Rosa Montero: biografische schets en zelfportret ineen

Het is een van die lange titels die eigenlijk teveel woorden bevatten, maar je toch bij blijven: Het absurde idee je nooit meer te zien, heet het recente boek van Rosa Montero. Een van Spanjes bekendste schrijfsters en journalistes verloor een paar jaar geleden de man met wie ze het grootste deel van haar leven doorbracht. Een vriendin stuurde haar de dagboekaantekeningen van Marie Curie, bijgehouden in het eerste jaar na de dood van haar man Pierre. Wat de Nobelprijswinnares meemaakte spiegelt de ervaringen van Montero zelf, ze gaan in dialoog, gevoelens worden vergeleken, herinneringen gedeeld, overtuigingen tegen het licht gehouden. Meer dan over haar eigen verlies en verdriet, beschouwt Montero het leven van Marie Curie, een eigenzinnige en sterke vrouw, die het op moest nemen tegen alle vooroordelen die er in haar tijd tegen de vrouw bestonden. Maar ze meandert er ook omheen, haalt er andere vrouwelijke voorbeelden bij en kan fel uithalen naar vrouwonvriendelijke zaken die haar niet zinnen. Voor alles is Het absurde idee een fascinerende reis door de geest en leven van een van de weinige vrouwelijke Nobelprijskandidaten, afgewisseld met de gedachten van een zelfbewuste hedendaagse denker, die niets voor lief neemt.

Op zondag 21 februari, om 16 uur gaat Rosa Montero in gesprek met Anne Enquist, in de OBA, Amsterdam. Moderator: Margot Dijkgraaf

Zie ook:

http://www.oba.nl/actueel/writers-serie-talkshows-met-Europese-schrijvers.html

 

‘Vertrokken’ van Henri Coulonges: hoe onschuldig kun je zijn?

De twaalfjarige Johanna en haar vriendinnetje Hella zitten in het circus op het moment dat het eerste luchtalarm afgaat. Ze zien lichtbollen naar beneden vallen, boven de Hofkirche, de Opera en het Japanse Paleis, voorbode van het bommentapijt dat binnen een etmaal de hele oude binnenstad van Dresden zou vernietigen. ‘Hoe kunnen ze zoiets doen op een feestavond?, mompelde Johanna, die zich niet over haar teleurstelling heen kon zetten.’

Dit zinnetje is illustratief voor de invalshoek die Coulonges heeft gekozen voor zijn roman L’adieu à la femme sauvage uit 1979, nu als Vertrokken in het Nederlands vertaald: we bekijken de wereld en de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog door de ogen van een jong Duits meisje, dat geen enkele notie heeft van wat er gaande is. Ze weet nog net wie Hitler is, maar verder heeft ze geen weet van het hoe en waarom van de oorlog, vluchtelingen, wreedheden of wat dan ook. Alles komt voor haar uit de lucht vallen. En dat is nogal wat: haar hele leven verandert die nacht van het bombardement op Dresden, al haar zekerheden verdwijnen, alles stort in. De meisjes blijven niet in de schuilkelder waar de bezoekers van het circus hun toevlucht hebben genomen. Ze steken de Elbe over, terug naar de oude stad, wanhopig onderweg naar huis, waar ze in de hel van bombardementen, oplaaiende vuurhaarden en instortende gebouwen belanden. De beelden die Coulonges oproept zijn indrukwekkend en levensecht, je maakt de ondergang van de barokstad aan levenden lijve mee. De schok is groot, de stad zou toch niet gebombardeerd worden, ‘omdat er zich kunstwerken van onschatbare waarde in bevonden?’ Hella sterft onder een ineenstortend glazen dak ‘dat plotseling vloeibaar werd en begon te stromen in sierlijke stralen die waren gevat in lange, gloeiend hete, donkerrode spectraallijnen’, ‘een waterval van ineenstortend glas’. Uiteindelijk bereikt Johanna haar ouderlijk huis. Ze treft er een dood zusje aan en een apatische moeder, met starre en lege ogen, in een zwaar beschadigd huis. Dat moment grijpt Coulonges aan om ons wat meer te vertellen over de familierelaties, over de hechte band tussen Johanna’s moeder en haar zusje, over haar overleden vader die archeoloog was en met wie ze een hechtere band had. Johanna realiseert zich dat haar moeder in choc is, getraumatiseerd en dat de rollen voortaan omgekeerd zijn: zij is verantwoordelijk voor haar moeder, zij moet hen beiden in veiligheid brengen.

