autobiografische roman De minnaar lezen we (in de vertaling van Marianne Kaas): ‘Op mijn achttiende ben ik oud geworden. (..) Die veroudering is abrupt geweest. Ik vond dat niet angstaanjagend, integendeel, hoe de veroudering van mijn gezicht zich voltrok heb ik gezien met dezelfde belangstelling als waarmee ik bijvoorbeeld de gebeurtenissen in een boek zou hebben gevolgd. (..) Ik heb een verwoest gezicht.’ Uit dat verwoeste gezicht, uit de manier waarop Duras haar eigen plotse verouderingsproces heeft gelezen en vormgegeven, is in zekere zin Duras als schrijfster geboren.
Hoe worden mensen oud in de literatuur? De vijfenzestigplusser van nu is immers sportief, reislustig en zongebruind. Híj is fit en voetbalt met zijn kleinzoon, zíj is rimpelloos en gaat zingend naar de kinderboerderij met het kroost van haar werkende dochter. De ‘babyboomer is een dynamische zestiger’, schrijft Boyer-Weinmann, iemand die in zijn tienerjaren ‘verrukkelijke utopieën’ koesterde, hij was ‘geboren om nooit oud te worden, nooit te sterven’. En achterom kijken – daar heeft de babyboomer nooit de tijd voor genomen, veronderstelt ze.
Maar hoe zit dat in de literatuur? Wie het werk van een schrijver volgt, volgt tegelijkertijd, onvermijdelijk, zijn of haar proces van ouder worden. Crises, breekpunten, de balans opmaken – het zijn altijd literaire  onderwerpen geweest. Is er eigenlijk een verschil tussen de manier waarop vrouwelijke en mannelijke auteurs met dat proces omgaan?Ja, zegt Boyer-Weinmann in een interview met dagblad Le Monde. In het vrouwelijke schrijven wordt er een stuk minder gezucht en gesteund, er worden minder angsten gekoesterd en geventileerd: ‘het vrouwelijke schrijven is prikkelender en stimulerender’ (dan dat van mannelijke schrijvers).
Aan die laatsten besteedt de wetenschapster niet veel aandacht. In een noot verwijst ze naar een paar late romans van Philip Roth, de Amerikaanse schrijver die onlangs aankondigde definitief met schrijven te stoppen. Inderdaad – zijn alter ego’s takelen lichamelijk af, lijden aan allerlei ouderdomskwalen en worstelen met doodsangst. Exit geest bijvoorbeeld opent met een man die naar New York rijdt voor een bezoek aan zijn uroloog. Sinds zijn prostaatoperatie is hij incontinent geworden, hij heeft weinig lol meer in zijn leven.
En ja – zijn Franse collega Michel Houellebecq, vijftiger, kreunt ook over zijn vorderende leeftijd. ‘Le monde est ennuyé de moy’, citeert hij Charles d’Orleans, de wereld heeft genoeg van mij en ik van hem, ‘et moy pareillement de luy’. Daarbij vergeet hij wel aan te tekenen dat de Franse vorst 40 jaar van zijn leven als gijzelaar moest slijten in een Engels fort. Houellebecqs recentste roman, De kaart en het territorium, draait om veroudering, aftakeling, ziekte, euthanasie en de dood. Het ultieme project van zijn hoofdpersoon, een beeldend kunstenaar, bestaat uit hypnotiserende beelden waarin voorwerpen verrotten, in elkaar schrompelen, verdrinken in lagen van vegetatie. Ashes to ashes, vergankelijkheid alom.
En wat te denken van de uitspraken van de Franse filosoof Jean-Paul Sartre? Op zijn zeventigste verklaarde hij in een interview dat zijn geest nog superkrachtig was. Hij duldde geen oude mensen in zijn buurt, met dertigers wilde hij zich omringen. Oude mensen die hij ook in hun jonge jaren had gekend hadden ‘al hun frisheid verloren’.
