Joël Dicker over Het boek van de Baltimores

Sommige boeken zijn wijzer dan hun auteurs. In het geval van Joël Dicker lijkt het omgekeerd te zijn. Het boek van de Baltimores is een lekkerepageturner, waarbij ik mijn potlood voor het aanstrepen van mooie zinnen of originele gedachten niet vaak nodig had. Maar ons gesprek is van een ander kaliber. Bedachtzaam, zijn woorden wegend, precies formulerend geeft Joël Dicker (1985) antwoord in zijn Amsterdamse hotel.

Dicker groeide op in een joods gezin in Genève, bracht zijn zomervakanties door in het Amerikaanse Maine en studeerde rechten. Een kantoorbaan verveelde hem al gauw. Ambitieus? Ja, dat is hij. Van kinds af aan wilde hij schrijver worden en wel een die door zoveel mogelijk mensen gelezen zou worden. Dat is hem gelukt. Miljoenen mensen lazen zijn thriller De waarheid over de zaak Harry Québert. En nu is er zijn net in het Nederlands vertaalde roman Het boek van de Baltimores. Zwitserland koestert hem, hij werd een merk, in één adem genoemd met Roger Federer.

Lees meer

Over Een overbodige vrouw van Rabih Alameddine

Voordat je een letter hebt gelezen, tref je op de eerste bladzijde een waarschuwing aan: ‘de protagoniste van deze roman gaat nogal prat op haar eruditie, hetgeen resulteert in ruim honderd citaten uit de wereldliteratuur’. Het is niet bepaald een zin die je voor het boek of voor de hoofdpersoon inneemt, en ook een nogal vreemde introductie op een roman. Het kan niet anders dan dat je hier te maken krijgt met een onsympathiek, betweterig personage.

Maar dat valt mee. De Libanees-Amerikaanse schilder en schrijver Rabih Alameddine (1959), die al verschillende succesvolle boeken op zijn naam heeft staan, schiep dit keer een ‘overbodige vrouw’, een oude dame die vroeger een boekhandel in Beiroet bestierde en zich haar leven lang wijdde aan het vertalen van de wereldliteratuur. Zonder overigens ooit één boek aan een uitgever te hebben aangeboden. Lees meer

Over Het voorgevoel van Emmanuel Bove

De kunst van het verdwijnen – het is een populair thema in de letteren. Van Nathaniel Hawthorne tot Patrick Modiano, steeds wordt het onderwerp opnieuw onderzocht en gefileerd. Waarom dringt het verlangen te verdwijnen zich van tijd tot tijd op in een leven?

In Het voorgevoel geeft de Franse schrijver Emmanuel Bove (1898-1945), een verrassend duidelijk antwoord. Zijn hoofdpersoon, Charles Benesteau, verlaat familie en vrienden ‘uit afkeer en verachting’. Hij kan niet meer aanzien ‘hoe de mensen zich druk maken uit eigenbelang.’ Zijn kinderen zijn groot en ‘min of meer weggehouden van hun vader’, zijn vrouw vraagt kort na zijn verdwijning echtscheiding aan, hij doet dus ‘niemand kwaad’. Lees meer

Over Gezichten van Mohamed Choukri

Mijn gezicht is de spiegel van mijn magische dromen, schrijft Mohamed Choukri (1935-2003) op de laatste bladzijde van Gezichten. Dan heb je al een hele portrettengalerij aan je voorbij zien trekken. Hammadi de gokker bijvoorbeeld, die als enige doel in zijn leven zijn trots als eeuwige overwinnaar wil bevredigen. Uiteindelijk creëert hij een alter ego, ‘de denkbeeldige gokker’, en dan bestelt hij ‘twee biertjes of een fles wijn met twee glazen: één glas voor hem en één voor zijn ingebeelde tegenstander.’ De winst verdeelt hij zijn geld onder de kroeglopers.