Stap voor stap laat Coulonges ons zien hoe de rustige wereld van een beschermd opgevoed Duits meisje opgaat in rook en chaos. Tijd en plaats, heden en verleden krijgen een andere dimensie. Overleven wordt het parool, de waanzin slaat toe.

Johanna zoekt haar toevlucht op een boerderij van de leider van een jongenskoor die ze op haar helse tocht heeft ontmoet en haar zijn adres heeft gegeven. Hij blijkt haar moeder van vroeger te kennen. De verwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op: de herinnering aan de oude liefdesgeschiedenis, de mishandeling van de moeder door passerende Russische soldaten, de reis naar Praag waar zij in een verpleegtehuis wordt opgenomen, het verblijf bij een oude vriend van Johanna’s vader, tot aan de apotheose van geweld en wraak waarin alles eindigt.

Het boek heeft vaart, is beeldend geschreven en bij tijd en wijle spannend. Maar is het meer dan dat? Illustreert Coulonges werkelijk ‘het controversiële thema van de collectieve schuld van de nazi’s’, zoals de achterflap ons belooft? Zijn hoofdpersoon is een onbeschreven blad, de onschuld zelve. Een leeftijdsgenootje legt haar uit dat ‘Hitler joden haat’, dat ‘een kamp een door de SS bewaakt terrein is’, dat ‘die mensen daar in Tsjecho-Slowakije, Polen, Rusland en Frankrijk echt niet op (ons) zaten te wachten’. De vriend van haar vader bij wie ze in Praag onderdak krijgt, moet haar vertellen dat Tsjecho-Slowakije door Duitsland is aangevallen: ‘Maar ik dacht dat we gevraagd waren,’ antwoordt ze, ‘zo werd het ons voorgesteld, we waren als overwinnaars binnengehaald en wij geloofden dat natuurlijk. Wij dachten dat de mensen van ons hielden.’ Hij stelt haar gerust:’Je kon het niet weten. Jullie zijn in onwetendheid gelaten’.

Op geen enkel moment schetst Coulonges de context van zijn verhaal, Hitlers agressie, de internationale situatie of de voortgang van de oorlog. Het plotselinge opduiken van ‘deserteurs van Vlasov’ of de wraakacties van de inwoners in Praag tegen de al dan niet collaborerende Duitsers zijn voor Johanna dan ook onbegrijpelijk. Diepgaander terzijdes blijven achterwege, vrijwel alle personages zijn goed of slecht. Daardoor wordt de interessantste morele vraag, die naar de grijstinten, niet gesteld. Uiteindelijk wordt het consequent volgehouden kindperspectief onwaarschijnlijk en zelfs hinderlijk. Hoe onschuldig kun je zijn en, vooral, blijven?

Onwillekeurig vergelijk je het klassiek chronologisch vertelde verhaal van Coulonges, uit 1979, met die andere twee beroemde romans over het bombardement op Dresden, Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch uit 1959 en Slachthuis 5 van Kurt Vonnegut, uit 1969. Beide romans kennen een ingewikkelder compositie en een volstrekt ander perspectief. In deze boeken wordt de chaos en de waanzin van de oorlog weerspiegeld in de vorm die noch bij de een, noch bij de ander klassiek narratief is. Met deze grote romans kan Vertrokken zich niet meten. Wat je bijblijft is vooral het eerste deel waarin Coulonges met meesterhand de verschrikking van het bombardement op je netvlies zet.

Henri Coulonges: Vertrokken. Vertaald door Geertrui Marks en Lia Tuijtelaars. Nieuw Amsterdam Uitgevers. 447 blz. € 24,95

Les Cowboys van Thomas Bidegain

Vanaf donderdag draait Les Cowboys in de bioscoop in Nederland, vanaf morgen kan het Franse publiek de film gaan zien.  De Fransman Thomas Bidegain tekent met Les Cowboys zijn debuut als regisseur. Voordien werkte hij, als scenarioschrijver, meer dan tien jaar samen met filmmaker Jacques Audiard. Samen maakten ze bijvoorbeeld Un prophète, De rouille et d’os en Dheepan.