Maar oudere mannelijke schrijvers kunnen hun nostalgie, doodsangst, obsessies of zelfoverschatting ook sublimeren in energiek schrijverschap. Dat bleek twee jaar geleden bijvoorbeeld uit De Patagonische haas van de 87-jarige filmmaker Claude Lanzmann. Zelden verscheen er een gretiger ode aan het leven. In een van zijn artikelen in zijn daarna verschenen bundel Le tombe du divin plongeur (2012) bejubelt hij de energie van Simone de Beauvoir, met wie hij ooit zeven jaar samenwoonde. Haar ‘onstilbare reislust’, haar ijzeren discipline, haar wil op reis alles te zien en te weten – het dwong bij hem diep respect af, zeker omdat zij op dat moment (al) 44 was en hij 27.
Boyer-Weinmann beschouwt De Beauvoir – hoe kan het anders – als de oermoeder van het vrouwelijke schrijven over ouder worden. De Franse filosofe wijdde haar bestaan aan de metamorfoses in een vrouwenleven. In haar eerste dagboeken uit 1926 (ze is dan 18) roept ze uit dat ze ‘zoveel ouder is dan haar leeftijdgenoten’, in haar beroemde essay De ouderdom(1970) laat ze zien hoe schandelijk de samenleving omgaat met bejaarden, een taboe dat ze als eerste doorbreekt. Haar romanpersonages verouderen tegen de achtergrond van hun gefnuikte ideologische idealen en hun onvermogen de loop van de geschiedenis te veranderen.  ‘Ik heb nooit een vrouw ontmoet’, schrijft De Beauvoir, ‘die blij was dat ze oud werd’. Ook haar eigen leven en dat van haar moeder neemt De Beauvoir onder de loep – dat feitelijk, afstandelijk en zonder in wanhoop of pathetische zelfoverschatting te vervallen.
Vóór De Beauvoir waren er George Sand en Colette, schrijfsters die tot op hoge leeftijd positief in het lev
en stonden. Tot op de dag van vandaag een patent tegengif voor iedere vorm van levensmoeheid. ‘Ik ben 75’, schrijft Sand in haar dagboek, ‘ik voel me veel beter dan in mijn jeugd, ik word zonder problemen wakker, ik ben kalm en nooit meer verkouden’. Ná De Beauvoir waren er Doris Lessing en Annie Ernaux, vrouwen die hun leven lang schreven. In een van Lessings recentste boeken, De grootmoeders  vertelt ze het verhaal van twee hartsvriendinnen die ieder ieder een relatie met de zoon van de ander – totdat ze zichzelf te oud beginnen te vinden en hun zonen aanraden een vrouw van hun eigen leeftijd te zoeken. Les années (2007) is het magnum opus van Annie Ernaux. Op de sociologische manier die haar eigen is komt ze terug op de cruciale etappes uit haar leven: een jeugd in een arbeidersmilieu, passie, ziekte, dood – en schrijft daarmee een prachtig collectief beeld van het verstrijken van de tijd in het leven van iedere vrouw van haar leeftijd.
Zo analyseert Boyer-Weinmann bij Hélène Cixous, Nancy Huston, Nuala O’Faolain, Regine Detambel en Benoîte Groult en anderen hoe vrouwen omgaan met het voortschrijden van de tijd en met hun eigen veroudering. Er is geen geklaag, valt haar op, nauwelijks wrok, geen diepe wanhoop. Deze vrouwen registreren de metamorfose van hun lichaam, ze zien hoe ze steeds weer van gedaante wisselen. Hun sociale leven verandert, ze nemen steeds vaker hun toevlucht tot de boekenkast. ‘Om door te gaan met leven, moet de dood in ons gedood worden’, schrijft de onderzoekster. En daar zijn ze volop mee bezig. ‘Nooit zal ik ophouden nieuwe dingen te ontdekken’, schrijft Colette een paar weken voor haar dood, ‘iedere keer als ik wakker word is de wereld nieuw voor mij’.
Mannen anticiperen nauwelijks op het feit dat ze ouder zullen worden, zegt Boyer-Weinmann in Le Monde, hen slaat de angst pas goed om het hart op het moment dat ze impotent worden, of incontinent. Vrouwen zijn realistischer, ze kijken vooruit. Al jong weten ze dat er een dag zal komen waarop ze niet langer met ‘mademoiselle’ zullen worden aangesproken.