Lees meer

HEYU! Writers: Talkshow met Rosa Montero en Anna Enquist

Zondag 21 februari, 16.00 uur, OBA Theater

Volgende week zondag is de eerste aflevering van HEYU! Writers in de OBA in Amsterdam. In deze serie spreek ik met twaalf van de beste Europese schrijvers over onderwerpen die ons bezighouden: liefde en leven, migratie en Fort Europa, stad en platteland, politiek en democratie. Welk beeld geven schrijvers van de tijd waarin wij leven, waar zit de angst, waar zit de hoop?
Rosa Montero (Madrid, 1951) is een van Spanje’s bekendste schrijvers. Als journalist bij El Païs ontving ze vele prijzen. Haar passie voor lezen ontstond toen ze als kind vijf jaar lang in bed moest blijven. Ze studeerde psychologie en journalistiek. Bij uitgeverij Wereldbibliotheek verschenen van haar De dochter van de kannibaal, Hartstochten – Liefdes die de geschiedenis veranderden, Het hart van de Tartarus, Red de wereld! Volg de instructies en Vrouwenportretten. Onlangs publiceerde zij Het absurde idee je nooit meer te zien, waarin ze haar verdriet over de dood van haar man koppelt aan het dagboek van Marie Curie.

Montero gaat in gesprek met de Nederlandse schrijfster Anna Enquist. Enquist is een van de populairste schrijvers van Nederland. Ze studeerde piano aan de Muziekakademie in Den Haag en studeerde tegelijkertijd psychologie in Leiden. Met haar eerste twee romans, Het meesterstuk (1995) en Het geheim (1997), psychologische romans waarin klassieke muziek een belangrijk thema is, bereikte ze een groot publiek. Haar recentste boek, Kwartet, is een roman die is vormgegeven als een thriller: vier leden van een strijkkwartet, ieder op verschillende manieren beschadigd door het leven, vinden afleiding, troost, soms zelfs iets van verheffing in de muziek.

Met muzikale intermezzi door studenten van het Conservatorium van Amsterdam.
Schrijf je in via
http://oba.nl/activiteit.177832.html

 

Robespierre op het ijs. Over IJsmoord van Fred Vargas.

Robespierre – de Franse staatsman en motor achter de periode van Terreur, die zoveel tijdgenoten onder de guillotine liet belanden, blijft prominent in de Franse literatuur aanwezig. Een paar jaar geleden wijdde Pierre Michon op zijn eigen, intieme wijze een portret aan de elf leden van het Grand Comité de Salut public die tussen april 1793 en juli 1794 in Frankrijk een waar schrikbewind voerden. Les Onze heette zijn boek, De elf, naar de elf mannen die onder die naam de geschiedenis ingingen: Billaud, Carnot, Prieur, Prieur, Couthon, Robespierre, Collot, Barère, Lindet, Saint-Just, Saint-André.

Nu heeft ook de Franse thrillerschrijfster Fred Vargas die periode gedetailleerd bestudeerd. Een groter contrast met Michons roman is niet denkbaar. Waar Michon de periode oproept als de stijlpointillist die hij is, maakt Vargas Robespierre en zijn collega’s onderdeel van een hedendaagse superspannende seriemoord. Vargas haalt de geschiedenis van het Schrikbewind naar het heden en brengt een gezelschap van afstammelingen en navolgers van Robespierre en zijn vrienden samen. Mensen wier voorouders vermoord zijn door de beulen, mensen die afstammen van de heersers van toen of juist van de slachtoffers. Met honderden tegelijk komen ze samen, gekleed in de kostuums van toen en herhalen, woord voor woord, de redevoeringen zoals ze aan het eind van de achttiende eeuw uitgesproken zijn. Het lijkt een spel, een tijdverdrijf voor gegoeden en voor degenen die een passie hebben voor de geschiedenis. Maar het is bloedserieus, het gaat om leven en dood, nog steeds.

