Schrijven in het Syrië van nu

‘Hij trok aan mijn arm om me weer rechtop te zetten. Ik zag de aarde draaien en viel nog een keer, toen hoorde ik zijn stem hen opdracht geven me naar huis te brengen. Het puntje van zijn schoen raakte mijn neus toen ik op de grond lag. Het was een glimmende, grote, moderne schoen’. Het zijn een paar regels uit Feux croisés, het dagboek dat de Syrische romanschrijfster Samar Yazbek (42) bijhield van 25 maart tot 9 juli 2011, tijdens de eerste maanden van wat de Syrische lente moest worden. Als schrijfster, journaliste en presentatrice van een tv-programma, bovendien afkomstig uit een machtige, alawitische, pro-Assad familie, kiest ze de kant van de opstandelingen – wat haar en haar dochter het doelwit maakt van islamisten, veiligheidstroepen en fundamentalistische milities. Ze wil zien wat er in haar land gebeurt, gelooft alleen wat haar vrienden haar via internet melden, neemt taxi’s naar de pleinen, ziet hoe bij pacifistische demonstraties mensen worden afgetuigd, gearresteerd en vermoord. Zelf wordt ze opgepakt, bedreigd en mishandeld. In haar boek neemt ze, behalve wat ze zelf ziet en ervaart, ook getuigenissen op van anderen: een lange reeks van gruwelen. Heel concreet beschrijft ze hoe Damascus ‘een dode stad’ wordt, hoe in enkele maanden het land waarin ze 40 jaar woonde en zijn inwoners onherkenbaar verandert. Haar dagboek getuigt van ‘de opstand van een vernederd volk dat zich wil ontdoen van het juk van het regime en zijn waardigheid wil hervinden’ en niets zal hen daarvan weerhouden. Yasbek ontvlucht haar land, uitgeput en getraumatiseerd. Opgeven? Nooit.
Hoe harder de repressie, hoe vastberadener de opstand – althans in de euforie van het eerste jaar. De kunst bloeide op. In Syrië zie je ,,een explosie van creativiteit”, zegt ook Farouk Mardam-Bey, de in Syrië geboren uitgever van de reeks Arabische literatuur bij Actes Sud. ,,Overal, in de steden maar ook in de verre uithoeken van het land zie je jong talent tot ontplooiing komen, in de literatuur, de schilderkunst, de film en de fotografie”. Het Westen weet maar weinig over de literatuur uit Syrië, er is zo goed als niets vertaald. Tot de jaren ’70 werd er voornamelijk poëzie geschreven, dichters zoals Muhammud al Maghut waren sterren in hun eigen land, met hun optredens konden ze een voetbalstadion vullen. Daarna werd het korte verhaal populairder en in het kielzog daarvan de roman. Vuistdikke romans worden er sinds de jaren ’70 geschreven, veel gelezen binnen de Syrische grenzen, maar Westerse uitgevers vinden ze onvertaalbaar: wie zou hier 1000 pagina’s willen lezen van een compleet onbekende Arabische auteur? Mardam-Bey: ,,het zijn romans die de geboorte van een nieuwe heersende klasse in Syrië laten zien, over kleine boeren die officieren worden en veranderen in absolute monsters – geschreven door heel ambitieuze auteurs die hun werk geen letter willen inkorten”.
Wie een boek in Syrië publiceert krijgt met de zogenaamde ‘triangle de l’interdit’ te maken, censuur als het gaat om religie, politiek en literair succes. De gemiddelde oplage is zo’n 1000 exemplaren. De schrijver die een uitgever vindt in Beyrouth of Caïro heeft kans om een groter lezerspubliek te vinden, buiten de nationale grenzen.
De absolute bestseller in de Arabische wereld is Het Yacoubian van de Egyptische auteur Alaa el Aswany (meer dan 100.000 exemplaren verkocht in een land waar heel weinig wordt gelezen), maar ook Taxi van Khaled el Khamissy bereikte de bestsellerstatus. Beide boeken hebben ongetwijfeld indirect een bijdrage geleverd aan de Egyptische lente: ze geven kleurrijk en niet zonder humor, een beeld van het harde leven van ‘gewone’ Egyptenaren – de eerste aan de hand van het wel en wee van de bewoners van een groot gebouw in het centrum van Caïro, de ander in de vorm van een caleidoscoop van verhalen die verteld worden aan een taxichauffeur in Caïro. De manier waarop zijn klanten over overheidsdienaren spreken, verraadt enorme onvreden. De eerste schrijver verdient zijn brood als tandarts, de tweede leeft van zijn scenario’s en zijn televisieoptredens. De reden? Piraterij. Geen boek dat inmiddels niet op internet te vinden is. ,,Schrijvers accepteren dat”, zegt Mardam-Bey, ,,ze geven er zelfs toestemming voor, dan wordt het boek tenminste overal gelezen”. Het betekent tegelijkertijd het einde van de censuur. ,,De censuur is anachronistisch geworden, uit elkaar gespat, auteurs schrijven nu over alles, ook over onderwerpen die verboden zijn”.
Wat er gebeurt in Syrische gevangenissen is uiteraard zo’n onderwerp. Onlangs verscheen, in Beyrouth en in Parijs, La coquille, prisonnier politique en Syrie, van Moustafa Khalifé, een Syrische activist en schrijver die 14 jaar gevangen zat en een huiveringwekkend getuigenis van die periode in zijn leven publiceerde. In de jaren ’80 verdwenen in de strijd met dictator Hafez el-Assad veel aanhangers van het communisme en van de Moslimbroederschap voor decennia de gevangenis in. De laatste jaren doen schrijvers die dat aan den lijve hebben ervaren, verslag van die periode in de geschiedenis.
Het zijn de ouderen, die jarenlang de mond is gesnoerd, en de jonge, nieuwe generatie die nu publiceren, zegt Mardam-Bey. Onlangs verschenen bijvoorbeeld Engelse en Franse vertalingen van Les Plumes/The feathers, een recente roman van de Koerdisch-Syrische schrijver Salim Barakat (1951, Qamishli, Syrië), die al een groot oeuvre op zijn naam heeft staan. Wat als een realistische roman begint (een Syrische vader stuurt zijn zoon naar Cyprus op een missie) verandert al snel in een Beckett- Kafkaïaanse mengeling van absurdisme, magisch realisme en het fantastische. Onrust, onbegrip, dreiging van geweld. Een spiegel, lijkt het, voor de politieke situatie van de Koerden en voorbode van de huidige opstanden.
De jonge generatie Arabische schrijvers is vooral sociaal geëngageerd, ,,links en zonder dogma’s”, zegt Mardam-Bey, ,,ze vermijden de ismes, hangen geen politieke doctrine aan”. Opvallend genoeg zijn velen daarvan vrouw. ,,Dat zie je in de hele Arabische wereld, zelfs in de conservatiefste landen zoals Saoudi-Arabië”. Neem het recente nummer van Banipal, Magazine of Modern Arab Literature, een tijdschrift dat fragmenten oorspronkelijk Arabisch proza en poëzie in het Engels  vertaalt. Het laatste nummer is gewijd aan ’12 women writers’, met  werk van onder andere Huda al-Juhouri (Oman), Hawra al-Nadawi (Bagdad) en Maha Hassan (Aleppo, Syrië). Het bevat ook een kort verhaal van Leila Aboulela (Soedan, van wie onlangs ook een roman in het Nederlands verscheen).  Zonder uitzondering brengen de verhalen het leven van jonge vrouwen van nu in kaart: het is onderdrukking en onvrijheid wat de klok slaat. De vertelster van Huda al-Juhouri krijgt van haar moeder te horen dat ze ‘noch slavin noch helemaal vrij’ is en neemt haar toevlucht tot lezen, want ‘wie kennis zoekt is vrij van binnen’. Aboulela verhaalt van een meisje dat goed kan leren, maar niet kan lezen wat er op het school
bord wordt geschreven. Haar vader weigert een bril voor haar te betalen: ze hoeft niet slim te zijn om te worden uitgehuwelijkt. Hawra al-Nadawi en Maha Hassan (die een tijd in Amsterdam woonde) worstelen buiten Syrië’s grenzen met gevoelens van onrust en buitenstaanderschap. De vertelster van al-Nadawi blijft een ‘buitenlander’ in Kopenhagen, die van Hassan is een eeuwige nomade op de snelwegen van Frankrijk. Literair met een hoofdletter is het allemaal misschien niet, wel geven die verhalen een levendig beeld van de problemen waar jonge vrouwen in de Arabische wereld van nu én daarbuiten mee worstelen: ontsnapping aan de mannelijke heerschappij, verboden liefde en seksualiteit, thuis-gevoel.
De romantraditie is jong en dat merk je: de roman is grotendeels realistisch en uit – op zich revolutionair – kritiek op de maatschappij vanuit het standpunt van het individu. Wie schrijft, loopt risico. In een interview met deze krant vertelde de Syrische schrijver en dichter Khaled Khalifa, uit Aleppo, een paar jaar geleden dat hij de  situatie van Arabische schrijvers ‘als een goudmijn’ beschouwde, ‘ze hebben zoveel materiaal – de pijn, het leed – dat verteld moet worden’. Enkele maanden geleden woonde hij de begrafenis bij van een vriend. Een groep milities kwam op hem af, tuigde hem af en brak zijn arm. De Syrische cartoonist Ali Ferzat trof hetzelfde lot: zijn vingers werden gebroken. Caricaturen van Ferzat zijn momenteel te zien in de galerie van het Prins Claus Fonds, aan de Herengracht in Amsterdam. ‘Ik wil niet extremistisch klinken’, schrijft hij in de toelichting, ‘maar Syrië is de geboorteplaats van de cultuur (..) Hier werd het alfabet uitgevonden’.
Alle kunstvormen spelen een actieve en betrokken rol in de opstanden: snel aangebrachte graffiti met een revolutionaire boodschap, liederen die – heiligschennis – ten gehore wordt gebracht vanaf een minaret, toneelteksten die dan wel niet in Syrië zelf, maar wel buiten de grenzen op de planken worden gezet. Mardam-Bey is optimistisch als het gaat om de literatuur. ,,Islamistische literatuur wordt er niet geschreven, er is geen enkele dichter die vanuit het integrisme schrijft. Het islamisme van vandaag is politiek, op macht gericht. Dat is betekenisvol: zonder creativiteit geen toekomst!.”
Bij alle misdaden tegen de menselijkheid die de media ons iedere dag laten zien, lijkt het erop dat er tegelijkertijd een enorme culturele, literaire energie vrijkomt. Energie waarmee vastberaden wordt gezocht naar de expressie van een nieuwe identiteit, van een ondanks alles hoopvolle toekomst – na de dictatuur.
Samar Yazbek: Feux croisés. Journal de la Révolution syrienne. Buchet Chastel. Vert. door Rania Samara, 204 blz. € 19
Moustafa Khalifé: La coquille, prisonnier politique en Syrie. Actes Sud. Vert. door Stéphanie Dujols, 334 blz. € 9
Salim Barakat: Les plumes. Vert. door Emmanuel Varlet. Actes Sud. 345 blz. € 23,90
Banipal 44. Magazine of Modern Arab Literature. 12 Women writers.
Prince Claus Fund Gallery, Amsterdam, Culture in defiance, tot 23 november.