Les Cowboys is een prachtige, geweldig geacteerde, intrigerende film die niet actueler kon zijn. In een Frans dorpje, wiens inwoners ervan houden zich bij tijd en wijle als cowboy uit te dossen en feest te vieren, verdwijnt een jong meisje, Kelly, spoorloos. We zien haar, in het begin van de film, dansen met haar vader (François Damien), die van onder zijn cowboyhoed, trots op haar neerkijkt. Ze verdwijnt uit beeld, bijna uit de film en komt pas helemaal aan het eind nog even terug. Het meisje blijkt vertrokken met haar geradicaliseerde moslimvriend, van wiens bestaan haar ouders niet op de hoogte waren. Ook met haar vriendinnen bleek ze al tijden nauwelijks meer contact te hebben.

Het eerste deel van de film draait om de vader, die op zoek gaat naar zijn dochter, in de overtuiging dat ze ontvoerd is, of gehersenspoeld. Zijn wanhoop, zijn angst, zijn eindeloze doorzettingsvermogen tot aan zijn dood, gaan door merg en been. Haar moeder kan er beter mee uit de voeten. In het tweede deel van de film verschuift het perspectief naar de zoon, de jongere broer van Kelly, schitterend gespeeld door Finnegan Oldfield. Hij is zwijgzaam maar net zo onverzettelijk als zijn vader, onderneemt reizen naar het Midden-Oosten, ontmoet een handelaar in dubieuze zaken (mooie rol van John C. Reilly) en zoekt net zolang door totdat hij ieder spoor van zijn zus heeft afgevinkt.

Bij zijn bezoek aan Amsterdam, ter gelegenheid van de première van Les Cowboys, raakte Thomas Bidegain niet over zijn film uitgepraat, hoewel hij al weken de wereld rondreist om erover te vertellen. Ja, de film pakt een heel actueel onderwerp bij de kop, maar hij had het idee al vier jaar geleden, toen de vluchtelingen uit Oost-Europa een hot item waren. Hij hield altijd al van westerns en in zijn film heeft hij de traditionele rol van de indianen vervangen door die van djihadisten. En inderdaad, het gaat niet specifiek over een jong meisje dat er vandoor gaat met een jihadist, maar in bredere zin over hoe het voelt als je kind opgroeit en zijn of haar eigen leven gaat leiden – dat is een pijnlijk proces. Bidegain werpt en passant een liefdevolle blik op zijn zoon, die momenteel in Nederland, aan de Rietveldakademie studeert.

Het J’accuse van Michel Houellebecq

Eergisteren publiceerde Michel Houellebecq een open brief aan president Hollande  in de Italiaanse krant Corriere Della Sera. Hoewel ik geen integrale Franse of Engelse vertaling van het stuk heb kunnen vinden, lijkt hij hierin als gebruikelijk ongezouten, en bovendien consequent, zijn mening te geven, ‘J’accuse Hollande et je défends les français’, luidt de titel van het stuk. De politiek elite veegt hij de mantel uit: ze hebben het land jaren geleden al betrokken bij ‘absurde en kostbare operaties’ in Irak en Libië. Ze zagen grenzen als ‘een voorbije idiotie, het symbool van een misselijkmakend nationalisme’. En ze hebben verzuimd aan ‘hun allerbelangrijkste taak’ te voldoen, namelijk ‘de bevolking van Frankrijk, die aan hun zorg is toevertrouwd, te beschermen’.

Dat hij Hollande weg zet als een ‘onbetekenende opportunist’ en Valls als een ‘geestelijke debiel’, hoeft lezers van Soumission niet te verbazen. In zijn recentste roman analyseert hij snijdend en spottend de huidige Franse politiek. De ware agenda van de UMP en van de Parti Socialiste, schrijft zijn verteller, is ‘de verdwijning van Frankrijk’, Frankrijk moet onderdeel worden van ‘een federaal Europees geheel’. Dat de kiezers dat niet willen, ‘wordt al jaren onder het tapijt geveegd en genegeerd’. In Soumission zijn de traditionele Franse politieke partijen zo zwak en uitgehold dat ze geen andere weg meer zien dan steun te verlenen aan een moslimpartij die de nieuwe president levert.