Vargas sympathieke commissaris Adamsberg belandt niet meteen in dat kostuumdrama. Eerst wordt hij geconfronteerd met een paar zelfmoorden die geen zelfmoorden blijken te zijn. Steeds laat de moordenaar, bijna onopgemerkt, een vreemd teken achter. Een schetst van een vreemd soort guillotine? De slachtoffers blijken elkaar te hebben gekend, allemaal zijn ze ooit naar IJsland gegaan, allemaal waren ze op een vervloekt eiland, waar ze veertien dagen in de mist, zonder eten en drinken, vast hebben gezeten en waar twee mensen van de kou om zijn gekomen. De eerste van die groep, een vrouw, heeft nu op haar sterfbed de waarheid willen onthullen, waarmee ze haar onvrijwillige dood nog sneller over zich afriep. Een voor een worden de andere leden van de Ijslandreizigers vermoord.

Het is typisch voor de literaire kwaliteit van Vargas dat ze in haar thriller meerdere lagen aanbrengt. Niet voor niets is ze archeoloog en historicus en het graven en speuren in lagen – letterlijk in de aarde, maar ook in de tijd –  vind je dan ook in al haar werk terug.

Vargas blijft trouw aan het team dat ze eerder in het leven riep, en dat de lezer inmiddels zo’n beetje kent. Voor het fenomenale geheugen schiep ze inspecteur Danglard, haar enige vrouwelijke detective is een kolossale quasi-manspersoon, een andere collega lijdt aan een slaapsyndroom waardoor hij om de drie uur een dutje moet doen. De dynamiek in het team is net zo goed onderdeel van het boek als het voortschrijdend en altijd twijfelend inzicht van Adamsberg in het hoe en wat van de moorden. Als je een ding bijblijft van deze heerlijke thriller is het het inzicht dat werkelijke passie, menselijke pijn en rancune niet verjaren, hoeveel eeuwen er ook tussen zitten.

Over Lucifer van Connie Palmen, NRC Leesclub Live op Winternachten

Over de verschijning van Lucifer in 2007, herinner ik mij een paar dingen. De kritiek op de karaktermoord die de schrijfster zou hebben gepleegd op een van Nederlands grootste componisten, die onder andere werd verwoord tijdens een van verontwaardiging zinderende avond in de Balie, de manier waar op Palmen de Nederlandse kritiek de mantel uitveegde omdat zij de verwijzing naar Vondels Lucifer hadden gemist en wat mij betreft vooral de vraag: gaat deze roman verder dan de rake, hilarische beschrijving van een minuscuul, naar binnen gekeerd Hollands kunstenaarswereldje? Heeft het boek, dat vol verwijzingen zit, maar ook topzwaar is van redenering en duiding, over 50 jaar nog iets te zeggen?

Het vijfde bedrijf herlas ik een paar dagen geleden in Marseille, op het panoramische terras van het Méditerranée Museum, magistraal ingebed in een vooruitgeschoven rots in de Middellandse Zee, in het fort dat Lodewijk XIV in de 17e eeuw liet bouwen. J’aime les panoramas heet de expositie die er momenteel te zien is, ik houd van panorama’s.

Het museum vertelt de geschiedenis van de landen rond de Middellandse Zee. Gestapelde muurtjes, urnen, moordwapens, schilderijen van veldslagen, iconen, maskers, amuletten om het kwaad op afstand te houden – dat soort dingen. Mythen en legenden uit de Westerse en de Arabische wereld. Het verleden van Irak vanuit Arabisch perspectief, de geschiedenis van de spijker. Atlassen van aardse veroveringen, hemelse voorstellingen, verhalen van strijd, vriendschap, verraad, van opkomst en ondergang van heersers en van werelddelen. Dood en verderf, oorlog en vrede. Ik bezoek de fottentoonstelling over de Tunesische lente, over verborgen homosexualiteit in Noord-Afrika. Gedurfd is het engagement van de fotograaf, hij legt bloot wat verborgen moest blijven.