Onbekende brieven van Belle van Zuylen ontdekt

In het archief van de familie Beelaerts van Blokland, in 2005 geschonken aan het Nationaal Archief, zijn vier onbekende brieven van de achttiende eeuwse schrijfster Belle van Zuylen aangetroffen. Een geweldige vondst – niet alleen omdat werd gedacht dat de van haar bekende correspondentie, begin jaren ’80 door uitgeverij Van Oorschot in het Verzameld Werk uitgegeven, volledig was. Maar ook omdat de vier nu gevonden brieven gericht zijn aan een jonge neef van de schrijfster, van wie niet bekend was dat hij een briefwisseling met zijn beroemde tante,  geboren van Tuyll van Serooskerken, had onderhouden.



,,Goudstof”, zegt Hein Jongbloed, archivaris van het Nationaal Archief, die de vondst deed, ,,hier doe je het voor”. In 2005 schonk jonkheer F.V. Beelaerts van Blokland een grote hoeveelheid, ,,brieven, documenten en ander archiefmateriaal verpakt in verhuisdozen, plastic zakken en kistjes” aan het Nationaal Archief. Het instituut ontvangt wel vaker parcituliere archieven, maar dit was ,,een zeldzame chaos, die eenmaal uitgepakt, maar liefst 23 meter plank vulde”, vertelt Jongbloed. In die meters bleken zich de meest uiteenlopende documenten te bevinden: het huisarchief van de familie van Coelhorst (via baronesse van Tuyll van Serooskerken in de verzameling documenten beland), documenten betreffende vroege ertswinning op het eiland Billiton ten westen van Indonesië, maar ook alle brieven die gepubliceerd waren in het Verzameld Werk – brieven waarvan sindsdien niemand meer wist waar ze zich bevonden.
Ergens in die 23 meter trof Jongbloed een paar handgeschreven velletjes aan, bijeengehouden door een gelinieerd, geelverkleurd, dubbelgevouwen velletje, waarop met de hand was geschreven: ‘brieven aan C.L. de Tuyll van zijn tante’. Jongbloed bekeek de velletjes, de lakzegels, las her en der een fragment, vroeg zich af ,,wie schrijft dit?”. Wat hij las verschilde enorm van wat hij tot dan toe onder ogen had gekregen. ,,De meeste correspondentie uit de 18e eeuw is wijdlopig, breedsprakig, het zijn eindeloos lange zinnen waarin bijna niets wordt gezegd. Dit was anders. Hier springt iemand op je bureau. Ik zag het ook aan het handschrift, men schreef toen met een ganzenveer en om zo soepel te kunnen schrijven als deze briefschrijver moest het wel iemand zijn die dat heel veel deed”.  Eén zin bracht opheldering: ‘J’avois commencé un petit roman intitulé Henriette et Richard’. Degene die ooit die kleine roman had geschreven, was niemand minder dan Belle van Zuylen. Jongbloed: ,,Dan vlieg je naar de bibliotheek en ontdek je dat deze vier brieven niet in het verzameld werk staan. Een sensatie”.
Het bleek te gaan om vier brieven van Belle van Zuylen aan haar jonge neef Carel Lodewijk van Tuyll van Serooskerken (1784-1835). Het zijn, om meerdere redenen, fantastische brieven. Ze bevestigen op een volstrekt tastbare manier het beeld dat we hebben van de erudiete, wijze, op goede smaak en opvoeding gestelde, door de Verlichtingsdenkbeelden beïnvloede en daarom nog steeds moderne schrijfster. Ze zijn geestig, scherp en vooral – omdat ze tot een heel jonge, in de eerste brief dertienjarige jongen zijn gericht – heel persoonlijk en direct.
Op 24 november 1797 antwoordt Belle op een (verloren gegane, eerste) brief van Carel Lodewijk: ,,Ja, natuurlijk weet ik van uw bestaan, beste neef. Uw moeder heeft de lof van u gezongen, maar ik heb u laten opgroeien, met het vaste voornemen op een dag kennis met u te maken’. Al in de eerste alinea schrijft ze aan de 13-jarige alsof hij een volwassene is, waarbij ze niet schroomt actuele, politieke uitspraken te doen: ‘U wilt zeevaarder worden, dat is moedig, een roeping die heel mooi was in ons land, toen we nog een echt land waren. De Prinsen van Oranje (..) hebben bij ons niet die geest van onafhankelijkheid in stand gehouden, die ons vroeger Hollander maakte, en geen Engelsman of Fransman’. Een maand daarvoor was een groot deel van de Hollandse vloot in Engelse handen gevallen. De Nederlanden beleefden juist in die jaren roerige politieke tijden, waaraan Belle van Zuylen, als intelligente observator van haar tijd, vaak in haar brieven refereert. In dezelfde brief aan haar jonge neef vertelt ze hem dat Napoleon een kleine man is. ‘Men denkt natuurlijk dat een groot man niet door een normale deur kan (..). Het is bizar de man van die grote reputatie te zien inkrimpen tot de man die hij in werkelijkheid, op ware grootte, was. Ieder moet zijn eigen weg gaan en niet aan zijn roem denken. De Hollanders zijn daartoe, van alle moderne volken, het meest in staat’.
Gezond verstand, voeten in de klei, geen kapsones en hard werken. Dat is het beeld dat van Belles denkbeelden uit deze vier brieven opstijgt. Ze raadt haar neef aan om scenes uit de grote tragedies uit het hoofd te leren, om ‘de exacte wetenschappen, wiskunde, algebra en astronomie’ te bestuderen. Hij moet de Engelse werkwoorden ‘to have en to be’ foutloos kunnen vervoegen, net zoals zijn oudere broer die enige tijd bij haar in Zwitserland logeert. Leren, werken, studeren – het zijn onderwerpen die ze al uitwerkte in een andere beroemde lange brief uit 1799, gericht aan die broer van Carel Lodewijk, Willem-René van Tuyll-van Serooskerken. Het is een brief die ook vandaag de dag een stevige impuls zou kunnen geven aan de strijd tegen de zesjescultuur en graaimentaliteit: Werk, streef niet naar beloningen, je afkomst zal er in de toekomst niet meer toe doen. Zorg dat je een ‘verlicht’ man wordt. Lees de klassieken. Houd je verre van eigendunk en onvervulbare verlangens. De vrouw is geen spat minder intelligent dan de man, ze heeft alleen minder kans gehad om zich te oefenen. ‘Do not avoid to be taught’, schrijft ze in oktober 1799 aan haar jonge correspondent.
Belle van Zuylen heeft niet alleen oog voor de geestelijke, maar ook voor de lichamelijke conditie van haar twee neven. De oudere broer laat ze tijdens de logeerpartij, ‘voorzien van een korset van kurk’, zwemlessen nemen in het meer van Neuchâtel. Carel Lodewijk vraagt ze in een brief waarom hij nog niet kan zwemmen, hij is notabene ‘een man van de zee’! Als Carel haar schrijft d
at hij van jagen houdt, antwoordt ze zuinigjes: ‘c’est fort bien, men heeft altijd gejaagd’. Vindt hij het geen naar gezicht om die levendige konijnen gekneld te zien zitten in zo’n val? ‘Als ik alleen zou wonen, zou ik noch vlees noch bouillon tot me nemen’, schrijft ze, ‘en als u mijn mening afkeurt, spreek, ik zal naar u luisteren’.
Het lijkt alsof Belle van Zuylen deelneemt aan de gesprekken van vandaag – over ruim twee eeuwen heen. Dat maakt de ontdekking van deze vier brieven inderdaad tot een sensatie.
Vanaf 28 oktober zijn de vier nieuw ontdekte brieven digitaal te bekijken via www.gahetna.nl. De andere 147 zijn na te lezen in het Verzameld Werk, uitgegeven door Van Oorschot.