Ook verwijt Houellebecq in zijn artikel Hollande en zijn kabinet dat zij onverantwoordelijk zijn omgegaan met het snijden in het politiekorps: ‘gedreven tot wanhoop en verontwaardiging, wordt het hen bijna onmogelijk gemaakt hun taak te vervullen.’ Ook in dit opzicht blijft hij consequent. In een eerdere roman, La carte et le territoire (De kaart en het gebied), portretteerde Houellebecq een Franse politiecommissaris, Jasselin, die de gruwelijke moord op zijn naamgenoot, Michel Houellebecq, moet oplossen. Hij schetst hem als een vriendelijke negentiende-eeuwse bromsnor, kind van gescheiden ouders, vertelt als consulteerde hij wikipedia wat de taken zijn van een commissaris en wat zijn salaris is (€ 2898). Jasselin is getrouwd, bekijkt met tevredenheid zijn ‘vieux couple’, een ‘vredig nest’ ver weg van de geluiden van de wereld, ver weg van de barbaarsheid en het geweld waarin hij overdag leeft’. Jasselin heeft een hond, geen kinderen en betreurt dat allesbehalve. Hij doceert dat iedere politieagent op iedere dag van een onderzoek toch tenminste één aantekening moet maken in een notitieblokje ‘zelfs als het feit dat u noteert u volstrekt onbelangrijk toeschijnt’. En natuurlijk zou het onderzoek die volstrekte onbelangrijkheid ervan bevestigen, maar ‘je moet nu eenmaal een minimale intellectuele activiteit behouden’. ‘Een volstrekt inactieve politieagent raakt zijn motivatie kwijt’. De ironie druipt ervan af.

De politieke elite heeft gefaald, concludeert Houellebecq in zijn stuk, ‘de enige oplossing die ons rest is langzaam naar de enige echte vorm van democratie te gaan, de directe democratie’. Waar de huidige democratie volgens hem toe leidt, schetste hij in Soumission. Waar zijn eigen aanbeveling toe leidt, heeft Houellebecq vooralsnog in zijn verbeelding niet uitgewerkt.

 

Gisteravond, 13 november, in Parijs

Rond half tien gisteravond begonnen de berichtjes binnen te stromen. Eerst bij de uitgever. Een grap, dacht ze. Maar even later werd ze bleek. De Bataclan, een concertzaal, waar ze zelf ook regelmatige naar toe ging, er werd geschoten, las ze ons voor, vrienden zagen het gebeuren. Na een Frans-Nederlandse avond met Louise O. Fresco en Jean-Christophe Rufin aten we met een kleine groep vrouwen vlakbij de Alliance Française de Paris, om de hoek bij boulevard Raspail. Ook de ambassademedewerkers begonnen nu ene na het andere bericht binnen te krijgen. Al onze inboxen begonnen tegelijk vol te stromen. Schrik en angst. In no time was het restaurant zo goed als leeg, de achtergeblevenen keken voortdurend naar hun I-Phone.

We betaalden, buiten was het donker en bijna uitgestorven. Taxi’s die mensen afleverden wilden ons niet meenemen. Auto’s snelden langs ons heen, een enkele bus die we niet nodig hadden stopte op een verlaten halte. De straten waren leeg, hoewel het niet koud was bibberden we bij het oversteken. De snelste weg bleek onmogelijk: de toegang werd versperd door een klein peloton gewapende soldaten. Ce n’est pas encore fini, mesdames. Omlopen dus. Binnen blijven als u thuis bent. De paar mensen die we nog tegenkwamen liepen hard, keken op hun telefoon, rakelings langs de huizen alsof ze zo weinig mogelijk plaats wilden innemen, laat staan opvallen.

Eenmaal binnen bracht de tv de gruwelijke beelden naar buiten, van gebeurtenissen die op een paar kilometer van mij vandaan plaats vonden. Bizar en niet te bevatten. Urenlang keek ik vannacht naar de reportage op de diverse Franse zenders. De paniek, de totale angst op de gezichten van de overlevenden, de losse schoenen, de bloedvlekken.