Martine Boyer-Weinmann: Vieillir, dit-elle. Une anthropologie littéraire de l’âge. Champ Vallon. € 19

Jan Hanlo Essay Prijs voor Marja Pruis

Dit is het juryrapport van de Jan Hanlo Essay Prijs Groot en Klein:

Het mag dan crisis zijn – het essay bloeit. De cultuur staat onder druk en het denken in economische termen heeft de overhand. Valorisatie, maatschappelijk nut, economisch gewin – dat zijn de sleutelwoorden van vandaag. De essayist stelt vragen, reflecteert op de actualiteit, gaat op zoek naar de achterkant van het weefsel, de keerzijde van de medaille. De essayist is nieuwsgierig, onderzoekend, wenst zich niet zomaar aan te sluiten bij het gangbare en doet persoonlijk verslag van zijn of haar zoektocht. De lezer denkt mee, laaft zich, vormt zich een idee, komt tot een eigen inzicht. Zo beantwoordt het essay aan het verlangen naar inhoud, verwondering en fascinatie die onze tijd óók kenmerkt. Onze focus op economie, materiële welvaart en het individu leidt tegelijkertijd tot een grotere behoefte aan inspiratie, ernst, verbazing, inzicht, verdieping, schoonheid, debat en zelfontplooiing. Uitgevers herkennen die vraag en aarzelen niet het over het algemeen als moeilijk te boek staande genre van het essay volop te blijven uitgeven.
Voor de Jan Hanloprijs groot las de jury dit jaar 114 boeken, waarbij de variëteit van de inzendingen enorm was: beschouwende reisverhalen, stevige filosofie, zoektochten naar identiteit, analyses van de menselijke emotie, ooggetuigeverslagen, bewerkte proefschriften, omgewerkte journalistiek, zelfhulpboeken, gebundelde columns – het zat er allemaal bij.
Een deel van de inzendingen vond de jury van uitzonderlijk hoge kwaliteit. Zij had dan ook een relatief groot aantal stevige vergaderingen nodig, waarbij zij uit de rijke oogst eerst een longlist van 16 titels selecteerde.  Daarna volgde een shortlist die zij niet tot de gebruikelijke 3 genomineerden kon beperken, het werden er 5. Tot onze spijt moesten er bijzondere boeken afvallen, zoals de puntige analyse van onze eeuwige haast in Neem de tijd van Koen Haegens; de brug die Joris Note slaat tussen literatuur en politiek in Wonderlijke wapens; het mooi geschreven én uitgegeven Grote landschapsboek van Willem van Toorn; en de eigenzinnige ode aan het zelfstandig denken in Denken op de plaats rust van Henk van der Waal;
Een eigen stem – dat was een van de criteria van de jury. Die persoonlijke stem mocht tegelijkertijd niet ontsporen en het onderwerp overwoekeren. De jury waardeerde de grote greep meer dan de beschouwing op de vierkante centimeter en de poging voor een groot publiek te schrijven meer dan de focus op een klein, al voor de zaak gewonnen, specialistisch  lezerspubliek. Was er sprake van een boek met een wetenschappelijk karakter, dan ging de waardering van de jury uit naar het werk waarbij meer op het spel stond dan louter de popularisering van een vakgebied. Ook gaf de jury in principe de voorkeur aan een boek met een eenheid, boven een bundel van naast elkaar staande artikelen gegroepeerd rond hetzelfde thema. Tot slot heeft de jury in het bijzonder gekeken naar essays met een actuele politiek-maatschappelijke lading, waarbij de auteur het risico nam een origineel pad van denken te bewandelen.
Uiteindelijk heeft de jury 5 uitstekende boeken genomineerd – in veel opzichten ongelijksoortig, doch tegelijkertijd elk exceptioneel.