Claude Lanzmann – ook een geweldig journalist

Drie jaar geleden verscheen Le lièvre de Patagonie(vertaald De Patagonische haas), de autobiografie van Claude Lanzmann, de maker van Shoah. Het was een groots boek, een ode aan het leven van een verzetsstrijder, een zoeker naar de betekenis van het jood-zijn en een intieme vriend van de belangrijkste Franse denkers van de 20e eeuw. Onlangs publiceerde Lanzmann  een keuze uit zijn journalistieke werk, gepubliceerd tussen 1950 en 1970 – en weer ben je diep onder de indruk. Hoe komt het dat geen van die stukken, een halve eeuw geleden geschreven, rimpels vertoont, ook al hebben ze betrekking op gebeurtenissen die lang en breed voorbij zijn, op mensen die, als ze al niet zijn overleden, in ieder geval niet meer dagelijks in de schijnwerpers staan?
‘In de jaren 50 ben ik voor het eerst in Paestum geweest’, zo begint Lanzmann zijn inleiding. ‘Met Simone de Beauvoir en Sartre brachten we er bijna een hele dag door (..). Naar Paestum ben ik in alle fasen van mijn leven teruggegaan.’ Bij dat bezoek aan de beroemde ruïnes ten zuiden van Napels, wordt Lanzmann ‘vol in het hart getroffen’ door ‘het graf van de goddelijke duiker’, een fresco, afgebeeld op het buikbandje van het boek, waarop een man van een zuil afduikt in een onduidelijke poel (de dood?), met aan weerszijden gestileerde bomen.  In die duiker, ‘in de ruimte tussen leven en dood’, herkent Lanzmann zich, ook hij heeft zijn leven lang de noodzaak gevoeld zich in de leegte te werpen, kop naar voren, de rest er rücksichtlos achteraan. Letterlijk, door van hoge, gevaarlijke rotsen af te duiken én figuurlijk: risico’s nemen, kansen grijpen, nooit kiezen voor de veilige optie. Dát verleent zijn leven eenheid, daar heeft zijn leven om gedraaid.
Het is – Lanzmann eigen – wel wat hoogdravend en als het hem aan iets ontbreekt is het in ieder geval niet aan zelfvertrouwen. Twintig jaar lang, voor hij Shoah maakte, schreef hij om den brode. Hij publiceerde, onder zijn eigen naam en voor een habbekrats, in Le monde en Les temps modernes. Maar zijn geld verdiende hij als ‘rewriter’, ‘ghostwriter’, hij herschreef stukken voor France-Dimanche en publiceerde onder pseudoniem goedbetaalde portretten van sterren, in Elle bijvoorbeeld. Waarom zou hij zich daarvoor schamen? Een mens moet eten en hij kocht er zijn vrijheid en vrije tijd mee. Onder welke naam hij ook schreef en voor welk blad ook – zijn stukken getuigen van zijn leven, van de eeuw die hij intens beleefde, dus waar is het probleem? Staat het schrijven van een portret van een filmster voor Elle op gespannen voet met een politiek geëngageerd pamflet voor Les temps modernes? Onzin – zegt Lanzmann. ‘De eenheid – die zit in mijzelf’. Híj is de rode lijn, híj is de bindende factor, meer is er niet nodig.
Zo werkt het inderdaad. De bundel bevat heel verschillende stukken, portretten, reportages, pamfletten, open brieven, redevoeringen. Het verslag van een proces tegen een priester die de vrouw die zwanger van hem was vermoordde, portretten van Charles Aznavour en Jean-Paul Belmondo, de praktijken van de Franse politie ten tijde van de Algerijnse oorlog, de reis van Mitterrand naar Israël, een analyse van Schindlers list, een ode aan zijn moeder – je vindt het allemaal in La tombe du divin plongeur.
Wat bindt die stukken? Hoe komt het dat je ze allemaal wilt lezen? Door zijn prachtige, levendige stijl en persoonlijke betrokkenheid. ‘Als u hem zoekt, dan vindt u hem, zoals ik heb gedaan, in Touquet, op een stormachtige dag’. Zo begint hij zijn schets van Serge Gainsbourg, waarin hij laat zien hoe diens spetterende carrière tot dan toe is verlopen, maar ook de afstand die hij neemt om alles eens rustig te overpeinzen. Of de eerste regels van zijn stuk over de film Schindler’s list: ‘Ik heb achting voor Steven Spielberg. Ik heb Indiana Jonesgezien,  E.T., en ik houd van zijn films. Het is een filmvirtuoos. In ieder geval kent hij zijn vak’. Je voelt al dat hij Spielberg in mootjes gaat hakken: hoe kun je de Holocaust door de ogen van een Duitser laten zien, hij heeft er niets van begrepen. Die ‘ik’ zit in ieder stuk en achter de ‘ik’ zit iemand die weet waar hij naar toe wil, iemand die een hele sterke mening heeft en ons daarvan wil overtuigen. Wordt Sartre aangevallen na de verschijning van Les mots in 1964? Lanzmann verdedigt hem en laat even weten wie hij is: ‘ik zoek hem op zoals ik dat al 15 jaar 3 keer per week doe’. Kan de Franse politie zijn handen wassen in onschuld tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd? Lanzmann laat de vuile streken zien van ‘le préfet Papon’, die, aldus zijn stuk, niets dan leugens verspreidt en Algerijnen door Algerijnen laat martelen en verdwijnen, zodat het Franse blazoen onbesmet blijft. Een zeker cynisme is hem niet vreemd: ‘M. Papon is razend. Nu kon hij al meer dan een jaar in alle rust martelen’, waarna Lanzmann uit de doeken doet wat er roet in het eten heeft gegooid.
Soms wordt Lanzmann niet gedreven door woede of verontwaardiging, maar door lyrische bewondering. Voor François Mitterand bijvoorbeeld. Diens reis naar Jerusalem in 1982 was voor hem ‘een bevrijdende daad van dezelfde orde als de verschijning in 1945 van Réflexions sur la question juive van Sartre’. Hoe moest je als jood die de Holocaust overleefd had verder in een land dat joden had laten afvoeren en vermoorden? ‘Hoe nog naar hen te glimlachen?’ Daarop had Sartre een antwoord geformuleerd. Net als Mitterand, 30 jaar later, bij zijn bezoek aan het Holocaustmonument Yad Vashem.  
Een sterke persoonlijke mening, zonder al te veel twijfel of nuance, enorme passie en gedrevenheid, in een direct aansprekende stijl – dat is de kern van Lanzmann journalistieke werk in deze bundel. Het is, net als zijn autobiografie, een strijd tegen het vergeten.
Claude Lanzmann: La tombe du divin plongeur. Gallimard. 438 blz. € 23,90

Amitav Ghosh on freedom of speech and the position of writers in the world

Amsterdam, 7 October 2012. Yesterday, I had the opportunity to speak for a while with the great Indian author Amitav Ghosh. There are some quotes I would like to share:

,,Freedom of expression is an issue, a profoundly serious problem. the way in which Rupert Murdoch singlehandedly changed the discourse in the English-speaking world, his impact on ideology and policy has been unbelievable. It’s been very systematically done and has had an enormous effect on public opinion, a desastrous effect. His organisation has been at the side of climate-change denial. UK and the US are the countries which lead by far the climate change denial.  It’s all lead by the media. The media are now so much controled by corporations, that’s a very big problem.



For several generations we have been accustomed to speak about freedom of expression in relation to the state. The state is seen as the primary threat to freedom of speech. All laws are dedicated to this proposition. But look at what is actually the threat to freedom of speech. Corporations require a non-disclosure agreements, nobody in a corporation can speek. Automatically the great majority of people is muzzled. Unless we have very strong wissleblower protection, where is your freedom of speech? Secondly today, in India, democracy has become a proliferation of identity groups, which decide that people cannot speak about them. They are very effective. In Bombay the space for critique of certain parties is zero, they would be attacked – physically. It happens all the time. Here, in fact the state is the defender of freedom of speech. Addressing you to the state is a 20th century thing, we are now in a different time: the state is no longer the principal enemy of freedom of speech. The principal threat comes from non-state actors. How to deal with that – that is the issue! Put pressure on the state? Yes, but you have to start thinking about ways Human Rigths Watch or PEN can intervene, which they do not do. PEN still wants me to sign this or that, but that is not the issue anymore. They do not listen.

To my colleague-writers I say: you are fighting yesterdays war. Writers around the world will not say anything about religions. They are afraid, it has worked, the space for freedom of speech has shrunk. The horses left the stable. We are dealing with different kinds of threats, we don’t know yet what to do, but we have to recognise the problem.
As a writer of today one feels much more alone than at any moment in the past. Absolutely alone. The internet is so much down your neck, you feel exposed and threatened. Internet and twitter are wonderful things, but they create an incredible pressure towards conformity. I never wanted to get involved in the new media, but I realised that it was inescapable. An imposter was tweeting in my name. And if you are being attacked you have to be able to defend yourself.”