Vanmorgen vroeg vertrok ik naar het Gare du Nord, half en half verwachtend dat ik snel weer terug zou zijn. Geen taxi te bekennen. De boulevard St. Germain zo goed als leeg. Er kwam een bus, met de chauffeur en één passagier. Hij ging de goede richting uit. Ook de metro die ik nodig had reed. Welgeteld zeven personen in de metro, die normaal afgeladen vol is. Unheimisch. Zenuwachtig bewegende en om zich heen kijkende passagiers. Een enkele metrohalte werd overgeslagen wegens mesures de sécurité. Voor het Gare du Nord stonden drie taxis, normaal enkele tientallen. De vrouwen die je normaal belagen om een aalmoes stonden in een kringetje voor de hoofdingang. Ook zij waren van slag. Bij Terminus Nord bestelde ik koffie, men was extreem vriendelijk, net als bij de kiosk en even later bij de thalys. Vriendelijkheid als antwoord op barbaarsheid. Ik denk aan de romans van Michel Houellebecq, van Tahar Ben Jelloun, van Mathias Enard. Vooral 2084 van Boualem Sansal lijkt nu afschuwelijk visionair.

In de hal van Gare du Nord telde ik in een oogopslag zo’n twintig militairen, geweer in de aanslag. ‘I heard the shots in the stadion’, hoor ik een Fransman telefonisch vertellen, verder zwijgt iedereen. Op de piano speelt dit keer niemand. De thalys vertrekt stipt op tijd. En komt 3 uur en 10 minuten later stipt op tijd in Amsterdam aan. Ik zie een televisieploeg, die tevergeefs Chinezen aanklampt. Ze spreken geen Engels, roept de verslaggever. Voor het station komt de vertrouwde wietgeur me tegemoet. Een gids vertelt Japanners op de fiets over de tweede uitleg van de grachtengordel van de stad Amsterdam. Mijn gedachten zijn nog in Parijs. Woede en onbegrip. De wereld staat in brand. Hoe diepgaand zal dit ons leven en dat van onze kinderen veranderen?

 

Goncourt 2015: Boussole van Mathias Enard

Vandaag werd Boussole van Mathias Enard bekroond met de prix Goncourt 2015 – een zeer verdiende prijs voor een rasverteller. In zijn overvolle roman geeft Mathias Enard het woord aan zijn alter ego Franz Ritter, net als hij een kenner van de Arabische landen en hun cultuur, musicoloog en erudiet en gretig lezer. Ritter, die in Wenen woont, poort tussen Oost en West, heeft net te horen gekregen dat hij aan een dodelijke ziekte lijdt.

In een lange koortsige nacht trekt zijn leven aan hem voorbij: zijn vele reizen door Turkije, Syrië, Libanon, Iran en Irak, alle verhalen die hij hoorde, de onderzoekers die hij ontmoette en het parcours dat hij aflegde met Sarah, zijn grote liefde. Beiden hebben zich een leven lang verdiept in de invloed van ‘de Oriënt’ op de geschiedenis van Europa, op haar muziek, literatuur en historie.

Hij herinnert zich zijn eerste opiumpijp, die een eeuwig verlangen naar harmonie en kruisbestuiving in hem opriep. Hij had het gevoel dat een weefsel van literaire teksten (Musset, Lamartine, Nerval en veel andere klassieken) aanlsoot bij een wereld van reizigers en musici. Precies zo’n literair en muzikaal weefsel presenteert Enard ons. En zo trekt dat panorama van kruisbestuiving aan de lezer voorbij, van Beethoven tot Balzac, Mozart, Pessoa, Annemarie Schwarzenbach, Novalis, Nietzsche, Berlioz, Trakl, Hofmannstal en vele vele anderen. Erudiet is Enard, van een enorme belezenheid. Dat ervoer ik een paar jaar geleden ook toen ik hem uitnodigde voor een dîner in het Parijse restaurant La Coupole. Wat ik me vooral herinner zijn de vele keren dat ons gesprek werd onderbroken voor lang-zal-die-levens, waarbij het licht steeds uitging, de obers met ijstaart met kaarsjes binnenkwamen en de jarige door het hele restaurant luidkeels werd toegezongen. Het was zo een hilarisch dîner waarbij Enard en ik de slappe lach kregen.