In Hamburgers in het paradijs, een geschiedenis van ons voedsel met allerhande vraagstukken daaromheen, is Louise O. Fresco erin geslaagd haar enorme vakinhoudelijke kennis te verbinden met brede historische en culturele elementen, die voor een groot publiek boeiend en informatief zijn. Bovendien aarzelt ze niet naar eigen relevante ervaringen te verwijzen en haar betoog daarmee persoonlijker te maken. Haar boek verschaft de lezer een weelde aan nuchter, wetenschappelijk inzicht – over een emotioneel beladen onderwerp dat vaak voorpaginanieuws is – zonder op enig moment te vervallen in een sec encyclopedische toon. Fresco gaat voor de grote greep, het omvattende panorama en zet haar kwaliteiten van fictie-auteur, die zij ook is, in om haar lezer mee te voeren door de wereld van voedsel, landbouw en de toekomst van de aarde.
Ook Joep Leerssen heeft in het academische veld zijn lauweren verdiend. Toch is ook hij er in Spiegelpaleis Europa. Europese cultuur als mythe en beeldvorming in geslaagd de academische toon te verlaten en ieder van ons te verleiden zijn Europese culturele paleis te betreden. Erudiet en verhalend verbindt deze specialist van imagovorming  subjectief en op sprankelende wijze Europese literatuur, muziek en film, in heden en verleden. Speels en verhalend verkent hij het Europese cultuurhistorische labyrint, licht er bekende én onbekende literaire en culturele thema’s uit en brengt zijn kennis op exceptioneel enthousiasmerende wijze over op de lezer.
De innerlijke bibliotheek die Marja Pruis voor haar lezers openstelt in Kus me, straf me biedt ons een intellectueel-avontuurlijke tocht door een persoonlijk labyrint van ‘lezen en schrijven, liefde en verraad’, zoals de ondertitel luidt. In haar boek bespeelt Pruis virtuoos verschillende literaire registers. Ze is poëtisch, uitermate geestig, nu weer beschouwend, dan aarzelend, reflecteert nu eens via fictie of met  journalistieke inslag, maar altijd op een lichte, persoonlijke, direct aansprekende toon. Met verve rekt ze de grenzen van het genre van het essay tot het uiterste op. Ook de lezer voor wie haar onderwerpen strikt onbekend terrein zijn, verleidt ze dankzij haar verademend toegankelijke stijl. Ze schrijft intiem zonder opdringerig te worden, buigt zich over hedendaagse clichés, portretteert genuanceerd, op haar eigen tastende wijze grote vrouwelijke auteurs, waarbij ze een intuïtieve intelligentie etaleert die op haar lezer uitermate aanstekelijk werkt.
Van alle genomineerde boeken is dat van Willem Schinkel ongetwijfeld het onstuimigst. In zijn boek De nieuwe democratie verwoordt hij bevlogen zijn fundamentele kritiek op het huidige democratische bestel. Hij ontmantelt clichés van links en rechts, pleit voor een nieuwe politisering en tracht het debat over democratische vernieuwing een nieuwe impuls te geven. Zijn felle toon, innovatieve taalgebruik en wetenschappelijke kennis onderscheiden het boek van andere publicaties over politiek en democratie. Van de jury krijgt
Schinkel absolute lof voor de manier waarop hij risicovol en kritisch de wereld tegemoet treedt.
Peter Venmans tot slot bewijst in zijn boek Het derde deel van de ziel. Over thymos, dat men uitgaand van een weinig bekend en in wezen onvertaalbaar begrip als thymos toch een uitstekende en verrassende analyse kan geven van elementen die onbewust de huidige samenleving kenmerken. Hoe actueel de oudheid is, bewijst Venmans daarmee op overtuigende wijze. Met enthousiaste eruditie neemt hij zijn lezer aan de hand van grote filosofen en fictieschrijvers mee in zijn verkenning van het menselijk handelen door de eeuwen heen, van meritocratie, heldendom en een lastig te duiden begrip als ‘de ziel’.
Zie hier de vijf nominaties voor de Jan Hanlo-essayprijs 2013. Vijf boeken die informeren, inspireren, wijzer maken, reflecteren en in dialoog gaan. Vijf gedreven auteurs met passie voor hun onderwerp, die op wat voor wijze dan ook een brug slaan naar het hier en nu. Vijf maal een eigen invalshoek, vijf maal een persoonlijke visie. Vijf maal boeken die je na een keer lezen niet ‘uit’ hebt.