Jean-Philippe Toussaint – woord én beeld

Inspiratie is een mythe, schrijft Jean-Philippe Toussaint in zijn meest recente boek L’urgence et la patience. Het gaat bij het schrijven om twee hele andere begrippen: geduld en urgentie. Urgentie moet je veroveren, het is een zoektocht, je moet ernaar toe werken, je onderdompelen, heel diep gaan, het is als diepzeeduiken. Pas als je ver onder het wateroppervlak bent, verdwijnt de herinnering aan bestaande personen en zie je nieuwe schaduwen verschijnen. Pas in die duistere zone waar geen straaltje zon meer doordringt, pas in die troebele wereld tussen feit en fictie heb je de juiste afstand bereikt om de wereld opnieuw te scheppen. En dan nog: die ideale situatie kan door het minste of geringste worden verstoord.
Diepzeebeelden, zwembaden, stortbuien – water is een terugkerend thema bij de bekende Franstalige schrijver die in 1985 debuteerde met zijn roman De badkamer. In zijn debuut installeert de verteller zich permanent in zijn bad; in De televisie ontmoet hij, naakt aan de oever van een meer, Cees Nooteboom, die hij ongemakkelijk naar de eenden laat kijken; en in zijn meest recente vertaalde roman, De waarheid omtrent Marie, regent het betekenisvol pijpestelen. Toch is Toussaints werk allerminst druilerig, maar juist vrolijk, licht van toon, hilarisch en vaak op het burleske af. In zijn meest recente romantrilogie over Marie, waarvan het derde deel werd genomineerd voor de Europese literatuurprijs, is een melancholieke ondertoon geslopen, superieur en minimalistisch verwoord. De zoektocht naar de vrouw, het spel van aantrekken en afstoten, kijken en aanraken – heel het magnetisch veld van geduld oefenen en aanvoelen van de urgentie van het moment wordt ook bij Toussaint met onuitgesproken verlangen gekleurd.
Toussaint is een kunstenaar van het woord én van het beeld. Schrijft hij over zijn uitgever, de inmiddels overleden Jérôme Lindon ontmoet, dan gaat het over diens kantoor, zijn blik, zijn bewegingen. Beschrijft hij zijn liefde voor Beckett, dan gaat het evengoed over het traject van bus 63, die heel Parijs doorkruist. Zijn romans zijn filmisch. De plot is vaak in één zin samen te vatten (man sluit zich op in de badkamer of man en vrouw gaan uit elkaar), maar de echte verhaallijn die zich op je netvlies vormt is genuanceerd en niet in woorden te vatten. In De waarheid omtrent Marie zitten onvergetelijke scènes, zoals die van het personage Jean Christophe de G., die je na het bedrijven van de liefde een hartaanval ziet krijgen. Of die van het renpaard dat, in de stromende regen, ontsnapt en in het donker over de landingsbaan van Tokyo rent. Of het beeld van de allesverwoestende brand in de stallen op het eiland Elba, dat ook in eerder werk van Toussaint een rol speelde.
Onlangs kreeg de schrijver van Musée het Louvre carte blanche om een zaal in te richten met kunstwerken uit de eigen collectie. Hij creërde in de zaal waar het doorgaans stemmig duister is een installatie van felgekleurde neonlichten, een ruimte van Babel, met het  woord ‘boek’ in twintig talen (de talen waarin zijn werk is vertaald). Hij vroeg zijn schrijversvrienden te poseren voor het beroemde schilderij van Fantin Latour, Hommage à Delacroix. Ieder van hen liet hij bovendien fotograferen voor een schilderij, dat volgens hem aan de betreffende persoon verwant was: Olivier Rolin (auteur van De leeuwenjager) voor Jeune tigre jouant avec sa mère van Eugène Delacroix, Jean Echenoz voor het zelfportret van Nicolas Poussin en Pierre Bayard voor het portret van Denis Diderot van Jean Honoré Fragonard.
In een glazen douchekabine even verderop zat een man te lezen, badmuts op, elektroden op zijn hoofd, verbonden met een enorm beeldscherm dat zijn hersenactiviteit tijdens het lezen weergaf. Fel rood en geel gekleurde vlakken à la Rothko schoven in en uit elkaar, grillige vormen gaven aan hoe de hersenen reageerden op de gelezen tekst.
Onzin natuurlijk, helemaal fake. Maar ook net echt, want onderzoek naar hersenen en leesgedrag deed Toussaint wel degelijk. Het maakt hem tot het prototype van de nieuwe schrijver: een die niets van inspiratie moet hebben, maar een die de mythe van de schrijver op alle mogelijke multimediale manieren vorm geeft en uitdraagt – niet zonder zelfspot, speels en vernieuwend.
Jean-Philippe Toussaint, De waarheid omtrent Marie, vertaald door Marianne Kaas, Prometheus, 199 blz, prijs € 19,95
L’urgence et la patience, Minuit, 107 blz, € 11
La main et le regard, Livre/Louvre, Louvre Editions, 217 blz, € 29 

Bij de dood van Henry Bauchau

Afgelopen vrijdag stierf de in Mechelen geboren, Franstalige schrijver en psycho-analyticus Henry Bauchau. Een jaar geleden zocht ik hem op, in zijn Zwitserse chalet, een half uurtje treinen buiten Parijs. Een dorpsstraat, een mooie kerk, een bakker, een verzorgingstehuis met een schitterend park er omheen. In de etalage van een makelaar zag ik foto’s van de huizen die er te koop stonden, bijna zonder uitzondering boven de drie miljoen euro. Bauchau schreef een enorm oeuvre bij elkaar, dat lang slechts door een handvol mensen werd gelezen. Hij was naast schrijver ook psycho-analyticus. Eerst doceerde hij literatuur en kunst op een Zwitsers opleidingsinstituut waar jongeren werden voorbereid op universitaire toelatingsexamens. Hij reisde vaak naar Parijs waar hij zelf in analyse was bij Blanche Reverchon. Het instituut sloot, Bauchau verloor zijn inkomen en moest verder. Op zijn 60ste trad Bauchau in dienst van een Parijs’ centrum voor psychoanalyse, waar hij werkte met adolescenten met ernstige psychische problemen. Om financiële redenen bleef Bauchau nog meer dan 20 jaar werken.


Toen ik hem opzocht was het een doorschijnende man, bleek en mager, die zijn thee door een rietje moest drinken. Het was een gentleman in alles, in zijn voorkomen, in de manier waarop hij, hoe moeizaam ook, mijn vragen beantwoordde. De jonge vrouw die hem verzorgde bleef bij het gesprek, ze was hem voor de volle honderd procent toegewijd. Fijn dat u zo ‘douce’ met hem was, zei ze, toen ze het tuinhek voor me opende, bij velen slaat hij dicht.
Schrijven en zijn psycho-analytische ervaringen liepen in zijn oeuvre door elkaar heen. Daarvan getuigen ook zijn vele dagboeken. Zijn patiënten figureerden, vermomd, in zijn autobiografische werk – hoogtepunten én dieptepunten zijn erin terug te vinden. Zijn roman Le boulevard périphérique is zonder twijfel zijn meest geslaagde roman. Het is een duistere roman, waar veel van de auteur in moet zitten, van zijn oorlogsverleden, zijn twijfel, en van zijn relatie met zijn zoon en overleden schoondochter. Het is echter bovenal een prachtige, intrigerende roman.

Deze necrologie schreef ik voor NRC:

Drie maanden voor hij 100 jaar zou worden is de Belgische, Franstalige schrijver Henry Bauchau (1913-2012) overleden. Zijn blik is, vermoed ik, wat de meesten zich van zijn persoon zullen herinneren. De intense blik van een schrijver en psycho-analyticus die zich zijn hele leven vol overgave met de menselijke geest heeft bezig gehouden.
De twee wereldoorlogen bepalen zijn leven. Geboren aan de vooravond van de eerste, wordt hij gedurende zijn eerste levensjaren enkele maanden gescheiden van zijn moeder. Het is deze eerste ‘déchirure’ (verscheurende ervaring) die de bron zou worden van zijn latere schrijverschap. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sluit hij zich aan bij het verzet, er worden beschuldigingen tegen hem geuit, hij wordt vrijgesproken. Bauchau verruilt zijn geboorteland voor Zwitserland. In die periode gaat hij in analyse bij Blanche Reverchon, psychoanalytica en echtgenote van de dichter Pierre Jean Jouve. Op zijn zestigste keert hij terug naar Parijs om adolescenten met ernstige psychische problemen te gaan behandelen.
‘De psychoanalyse heeft het schrijven in mij bevrijd’, zei hij in een interview met deze krant. Het maakte hem niet alleen – relatief laat – tot de auteur van een enorm oeuvre van romans, dagboeken, gedichten, dagboeken en een libretto, maar ook tot een psychoanalyticus die geloofde in de macht van de kunst. Hij zag het in zijn praktijk, hij toonde het in zijn boeken: de kracht van de chaos, van het kwaad kan gekanaliseerd worden door middel van kunst, tekenen, schrijven. Het is de kern van Het blauwe kind (L’enfant bleu), het autobiografische verhaal van een psychoanalytica die jarenlang een psychotische jongen behandelt – een proces waar ze beiden door veranderen. Ook in zijn versie van de mythe van Oidipous (Oedipe sur la route, 1990) en Antigone (1997) is het de kunst die leidend is op de weg naar zelfkennis.
Pas met Maalstroom (Le boulevard périphérique, bekroond met de prix Livre Inter, 2008) krijgt Bauchau een groter lezerspubliek. Hij keert erin terug naar zijn tijd in het verzet en paart die aan recenter verlies – het leven als een onophoudelijk doorsuizende ringweg van leven en dood. Bij alle literaire vormen die hij beoefent, beschouwt hij het gedicht als de kunstvorm bij uitstek, ‘uit de poëzie komt al het andere voort’.
Vorig jaar verschenen zijn verzamelde gedichten, die zijn hele parcours als dichter laten zien. De weg van een eenling die allen opriep kunstenaar te worden, zoals in La circonstance: Prisonnier d’un homme et d’un temps/Enfermé dans ma langue et le réseau de mes images/Je suis à tous, dit le poème, comme le ciel. (Gevangene van een mens en van een tijd/Opgesloten in mijn taal en het netwerk van mijn beelden/Ben ik van iedereen, zegt het gedicht, net als de hemel).
H
ieronder het interview dat destijds in NRC werd gepubliceerd.
‘Psychoanalyse heeft de schrijver in mij bevrijd’
Niet bekend, maar Henry Bauchau heeft een groot oeuvre. Hij is 98, glashelder, werkt nog elke dag en weet als psychoanalyticus dat kunst je kan redden.
In de eerste fase van het schrijfproces gaat het niet om scheppen, schrijft Henry Bauchau (98) in een van zijn dagboeken. Het gaat erom wat in jezelf opstijgt, als wat je uit een onbekende bron naar boven laat komen. Het is een heel lang proces, zegt hij, Toen ik nog met de hand kon schrijven, schreef ik alles op wat in me op kwam. Ik probeerde zo direct mogelijk in contact te zijn met mijn onderbewuste. Pas in tweede of derde instantie ging ik aan mijn stijl werken. Nu kan ik alleen nog dicteren.”
Bauchau werkt nog iedere dag, in zijn houten, chalet-achtige huis, in een idyllisch dorpje buiten Parijs. Zijn bron droogt nooit op. Hij oogt fragiel en waardig te midden van zijn boeken, schilderijen en kunst. Spreken gaat moeizaam, zijn zinnen worden door pauzes onderbroken.
De in Mechelen geboren schrijver-psychoanalyticus-kunstenaar heeft een enorm oeuvre op zijn naam staan van romans, gedichten, toneelstukken, dagboeken en een libretto. Drie jaar geleden – hij was toen 95 – werd Maalstroom (Le boulevard périphérique) in Frankrijk met de Prix du Livre Inter bekroond en vond hij, ook via vele vertalingen, een groter lezerspubliek. Dankzij dit succes verscheen onlangs ook Het blauwe kind (L’enfant bleu, 2004) in een Nederlandse vertaling, een boek over een psychoanalytica die de strijd aangaat met de demonen van een jonge patiënt, maar ook met die van haarzelf.
In Het blauwe kind komen psychoanalyse en literatuur samen. Bent u via de psychoanalyse bij de literatuur gekomen of heeft de literatuur van u een psychoanalyticus gemaakt?
De psychoanalyse heeft het schrijven in mij bevrijd. Ik wilde wel schrijven maar ik maakte er geen tijd voor, ik had een te druk leven, met te veel mislukkingen. Uiteindelijk ging het zo slecht met me dat ik besloot in analyse te gaan, zonder precies te weten wat dat was. Die analyse heeft de schrijver in mij bevrijd. Het heeft nog heel lang geduurd voor ik tijd voor het schrijven vrij kon maken. Ik heb altijd twee beroepen gehad.
In Het blauwe kind behandelt Véronique, de psychoanalytica, de jongen Orion, die gekweld wordt door angst, drift en woedeaanvallen. Maar ook de behandelend psychoanalytica verandert door dat hele proces.
Veel in het boek heb ik meegemaakt, sommige dingen heb ik verzonnen. Er zit veel taalspel in. Orion kan met de gewone taal niet uitdrukken wat hij voelt en schept zijn eigen uitdrukkingen. Véronique beleeft die 16 jaar – zo lang duurde die analyse in werkelijkheid ook – heel intensief. Dat is belangrijk: degene die in analyse is doet het werk zelf, hij moet zijn waarheid naar buiten brengen. Tegelijkertijd evolueert de psychoanalyticus, ook hij ontdekt hoe hij zijn eigen problemen te lijf kan gaan.
Beiden worden gered door de kunst.
Ja, dat geloof ik echt. Je moet je aan de kunst overgeven, er de tijd voor nemen, erin volharden. Dan kan kunst je redden. Bij Orion stopt het proces soms, soms is er een terugval.
Het schrijven van dit boek heeft me zoveel kracht en concentratie gekost dat ik de totale uitputting nabij was. De scènes waarin Orion laat zien dat hij in staat is zijn vernielzucht te beheersen kostten me enorm veel moeite, ze deden bij mij de stoppen doorslaan. In die scènes doet Orion van alles, maar hij vernietigt niets. Hij wil alleen de kracht van de demon die hem beheerst laten voelen.
Wat dat voor een demon is? De kracht van de chaos, van het kwaad. Je moet je driften naar buiten laten komen, maar je er niet aan overgeven, dat is het probleem. Zodra je je eraan overgeeft, word je gewelddadig, breek je de boel af. Dat zie je tegenwoordig vaak bij jongeren, bijvoorbeeld als ze demonstreren. Ze zijn in wezen allemaal een beetje ziek. Om tegen die driften te vechten is de kunst een middel, creativiteit kan kanaliseren. Als je die driften de vrije loop laat ontstaat er geweld, dat heeft Euripides al mooi laten zien.
Uw hele werk is doortrokken van de klassieken.
Toen ik Oedipus onderweg [Oedipe sur la route,] schreef, dacht ik dat het volstond om onderweg te zijn naar een onbekende waarheid. Nu denk ik dat we een beetje hulp nodig hebben.
Van wie?
Ik denk dat wij, Europeanen, die moeten zoeken bij de christelijke God. Ik heb me verdiept in het boeddhisme, daar vind je tradities die niet in onze geest, in onze cultuur zitten en die we dus niet helemaal kunnen begrijpen. Neem bijvoorbeeld de Tao te tjing van Lao Tse, die schrijft ‘bezinning, bezinning, eenzaamheid, eenzaamheid, vrede, hoop’. Mijn vrouw zei daarop: ‘En wanneer werk je dan?’
Wij denken altijd aan de materiële zaken van het bestaan. Het is voor ons gemakkelijker de spirituele teksten uit de christelijke traditie te begrijpen, zoals de evangeliën, maar daaruit moet je dan wel het wezenlijke destilleren. Het christendom heeft, dankzij die overdreven aanbidding van de maagd Maria, de revolutie van de vrouw mogelijk gemaakt. Japan, India, de moslimlanden zijn verlamd door de ondergeschikte positie van de vrouw. Ook hier hebben de vrouwen nog niet écht hun eigen positie ingenomen. Momenteel zijn ze verplicht zich als mannen te gedragen.
In uw roman Maalstroom spreekt u voor het eerst, meer dan een halve eeuw na dato, over de oorlog.
In 1980 wilde ik tijdens een vakantie al aan de roman beginnen, maar ik bleek een aantekenboekje te hebben vergeten. Ik beschouwde het als een teken dat ik er nog niet klaar voor was. Mijn generatie heeft WO I als klein kind meegemaakt en WO II in zijn jeugd. Met op de achtergrond het mysterie Hitler. Hoe heeft hij zich meester kunnen maken van het Duitse volk, zo’n daverend succes gekregen en waarom is hij ineengestort na zijn volk volledig te hebben uitgeput? Heel mysterieus.
En? Heeft u een begin van een antwoord?
In de Middeleeuwen zou men gezegd hebben dat hij door de demon was bezeten. Hij was bezeten door een deel van hem waarover hij geen controle meer had. Ik ben erover aan het schrijven.
Hitler wendde zich tot de kunst, hij heeft geschilderd.
Ja, maar hij heeft het niet verdragen dat hij afgewezen werd bij het examen.
U schreef dagboeken, waarin u hardop nadenkt, toneelstukken en romans, maar u debuteerde in 1958 met poëzie.
Uit de dichtkunst komen alle andere vormen voort. In een roman kun je hele sterke personages tegenkomen, maar de poëzie is wezenlijker. Blanche Reverchon, mijn eerste psychoanalytica, zei dat de verbeelding een volledig vrije verhouding tot het onderbewuste veronderstelt. Dat is fundamenteel. Die verhouding moet vrij zijn in tegenstelling tot alle andere banden die we in het leven hebben. Of het nu om werk gaat, vriendschap of liefde, daar komt altijd een soort dwang bij kijken.
Het tweede deel van de definitie luidt: En de verbeelding betovert het monster. Ik beschouw het onderbewuste als een monster. Dat is geloof ik wat Hitler tot een monster heeft gemaakt: hij heeft van de ongelofelijke kracht van zijn onderbewustzijn gebruik gemaakt om over massa’s te heersen.
Kunst is volgens mij een toverformule die je moet uitspreken over de altijd aanwezige, altijd gewelddadige, brandende kant van het onderbewuste. Die toverformule moet een vorm hebben. En die hebben de Grieken gevonden”.