In Boussole – een referentie aan een zogenaamd kompas van Beethoven dat niet naar het noorden wijst, maar naar het oosten – laat Enard ons in een waaier van anekdotes en verhalen door de eeuwen heen zien hoe de Europeaan naar de Oriënt heeft gekeken en vice versa. Welke fantasmen en welke clichés hebben er eeuwenlang gegolden? ‘Visions de l’autre entre Orient et Occident’ luidt de titel van Sarah’s proefschrift.

Enards stijl is poëtisch en persoonlijk, doordrenkt van melancholie en weemoed, zijn zinnen rijgen zich zonder witregels aan elkaar in een vloeiende monologue intérieur van herinneringen en voorbije verlangens. Als een hedendaagse Balzac creërt Enard het ene kleurrijke personage na het andere. Neem de Oostenrijkse archeoloog Bilger die zijn verteller wegwijs maakt in Istanboel en later waanzinnig wordt. Maar Enard trekt de lijnen ook door naar het heden. Zo legt hij en passant uit waarom radicale islamisten de eeuwenoude heiligdommen van Palmyra vernietigen. Als een hedendaagse Balzac creërt Enard het ene kleurrijke personage na het andere. Een fantastische literaire roman.

Wie enorme angst heeft voor alles wat uit het Midden-Oosten komt, heeft het mis, was wat Enard vlak na de bekendmaking van de Goncourt zei, vanmiddag rond half twee. ,,We moeten tijd vinden om een en ander goed te overdenken.” Wie rustig gaat zitten om de roman van Enard te savoureren, heeft geen andere keuze.

 

Wie krijgt de prix Goncourt 2015?

Vier boeken zijn er nog genomineerd voor de prix Goncourt, Frankrijks belangrijkste literaire prijs. Afgelopen dinsdag werd de shortlist bekend gemaakt in museum Bardo in Tunis, waar in maart een bloedige terreuraanslag plaatsvond. Juryvoorzitter Bernard Pivot verklaarde dat de jury de met aanslagen bedreigde, jonge Tunesische democratie een hart onder de riem wilde steken: ‘on est avec vous’. Een van de vier genomineerden en vermoedelijk de grootste kanshebber, Hédi Kaddour wiens boek bij het machtige Gallimard verscheen, is van Frans-Tunesische afkomst. Het prijzengeld van de Goncourt bedraagt slechts € 10, maar de verkoop kan maar zo oplopen tot een half miljoen exemplaren of meer.

De grootste verrassing van dit jaar is dat de gedoodverfde winnaar, de Algerijn Boualem Sansal, de shortlist niet heeft gehaald. Sansal  wordt vanwege zijn geëngageerde anti-fundamentalistische werk al jaren met de dood bedreigd, maar weigert desondanks zijn land te verlaten. 2084 is, met dank aan George Orwells 1984, Het slot van Kafka en De mogelijkheid van een eiland van Michel Houellebecq, een apocalyptische visie op het einde van de hele Westerse beschaving.

Opvallend voor de shortlist, evenals eerder voor de longlist, is de keuze voor romans die ver over de Franse grenzen heen kijken. Of ze nu in Frankrijk of in Marokko, Egypte of Tunesië zijn geboren, de auteurs schetsen met kennis van zaken hoe het komt dat het er in dat deel van de wereld zo voorstaat als nu het geval is. Het recente verleden van brandhaarden als Egypte, Syrië, Irak, Iran en Noord- en Midden-Afrika – dat is hun onderwerp. Op het moment dat Europa zich geconfronteerd ziet met vluchtelingen uit Arabische landen, laat de Franse literatuur van nu superieur zien wat zich daar in het recente verleden heeft afgespeeld.

Afgaande op de de nominaties telt het hedendaagse Frankrijk dit jaar als literair onderwerp niet mee. Slechts één genomineerde roman heeft een duidelijk Frans gerelateerd thema: het leven van de grote zeventiende-eeuwse tragedieschrijver Jean Racine, en ook deze schrijfster, Nathalie Azoulai, heeft een exil-achtergrond.