Boven, op het terras, met naar de ene kant het wijdse uitzicht op zee en naar de andere kant de baai die toegang geeft tot oude haven van Marseille, kijk ik door het sleutelgat van Lucifer, naar het madurodam van Connie Palmen. Ik herlees de verhalen die ze vertelt over de tafel, alias de herenclub, de bevlogen, zuipende wereldbestormers van de Amsterdamse grachtengordel, die zich in de navel van de wereld wanen. Val of moord, schuld of onschuld, opzet of toeval – dat zijn de kernvragen die de Amsterdamse kunstenaarselite bezig houden na de tragedie die zich afspeelde op het Griekse eiland Skyros, in 1981. Om mij heen rennen kinderen gevaarlijk dicht langs de lage muurtjes, die hen moeten behoeden voor een val op de rotsen, tientallen meters onder ons, vaders grijpen hun zoon bij een arm, moeders schreeuwen naar hun dochters dat ze niet te ver over de reling moeten hangen. Je kunt maar zo je evenwicht verliezen.

In de verte zie ik het Chateau d’If, een stenen burcht met onneembare torens en vanaf de Middeleeuwen een gevangenis, beroemd geworden door Alexandre Dumas die er zijn Graaf van Monte Christo situeerde. Daar beraamde Edmond Dantes, in jarenlange gevangenschap, zijn ultieme wraak. Op de terrassen van de oude haven, aan de andere kant, schreef Simone de Beauvoir haar brieven aan Sartre. Hier kreeg ze haar eerste baan, als docent aan een middelbare school, met leerlingen aan wie ze haar talent niet wilde verspillen, snakkend naar haar zielsverwant die in Parijs was gebleven. Dat schrijft ze althans in haar autobiografie. Waar of niet waar, je weet het nooit. En tenslotte stel ik me voor hoe, over de zee, recht op het fort af, een tsunami komt aanrollen, precies zoals de Franse auteur Jean Echenoz beschrijft in een van zijn romans, hij laat een enorme golf niet alleen de haven maar de hele stad wegvagen.

Schrijvers zijn obsessieve geesten, schrijft Palmen (22), ze verzamelen informatie, brengen alles onder in een ‘verborgen netwerk’, verbinden de ene met de andere anekdote en ‘verlenen haar zo een betekenis waar niemand op verdacht is’ . Schrijvers kunnen schitterende dingen voortbrengen, maar ze kunnen die obsessieve geest ook inzetten ‘voor het kwade’. De schrijver is gevaarlijk, hij kan elke vermomming, iedere gedaante aannemen, ongrijpbaar worden, de lezer volstrekt op het verkeerde been zetten. Fictie is zo laat Palmen een van haar personages zeggen, een excuusbrief voor het kwaad.  Schrijvers – of het nu Alexandre Dumas is, Simone de Beauvoir, Jean Echenoz of Connie Palmen –  liegen aan een stuk door, en zelfs, ‘met een satanisch plezier’. 66 Literatuur heeft een demonische aard, ze liegt en bedriegt, 224, verfraait en verdicht en toch overtreft ze in al haar leugenachtigheid de werkelijkheid in waarheidsgehalte.

Daarover, over dit geheim van het schrijverschap, gaat Lucifer. Een roman brengt je daar waar feitelijke verwoording tekort schiet, zei Hella S. Haasse. Er gebeurt iets waardoor je zicht op de werkelijkheid verruimd wordt. Je ervaart iets dat niet tot de huis-tuin-en-keuken werkelijkheid behoort. Literatuur, zei ze, impliceert indirect datgene wat niet beschreven kan worden. Dat geldt voor Lucifer, ook negen jaar na verschijning, ook voor wie met de grachtengordel van toen niets te maken heeft. En waarschijnlijk ook nog over 50 jaar.