Belle du Seigneur – cultboek van Albert Cohen

Belle du seigneur is een cultboek, een roman die generaties lezers hebben verslonden, waar iedereen wat van vindt en die niemand koud laat. In 1968 werd het vuistdikke boek van de Franstalige joods-Zwitserse diplomaat Albert Cohen (1895 – 1981) met groot enthousiasme ontvangen en tot op de dag van vandaag is het een van de best verkopende titels in de Collection blanche van Gallimard. Franse culturele attachés bombardeerden het tot hun livre de chevet, ze deden de gordijnen dicht, staken een kaars aan en gingen met een ganzeveer gedichten schrijven. Filosoof Bernard-Henry Lévy verklaarde in deze krant dat het boek zijn leven beslissend had beïnvloed: hij keek sindsdien volledig anders tegen zichzelf en tegen zijn joods-zijn aan.
Nu voor dit najaar de verfilming van het boek wordt aangekondigd, met Jonathan Rhys Meyers en Natalia Vodianova in de hoofdrollen, wordt het boek herlezen. Het weekbald Les Inrocks betreurt de generaties getraumatiseerden in de liefde die het boek heeft veroorzaakt: wie er een tijd in onderduikt, komt er met een verminkt beeld van de liefde uit. De absolute, poëtische liefde die erin wordt verkondigd kan alleen maar ellende opleveren. Dat geldt dan vooral voor al die vrouwen die wachten op de prins op het witte paard die hen ontvoert naar het Ritz Hotel. In een boekenprogramma liet ook schrijfster Marie Darrieussecq zich kritisch uit: het zou als zo vaak de vrouw tot object reduceren. De vrouw gaat – inderdaad letterlijk – op de knieën voor de man, al is de aanbidding wederzijds.
Hoe doorstaat een dergelijk cultboek de roest der decennia? Onlangs bracht uitgeverij Van Gennep het boek uit in een nieuwe, knappe vertaling van Paul Syrier, onder de titel De uitverkorene van de heer. Tegelijkertijd verscheen Het boek van mijn moeder, een ode van Cohen aan de vrouw die hem baarde. ‘Ieder mens is alleen’, luidt de eerste zin van het boek, ‘en niemand geeft iets om een ander en ons verdriet is een onbewoond eiland’. Kort maar krachtig is dit een adequate verwoording van een van Cohens belangrijkste thema’s.
In 1900 (Albert was vijf) emigreerden zijn joods-Griekse ouders, op de vlucht voor het antisemitisme, van hun geboorte-eiland Korfoe naar Marseille, waar zijn vader een handel in olijfolie opzette. Uit Het boek van mijn moeder blijkt hoezeer zijn strenggelovige moeder geïsoleerd bleef in het nieuwe land. Albert gaat rechten en letteren studeren in Genève, waar hij later diverse posten in internationale organisaties bekleedt. Dat diplomatieke milieu heeft Cohen ongetwijfeld geïnspireerd tot het eerste deel van De uitverkorene van de heer, waarin onder andere de professionele omgeving van een van de hoofdpersonen, Adrien Deume, wordt geschetst. Deume, een wat zielige zelfingenomen sukkel, getrouwd met de beeldschone adellijke doch ongefortuneerde Ariane Cassandre Corisande d’Auble en inwonend bij zijn ouders, is ‘internationaal functionaris’ ofwel onbetekenend ambtenaar bij de Volkenbond, die zetelt in het Palais des Nations in Genève. Deume brengt zijn tijd door in zijn kantoor en verheft het niets uitvoeren tot een kunst. ‘Godver, vier nieuwe dossiers! En allemaal dingen waarmee hij iets moest doen!’ Antisemisme is hem niet vreemd (‘die smouzenvereniging’) evenmin als racisme (‘maling aan die zwartjes uit Kameroen’). Toch vindt hij het diplomatieke leven uitermate prettig, vooral als hij ‘de dagen gaat optellen dat hij niet werkt’, nog afgezien van zijn recht op  ‘twee maal per jaar met ziekteverlof’. Deume cultiveert een grote eigenliefde, imiteert gebaren van zijn superieuren, kwijlt van de gedachte aan wat hij die nacht met zijn mooie vrouw wil doen en vindt Mozart een ‘niet zo’n uitgekookte jongen’, aangezien hij zich geen ‘horloge van 900 piek kon veroorloven’. Met het oog op zijn carrière neemt hij zich voor zijn sociale contacten – die hij hoegenaamd niet heeft – te cultiveren. ‘Relaties, goddomme! Een mens betekent pas iets door zijn relaties!’. Voor zijn vrouw is bij al die imaginaire cocktails één rol weggelegd, zich ‘verbijsterend mooi kleden en tegen iedereen vriendelijk zijn’. ‘Het mooiste moment uit zijn leven’ is wanneer hij ‘huiverend en licht, een verlegen maagd, aan de arm van zijn meerdere’, door de gangen loopt. Doordrenkt van eigendunk heeft hij niet in de gaten dat de égards van zijn superieur en zijn bevordering tot de veelbegeerde A-status (oosters tapijt! leren fauteuil!) te danken zijn aan de passie tussen zijn vrouw en zijn baas. Van Deume maakt Cohen een onvergetelijke, hilarische karikatuur.
Burlesk is ook de openingsscene van het boek. Solal, de knappe joodse, quasi-aristocratische baas van Deume heeft hartstocht opgevat voor diens vrouw. Hij dringt haar kamer binnen, verkleed als oude jood. Zich onbespied wanend geniet Ariane van haar spiegelbeeld (‘net als ik heeft ze een spiegelmanie, de manie van treurigen en eenzamen’) en voert zij imaginaire dialogen met hoog geplaatste niet aanwezige figuren. Ze neemt een bad, speelt piano en heeft het – evenals haar echtgenoot – erg met zichzelf getroffen. Solal steekt zijn liefdesverklaring af (‘kijk, hier sta ik, zwak en arm, met een witte baard en maar twee tanden, maar niemand zal je beminnen en je kennen zoals ik je bemin en je ken, zal je de eer van een dergelijke liefde bewijzen’), Ariane wijst hem vol afschuw af en gooit hem een glas naar zijn hoofd, waarbij hij een wond aan zijn oog oploopt. Hij rukt zijn vermomming af en bedreigt ‘de teef’ met een ongewoon dreigement: hij zal haar binnenkort ‘in twee uur’ verleiden, ‘met de middelen die ze allemaal zo mooi vinden, smerige middelen en dan zul je wegzinken in een grote imbeciele liefde, en zo zal ik de ouden en lelijken wreken, en alle naïvelingen die niet de kunst verstaan jullie te verleiden en dan vertrek je samen met mij, in extase en met schelvisogen!’.
Het dreigement wordt uitgevoerd, in de vorm van een hoogstoriginele monoloog over de kunstgrepen van het verleiden – mét het beoogde resultaat. Wat Solal wellicht niet verwacht had, is dat zijn verslaving aan die ‘grote imbeciele liefde’ net zo groot wordt als de hare. Hoe die pure hartstocht, in volledige afzondering, wordt beleefd en teloorgaat is het onderwerp van de rest van het boek. 
Dit liefdesdrama speelt zich af in een context van opkomend antisemitisme en groeiende oorlogsdreiging. Cohen laat enkele orthodox-joodse broers van Solal opdraven, van wie hij hilarische portretten schetst, maar hij vlecht ook doembeelden van pogroms en racistische aanvallen in zijn boek. Zijn hoofdpersoon Solal lijdt onder racisme, zijn positie ten aanzien van Israël brengt hem in de problemen, hij verliest zijn baan. Cohen zelf ontsnapt aan het nazisme, vlucht naar Londen, terwijl zijn moeder in 1943 in Marseille sterft. De stem van de alwetende vertel
ler refereert vaak aan de dood. In kleine bijzinnen wijst hij er steeds op dat wij ‘toekomstige doden’ zijn, ‘ten dode gedoemd’ of ‘onwetend van het feit dat we gaan sterven’. Hij roept jonge mensen ‘met je wilde lokken en je volmaakte tanden’ op tot bedwelming ‘nu er nog tijd is’, en tot ‘mededogen met de ouden die jullie weldra zullen zijn, met druipende neuzen en handen bezaaide met bruine vlekken, het trieste bruin van dode bladeren’. Bij Cohen/Solal is niets natuurlijk, alles artificieel. Wat niet vergeestelijkt is (de maag die knort, de darmen die zich ontlasten), moet worden verborgen, zeker voor de geliefde, die alleen de perfectie mag zien en horen. Terwijl de vitrine vol glanzende en dure voorwerpen staat, stinkt het in de voorraadschuur, maar die deur blijft gesloten.
Wat dit boek uitzonderlijk maakt is enerzijds de stijl die Cohen bezigt en anderzijds de manier waarop hij van zijn voornaamste onderwerp, de liefde, een kunstwerk maakt. Hij bouwt zijn liefdeskathedraal op, met oog voor detail, schetst alle mogelijke wijzen waarop er meer reliëf aangebracht kan worden, perfectioneert de belichting en laat niet na alle valkuilen, alle mogelijke toonsoorten, alle varianten uit en te na te benoemen. De taal die hij daarbij gebruikt is net zo zorgvuldig en verfijnd, net zo bloemrijk en lyrisch als het onderwerp dat hij steeds weer anders omcirkelt en onder de microscoop legt. Aan liefde, aan pure hartstocht die geïsoleerd plaatsvindt, los van de wereld, sterf je. Wie ‘niets dan liefde heeft om (je) gezelschap te houden’, wie niets dan liefde heeft om over te spreken’, zal het niet redden. Iedere passie leidt uiteindelijk tot verveling en hunkering naar sociaal verkeer. Tegelijkertijd is de wereld, die hele sociale constellatie waarin de mens zich beweegt zinloos en absurd. Ieder mens is uiteindelijk alleen, nietwaar, en niemand geeft werkelijk om een ander. Het is die paradox die Cohen op magistrale wijze, desperaat verwoordt.
De lezer van nu, in alle opzichten levend in een diametraal tegenovergestelde wereld dan die Cohen in zijn boek oproept, ervaart Cohens lyrisme en zijn larmoyante pathetiek vaak als ‘over the top’. Zijn vele pagina’s van interpunctieloze monologue intérieur zullen door menig lezer worden doorgebladerd. Wie wordt er nog urenlang gegrepen door  eindeloos blootgelegde lagen van verleiding en overgave, van ziekelijke binding en vrijheidsdrang, van schuldgevoel en jaloezie? Maar zijn satire op wat we tegenwoordig netwerken noemen is meesterlijk; en zijn scherpe blik op de raderen van de ambitie blijft, ook voor de 21e-eeuwer, levend in een door competitie gedreven maatschappij, ongeëvenaard.
Albert Cohen: De uitverkorene van de heer. Vertaald door Paul Syrier. Van Gennep. 780 blz. € 22,50
Het boek van mijn moeder. Vertaald door Paul Syrier. Van Gennep. 157 blz. € 9,90

Wat zegt de Europese roman over Europa?