Toch heeft de jury een keuze moeten maken voor één winnaar die naar huis gaat met het grootste eerbetoon, de trofee en het geldbedrag van € 7000.  De Jan Hanlo essayprijs 2013 gaat naar een essay waarin de auteur getuigt van een enorme liefde voor en inzicht in de literatuur en niet schroomt zichzelf daarbij risicovol in te zetten, naar een essay dat humor en nuance en combineert met zelfonderzoek en literaire passie. De winnaar van Jan Hanlo essayprijs 2013 is Marja Pruis en haar boek Kus me, straf me.



Zoals gebruikelijk kreeg de jury de inzendingen voor de Jan Hanloprijs Klein zonder dat daarbij de naam van de auteur was vermeld. Het ging dit jaar om maar liefst .. inzendingen. Zij mochten maximaal 2500 woorden tellen en moesten geschreven zijn naar aanleiding van een thema dat ook dit jaar was ontleend aan het werk van Jan Hanlo: ‘Mijn benul. Benul is het eerste besef van expressie. Het is eerlijk.’ (Uit: Mijn benul).
Een aanzienlijk deel van de inzendingen bleek geen enkel verband te hebben met het thema en viel daarmee af. Voor degenen die zich hadden ingespannen om te reflecteren op de gekozen zinsnede, bleek de taak vaak knap lastig. De jury kwam tot een shortlist van drie; twee daarvan interpreteerden het begrip ‘benul’ als een eerste besef van menselijke sterfelijkheid.  De derde, Ruth Lasters, onderzoekt in Alice’s valsnelheid, op heel persoonlijke wijze in hoeverre wij nog in staat zijn tot oorspronkelijke gedachten, tot ‘benul door zelfexpressie’, in een wereld die door de media wordt geregeerd. Daan Stoffelsen analyseert in zijn essay Waarschuwingen, ravijnen en ziekenhuisgebouwen hoe schrijvers van literair werk omgaan met ‘het dodelijke ongeluk’ in de literatuur. Hoe wordt die levensecht, waar zit de identificatie, welke ‘listen’, welke technieken staat de schrijver ter beschikking? Ook het essay van schrijversduo Jan Truijens Martinez en Anouk van Kampen, Alles wat al gezegd is, opent met een ongeluk en is tevens het vertrekpunt van een reflectie over sterfelijkheid. Hoe geeft dit ‘benul’ vorm aan ons leven, welke keuzes maakt een mens? Maar ook: wat vermag de creativiteit?
De jury kent de Jan Hanloprijs Klein toe aan het essay dat een eigen stijl en toon combineert met een originele benadering van een literair thema. Een tekst die de overkoepelende kracht van de essayistiek laat zien en verbanden weet te leggen tussen zeer uiteenlopende literaire werken. De Jan Hanloprijs Klein, bestaande uit € 1500 en de bijbehorende onderscheiding gaat naar Daan Stoffelsen voor zijn essay Waarschuwingen, ravijnen en ziekenhuisgebouwen.
De jury van de Jan Hanlo Essayprijs 2013:
Geert Buelens, Margot Dijkgraaf (voorzitter), Xandra Schutte en Arjen van Veelen

Bruisende Europese literatuurnacht

Gisteravond vond voor de derde keer in Amsterdam de European Literature Night plaats, dit keer in De Brakke Grond. Zeven auteurs uit alle uithoeken van Europa gaven acte de présence en spraken over hun werk, de grote thema’s in de literatuur, de positie van de schrijver in hun land of stad, over het vak van schrijven en de moeilijkheden en uitdagingen die ze daarbij tegenkomen.

De avond was een initiatief van EUNIC, de overkoepelende netwerkorganisatie van de buitenlandse culturele instituten in Nederland. 
Het thema van de avond was afgeleid van een van de onderwerpen uit de Essais van de Franse filosoof Montaigne, ‘Wij lachen en huilen om hetzelfde’. Twaalf teksten rond dit thema – naast die van de zeven aanwezige auteurs nog vijf andere – zijn gebundeld in een boekje met de titel De smalle grens tussen vreugde en verdriet, uitgegeven door Cossee.
Een fotoimpressie, met dank aan Filip Bloem, Tsjechisch Centrum.