Weer thuis in Amsterdam fiets ik langs Arti, door het raam zie ik de tafel waaraan de langst levende leden van de herenclub nog steeds iedere week plaatsnemen. Zonder vrouwen. Een relict uit een voorbije tijd, een kleurrijke  voetnoot in de Amsterdamse geschiedenis, vereeuwigd in Lucifer, een detective op de vierkante millimeter, een minuscuul panorama van de verbeelding, een Amsterdamse caleidoscoop van de verloren tijd.

http://www.writersunlimited.nl/productie/nrc-leesclub-live-lucifer-van-connie-palmen

Over Het voorgevoel van Emmanuel Bove

De kunst van het verdwijnen – het is een populair thema in de letteren. Van Nathaniel Hawthorne tot Patrick Modiano, van Niña Weijers tot Robert Welagen, steeds wordt het onderwerp opnieuw onderzocht en gefileerd. Waarom dringt het verlangen te verdwijnen zich van tijd tot tijd op in een mensenleven? Wat brengt iemand ertoe daadwerkelijk de stap te zetten? Lees meer

Over Gezichten van Mohammed Choukri

Mijn gezicht is de spiegel van mijn magische dromen, schrijft Mohamed Choukri (1935-2003) op de laatste bladzijde van Gezichten. Dan heb je al een hele portrettengalerij aan je voorbij zien trekken. Hammadi de gokker bijvoorbeeld, die als enige doel in zijn leven zijn trots als eeuwige overwinnaar wil bevredigen. Uiteindelijk creëert hij een alter ego, ‘de denkbeeldige gokker’, en dan bestelt hij ‘twee biertjes of een fles wijn met twee glazen: één glas voor hem en één voor zijn ingebeelde tegenstander.’ Als hij wint verdeelt hij zijn geld onder de kroeglopers.

Lees meer

33 dagen op de vlucht, Léon Werth

Vluchtelingen, nomaden, asielzoekers – woorden van nu, die bijna 100 jaar geleden al veelvuldig werden opgeschreven door de onbekende Franse schrijver Léon Werth. Op 11 juni 1940 verliet Werth huis en haard in Parijs, met zijn vrouw en een vriendin van zijn vrouw. Ze gingen per automobiel naar hun huis in St. Amour, ten zuidoosten van Lyon. Normaliter een paar uur rijden. Maar de trip die ze toen maakten duurde 33 dagen, 33 jours luidt dan ook de titel van het Franse, recent heruitgegeven boekje, dat momenteel in alle Parijse boekhandels ligt.

Het zijn de dagen van de uittocht uit Parijs, de Duitsers rukken op en dreigen Parijs aan te vallen en binnen te trekken, waarop de bevolking vlucht, met zoveel mogelijk van hun hebben en houden hoog opgeladen op hun auto’s, anderen te voet of te fiets. De wegen raken overvol, de benzine raakt op, de reizigers stranden en raken oververhit. Iedereen klampt de plattelandsbevolking aan, vraagt om benzine, water, eten en onderdak. De berichtgeving over de oorlog blijft eerst uit, sijpelt daarna langzaam door, iedereen wil naar de ‘zone libre’.

Werth observeert, net als Irène Némirovsky ongeveer tegelijkertijd moet hebben gedaan, wat er gebeurt in de stilte voor de storm, als de Duitsers nog met vreemde, onwennige blik worden bekeken. Ze vragen om water, nemen een baby op de arm en schrijven brieven aan hun Duitse liefjes. Veel Fransen denken dat het allemaal niet zo’n vaart zal lopen, dat alles in no time over is, anderen pappen aan met degenen in wie ze hun toekomstige overheersers zien. Het is dat vacuüm dat Léon Werth beschrijft als hij eenmaal, na 33 dagen, zijn huis in St. Amour bereikt heeft. Een mooi, precies verhaal over een eerdere stroom vluchtelingen in onze geschiedenis. Werth geeft het verhaal mee aan zijn vriend Saint-Exupéry, die ervan onder de indruk is en belooft dat hij het in New York zal laten uitgeven. Daarna volgt er een lange stilte. Pas in 1992 verschijnt het bij Viviane Hamy.