Een Europese schrijver, zei de Tsjechische auteur Jáchym Topol eens, is iemand die weet heeft van catastrofes, van verschrikkingen, een persoon die weet wat het communisme heeft aangericht, wat de Tweede Wereldoorlog betekent, iemand bij wie de namen van Hitler, van Stalin beelden oproepen. Iemand die het verhaal van het continent vertelt, zou je kunnen zeggen, die in kaart brengt hoe het leven tot in de verste uithoeken van Europa bepaald is door de geschiedenis.
Maar Europa is Europa niet meer. Het continent lijkt geen kwestie meer van verhalen maar van euro’s. BIJ een toenemend nationalisme wordt erkenning van een gemeenschappelijk verleden steeds meer een ongewenste gedachte. Hoe gaan Europese schrijvers met die veranderingen om?
Door de grote greep – dat is één. Geen geneuzel op de vierkante centimeter, maar schetsen van een historisch tableau dat over grenzen, over decennia heengaat. De lengte van een mensenleven geeft de auteur maar nauwelijks genoeg armslag om te laten zien hoe historische ontwikkelingen in elkaar haken en op de lange termijn onvoorziene, dramatische gevolgen hebben.
Een effectieve stijl en een doordachte compositie – dat is twee. De een zorgt ervoor dat hij alle technieken van de creative-writingcursussen inzet om de lezer geboeid te houden, de ander doet het tegenovergestelde en streeft juist naar totale onleesbaarheid.
De lezer meevoeren, spanning creëren, cliffhangers op het juiste moment – dat doet de Spaanse schrijfster Maria Dueñas (1964)  in haar vuistdikke roman Het geluid van de nacht. Onleesbaar willen zijn – dat verkondigt de Roemeense auteur Mircea Cartarescu (1956) in De trofee, het tweede deel van zijn trilogie. „Ik heb een postmoderne benadering van de herinnering”, zei Cartarescu onlangs bij een bezoek aan Amsterdam.
Ook de Congolees-Tsjechische schrijver Tomás Zmeškal (1966) lijkt bewust struikelblokken op te voeren om zijn lezer het bos in te sturen. Een liefdesbrief in spijkerschrift zindert van het absurdisme en verknoopt zoveel verhalen met elkaar dat je er als lezer bijna een schema van moet maken om de draad niet te verliezen. Maar grote, dikke Europese romans over het verleden zoals Topol voor ogen had  – dat zijn het alle drie.


De meest toegankelijke, de met de grootste flair en traditioneel ambachtschap geschreven roman van het trio is Het geluid van de nacht en daarmee dé kandidaat voor de vakantiekoffer. We volgen een talentvolle naaister in Madrid, in de jaren dertig van de vorige eeuw, die door haar ontmoeting met een charmante charlatan in het Marokkaanse Tetouan belandt, aan de grond raakt, maar zich vanuit de goot weet te ontwikkelen tot een slimme, eigenzinnige spionne van de Britse inlichtingendienst.
Het is een romantisch verhaal, dat literair gezien niet veel om het lijf heeft, maar dat en passant wel een indringend beeld schetst van de Spaanse burgeroorlog, het Madrid onder Franco, het leven in Tetouan aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog (tot 1956 was het noorden van Marokko een Spaans protectoraat) en de internationale spionage-netwerken tijdens de oorlog. Voor haar boek werd Dueñas geïnspireerd door verhalen die haar moeder, geboren in 1940 in Spaans Marokko, haar als kind vertelde.
Jarenlang deed de auteur, in het dagelijks leven hoogleraar Engels aan de universiteit van Murcia, onderzoek naar sleutelfiguren uit die periode, naar de militair Juan Luis Beigbeder bijvoorbeeld, in die periode de Spaanse Hoge Commissaris in Tetouan (en een van haar romanpersonages), maar ook naar familieleden van Franco, Spaanse hoge ambtenaren en Britse journalisten.  Al die kennis verweeft ze onnadrukkelijk, bijna onzichtbaar in haar boek.
Het levensverhaal van de naaister blijft de rode draad, waarbij de steden waarin ze woont, Madrid en Tetouan, zo sterk visueel aanwezig zijn dat ze bijna personages worden. Steden spelen toch al een belangrijke rol in deze Europese romans.  
Precies dat is ook wat Het geluid van de nacht gemeen heeft met De trofee. In het werk van Cartarescu speelt de Roemeense hoofdstad Boekarest een prominente rol – al is van herkenning geen sprake. „Boekarest is mijn alter ego”, zegt Cartarescu. „Ik wilde altijd al een stad voor mezelf hebben, zoals Dostojevski Sint Petersburg had, Borges Buenos Aires en Lawrence Durrell Alexandrië. Ik heb me Boekarest toegeëigend, het gevormd naar mijn verbeelding. Het is mijn eigen mentale en metafysische stad, onherkenbaar voor anderen.”


De lezer ervaart die stad vooral als een stad in ruïnes, vol gevaar, griezelige monsters, ontbinding en angsten. Cartarescu: „Ik heb een haat-liefde relatie met Boekarest. Ik ben er geboren en heb er 34 jaar gewoond. Ik leefde in een dictatuur, dacht dat ik nooit het land uit zou mogen. Boekarest was dus alles voor me, de navel van de wereld. U kunt zich voorstellen hoe groot de culturele schok was toen ik toch naar het buitenland kon en ik vanuit de ruïnes van Boekarest midden in de Big Apple werd geparachuteerd. Ik haatte mijn stad toen ik zag dat er een werkelijkheid bestond die oneindig veel beter was dan die ik gekend had. Inmiddels heb ik weer vrede gesloten.”
De andere hoofdpersoon in De trofee is, althans in het derde deel, de stad Amsterdam – en ook ditmaal gaat het om een personage waarin geen inwoner van onze hoofdstad zijn stad zal herkennen. Ja – er zijn trapgevels, er rijden trams op het Damrak en het Spui en Nederland is  nog die ‘ijverige plutocratie van gierige en spaarzame protestanten die bescheiden leefden en daarentegen de banken overlaadden met glinsterende watervallen van guldens’. In de ‘rokerige kroegen langs de Keizersgracht’ drinken ‘lieden die onnavolgbare keelklanken uitstootten en klinkers verzonnen die in geen enkele an
dere taal voorkwamen, waarmee ze in de lucht kantwerk klosten dat op een of andere vreemde manier toch aantrekkelijk was’. Daar wonen Maarten en zijn hond Frits, personages met echt Hollandse namen. ‘Nederlander zijn betekende dat je je hele leven doorbracht in een genreschilderij of in ergerlijk stereotypische landschappen van een schrijnende schoonheid’. Er wordt geschaatst, verdronken en gezeild. Maar verder is ook dit Amsterdam een alter ego van Cartarescu, een product van zijn verbeelding en zijn fantasmen. Visioenen, lichaamsdelen, de spin en de vlinder, de oogbol, de ejaculatie, de biologie en de waanzin – zij bevolken Amsterdam net zo goed als Boekarest.
In het Amsterdamse deel cirkelt de vertelling rond de zogenaamde menselijke standbeelden, de bijna buitenaardse figuren in kostuum, hun gezicht geschilderd, die op hun sokkel, lange tijd stil blijven staan tot vermaak van de toeristen. ‘Hun sculpturale roerloosheid ten spijt vormden ze eigenlijk getourmenteerde werelden die al rennende pas op de plaats maakten, die renden om […] hun gestalte vorm te kunnen geven, om op anderen over te komen als menselijke drogbeelden: etalagepoppen, wassen beelden standbeelden, opgezette, ingevroren of gebalsemde doden in wie weet wat voor barbaarse pantheons’, luidt de ook verder knappe vertaling van Cartarescus vaste vertaler Jan Willem Bos.
„In 1994/’95 woonde ik in Amsterdam”, zegt de auteur, „ik voelde me er thuis, denk nog vaak met verlangen terug aan die tijd. Die levende standbeelden fascineerden me, dus ik stelde me hun leven voor en verbeeldde me dat ze deel uitmaakten van een soort universele samenzwering van standbeeldmensen. Het Amsterdamse hoofdstuk vind ik een van de beste uit mijn hele trilogie.”
Orbitor luidt de overkoepelende titel; in het Roemeens heeft het de betekenis van „een heel fel licht dat je verblindt, een mystiek licht, een licht dat je niet met het oog kan zien, maar met je hart. Toen ik eraan begon had ik me voorgenomen een krankzinnig grote roman te schrijven. Ik vind dat iedere schrijver eens in zijn leven iets idioots moet doen. Voor mij was dat een roman schrijven die groter zou zijn dan ikzelf. Ik was in Amsterdam, alleen, ik kende niemand en ik had veel tijd. Ik begon lukraak te schrijven, het werd een verhaal over mijn familie. Daarna explodeerde alles in half surrealistische, half neoromantische beelden, ik vond het fantastisch.”
Zo extreem ambitieus als Cartarescu is, lijkt de Tsjech Tomáš Zmeškal niet, al moet je ook bij hem van goede huize komen om de puzzel van zijn boek te leggen. Geen chronologie in de eerste gepubliceerde  roman van deze schrijver, vertaler en docent, maar een compositie die hij, zo zei hij op een literaire avond, volledig de vrije teugel heeft gegeven. Het boek is  niet alleen het verhaal van de teloorgang van een huwelijk  en een vriendschap, maar toont ook hoe gruwelijk absurd het leven in Praag was middenin de vorige eeuw.
Een liefdesbrief in spijkerschrift speelt zich ook af tegen de achtergrond van het communisme en de Praagse lente, waarbij mensen worden opgepakt, gemarteld en gemanipuleerd totdat uiteindelijk geen menselijke relatie meer is wat hij was. De manier waarop Zmeškal de verhalen door elkaar vlecht is een feest voor de lezer die van speuren houdt.
Net als Jáchym Topol schrijft Zmeškal humoristisch en vaak absurdistisch. Sommige dialogen zijn hilarisch. Zo is bijvoorbeeld de banketbakker, ook wel Duarte, ‘Duarte Alghieri, voor vrienden ook bekend als Dante’ in gesprek met Václav, ‘een bruine Afrikaan’ en een psychiater, dokter Lukavský. We hadden je helemaal niet gezien, broeder dokter, zei de banketbakker, ‘dat komt door die witte jas. Witte jas? Die draag ik nu toch niet? zei de dokter. Precies, dat bedoel ik, zei de banketbakker’.
Ook refereert Zmeškal, zoon van een Congolese vader, niet zonder zelfspot aan de manier waarop hij bejegend wordt: ‘Hoe kan het dat die kleurling een Tsjechische naam heeft? Hij praat niet veel, hij zit de hele tijd te lezen en te schrijven […] Voor een neger heeft hij wonderlijk goed Tsjechisch geleerd’.



Zmeškal en Cartarescu doen beiden een gooi naar het schrijven van een roman die grenzen van tijd, logica en begrip, overschrijdt. Ze gooien  alle oude concepten van herinnering overboord, ridiculiseren ze, rekken ze op en trekken ze uit. Het verleden laten ze alle hoeken van de literatuur zien. De Roemeen gaat daarin nog verder dan de Tsjech. Terwijl de verteller van Een liefdesbrief in spijkerschrift nog enigszins te definiëren is, brengt die uit De trofee de lezer volledig in verwarring.
Cartarescu: „Mijn verteller is een fictioneel ego, een stem die alles kan uitdrukken, een operazanger met het bereik van vier octaven. Ik wilde alle menselijke gevoelens vatten, ik ging voor goud. Vooral wilde ik mijzelf begrijpen, mijn positie in de wereld. Daarom stelt mijn verteller zo veel vragen, daarom schrijft hij zo veel, daarom hallucineert hij, daarom heeft hij visioenen. Hij zoekt een antwoordt op de vraag: waartoe zijn wij op aarde?”
De grote Europese roman van nu is, behalve veelvormig, vooral stedelijk. De stad is een alom aanwezig personage, met verschillende gezichten: van absurdistisch tot angstaanjagend, van dictatoriaal tot labyrinthisch. Hij is vuistdik, die roman, hij duikt in de geschiedenis, kijkt over grenzen heen en brengt – jawel – de gemeenschappelijkheid van ons continent in kaart. Die ander, die een andere taal spreekt, in een andere stad woont, uit een ander milieu komt, een vreemd paspoort en een andere huidskleur heeft, is onze buurman. Zijn verleden hangt samen met dat van ons. Komt híj uit de misère, dan wíj ook. Zijn verhaal? Dat is ook ons verhaal, even ingewikkeld, maar dan net even anders. Aan chronologie heeft deze roman geen boodschap en louter lui consumeren – dat doet die lezer maar ergens anders. Deze schrijvers gaan voor de grote Europese greep, hun verhalen overstijgen het eigen individu, de eigen tijd, kijken verder dan hun geboorteland en zijn, vooral, groter dan zijzelf.

Nog 100 jaar Frans?

De opleiding Franse taal- en letterkunde aan de UvA bestaat 100 jaar, lees ik in een aankondiging. Mooi – aanleiding voor een stevige viering, denk ik, zo kan de vakgroep eens goed laten zien waar ze voor staat. Er gebeurt tenslotte nogal wat rond het Frans: onlangs werd de opleiding in Leiden maar nauwelijks gered van sluiting, aan andere universiteiten is de dreiging daartoe ook niet afgewend. Bij een bijeenkomst in SPUI25, waar gezocht werd naar argumenten en mogelijkheden om het tij te keren, liepen de gemoederen hoog op. Andere talen, met name de hele kleintjes, zoals het Roemeens, dat een duo vormde met het Frans, en het Portugees, verdwijnen uit Nederland. De Frans-Nederlande Academie in Utrecht, tegenhanger van het Réseau franco-néerlandais, dat zich bezig houdt met samenwerking in het hoger onderwijs, wordt gesloten. Iedereen kent de berichten over de voorgenomen sluiting van het Institut néerlandais en de te verwachten impact op haar wederhelft, het Institut français in Amsterdam.
Tijd dus om eens te laten zien wat voor prachtig onderzoek de opleiding doet, welke schrijvers er worden onderwezen, waar de docenten warm voor lopen, hoe het staat met de historische, internationale ontwikkelingen op het gebied van letterkunde, literatuur, cultuurhistorie! Een dag vol korte verhalen, vol enthousiaste docenten en studenten uit binnen- en buitenland! Een staalkaart van het hele onderzoek en onderwijs! Wat komt dat lustrum op een goed moment.
Eindelijk kunnen die studenten die nog Frans kiezen, eens een enthousiasmerend verhaal houden, waardoor ze hun leeftijdgenoten enthousiast maken! Eindelijk kunnen ook anderszins ‘bekende’ Nederlanders uit alle disciplines eens vertellen hoe belangrijk ze het vinden dat het Frans blijft bestaan! Eindelijk ook kan die aangekondigde samenwerking met andere universiteiten waar het Frans wordt onderwezen eens getoond worden! En natuurlijk komen er, vermoedelijk, grootheden uit het buitenland.
Zo’n lustrum moet dan, denk je, goed ingebed worden in de tijdsgeest, die van de wetenschappen vraagt welke bijdrage ze leveren aan de maatschappij, welk onderzoek leidt tot daadwerkelijke euro’s. Natuurlijk. De legitimatievraag wordt overal gesteld. Maar het gaat vooral om de ‘intrinsieke waarde’ van zo’n studie: waarom beleven mensen er plezier aan? Wat voor inzicht levert het de samenleving op? Op welk gebied is het inzicht gegroeid en hoe dan? Hoe is men van plan meer studenten te werven? Hoe worden die gelokt en waar? Welke wervingsacties staan er op stapel? Waar komen die studenten Frans terecht? Waarin schuilt, kortom, de waarde van de opleiding?

En dan de blik op het programma: ‘De wereld in 1912′. De AIM methode bij het leren van talen. 100 jaar misverstanden tussen Frankrijk en Nederland’. Vertaalworkshops, ‘vertalen van ambtelijke teksten’. Waar is het programma-onderdeel dat ervan getuigt dat de opleiding Frans middenin de wereld staat? Waar – vooral – is de blik op de toekomst om nog 100 jaar Frans veilig te stellen?
Wat een gemiste kans.

Florence Noiville: L'attachement

Een liefdesgeschiedenis, een oudere man, een achtienjarig meisje. Het zoveelste Lolitathema in weer een ander jasje? Florence Noiville weet in haar tweede roman, L’attachement, die valkuil te omzeilen en zet een indringend verhaal neer, dat je ook na lezing van het boek nog een tijdje bezighoudt.


Tout ce qui est anachronique est obscène, schreef Roland Barthes in zijn Fragments d’un discours amoureux, het motto van de roman. Inderdaad – de vertelster is 49 jaar oud als haar het bericht bereikt van de als schandalig ervaren verhouding die zij 30 jaar geleden beleefde, met een van haar leraren. Maar het gaat Noiville niet om het verhaaltje dat in drie zinnen te onthullen zou zijn. Het gaat haar om de achterliggende vragen: uit hoeveel ‘ikken’ bestaat een mens? Hoeveel levens kun je eigenlijk leiden? Waarom maak je de keuzes die je maakt? Hoeveel blijft er eigenlijk onbesproken, onbegrepen en onuitgelegd in een mensenleven? En ook: hoe haakt alles uiteindelijk toch weer in elkaar?
Noiville speelt fijngevoelig met de taal, ze kijkt achter de betekenissen, legt onverwachte verbanden, haalt woorden uit elkaar – iets wat we bijvoorbeeld ook aantreffen bij haar collega Lydia Flem (bekend van bijvoorbeeld Comment j’ai vidé la maison des mes parents et recenter, Comment je me suis séparée de ma fille et de mon quasi-fils). Net als Flem schrijft Noiville korte alinea’s, soms filosofisch, soms observerend, altijd reflecterend. De structuur van het boek is zonder meer knap: met verschillende vertellers rijgt ze het verhaal aan elkaar en creeërt ze – vooral tegen het eind – oplopende spanning met een onverwachte ontknoping. Hopelijk laat een Nederlandse uitgever snel zijn oog vallen op L’attachement.