Lees meer

Het onmetelijke mausoleum van Mircea Cărtarescu

In de boekenbijlage van NRC Handelsblad stond onlangs een sterk ingekorte versie van mijn stuk over Het onmetelijke mausoleum. Dit is de volledige:

In een van de stukken uit zijn essaybundel Waarom ik lees, stelt Tim Parks de vraag waarom je eigenlijk een boek helemaal uit zou lezen – ook als het een goed boek is. Zelf legt hij regelmatig een boek terzijde als hij er wel degelijk van geniet. Iedere lezer van de Roemeense schrijver Mircea Cărtărescu zal dit herkennen. Zelfs de schrijver zelf heeft in interviews bekend dat hij pauzes moest inlassen bij het schrijven van zijn gigantische trilogie Orbitor, omdat hij anders bang was in een gekkenhuis te belanden. Zijn lezer voelt zich regelmatig alsof hij is aangemonsterd op het narrenschip van Jeroen Bosch en in diens barokke, gruwelijk angstaanjagende wereld is beland.

Het onmetelijke mausoleum is het derde en laatste deel van Cartarescu’s in totaal meer dan vijftienhonderd pagina’s tellende project om een roman te schrijven over Boekarest, de stad waar hij geboren is, die ‘groter zou zijn dan hijzelf’. De vorm die hij daarvoor koos is niet alleen daadwerkelijk groter geworden dan hijzelf, maar ook uniek en onvergelijkbaar met welk ander hedendaags literair werk dan ook. Hulde komt de vertaler toe, Jan Willem Bos, die met bewonderenswaardig  doorzettingsvermogen het complete werk in voorbeeldig Nederlands heeft vertaald.

’Het geschiedde in het jaar des Heren 1989’ luidt de openingsregel van dit derde deel. Dat geeft de lezer houvast, we zijn beland in het jaar waarin de muur viel. Maar al snel gaat de lezer kopje onder in de associatieve uitwerking van dat memorabele jaar: het ‘eeuwig uitdijende heelal’ koelt af, er zijn aardbevingen en plagen, ‘de vlinders schrijden voort zonder te weten waarheen’, ‘het verleden was alles, de toekomst was niets’. De inwoners van Boekarest ‘hebben aan het eind van dat noodlottige jaar 1989 het laatste jaar van de mens op aarde gezien, uitgespreid over de hemel, met lange en trillende vertakkingen, als reptielenpoten die de wereld met hun klauwen vastgrijpen’. Ongemerkt is de lezer van dat duidelijke jaartal, via een roetsjbaan, beland in een ongrijpbaar labyrint van dromen en visioenen, we scheren langs vervormende spiegels, allerhande  spookverschijningen, religieuze monsters en groteske seksuele waanvoorstellingen. Net als in de eerdere delen komt Amsterdam voorbij, als bizar decor. Ook vinden we de levende standbeelden terug, die ieder op zich een vervreemdend universum vertegenwoordigen. Realistischer hoofdstukken worden afgewisseld met onirische, surrealistische delen die je doen denken aan de écriture automatique van André Breton of de tijdens psychosen geschreven poëtische teksten van Gérard de Nerval.

Een van de eerste hoofdstukken van het boek draait om de moeder van de verteller, die in de jaren van ‘kameraad Nicolae Ceauşescu’ de grootst mogelijke moeite heeft thuis iets eetbaars op tafel te zetten. De moeder is – en dat is dan weer klassiek – zo ongeveer het enige altijd  liefdevolle en zachte element in Cartarescu’s boek, dat voor het overige keiharde, gewelddadige en smerigepassages kent. ‘In het middelpunt van de wereld stond een huis. In het middelpunt van het huis bevond zich een moeder. In het middelpunt van zijn moeder had hij gestaan, en de herinnering aan die gelukkige maanden trok hem nog altijd daarheen, met de kracht van een miljoen zachte en elastische armen’.

Het uitbreken van de revolutie in Timisoara, en het verloop ervan wordt veelal via televisiebeelden gevolgd, al is de verteller het ‘niet gewend naar dat aquarium te kijken, want mijn huid is de grens van mijn wereld en niemand heeft me iets nieuws te vertellen’. In onnavolgbare taal wordt verteld hoe, naar verluid, veertigduizend mensen omkomen bij de protesten die uiteindelijk ‘ome Ceaşă’, de ‘mens-god’, tot aftreden dwingen. De demonstranten zijn bang voor het geweld waarvan ze weten dat het ongenadig zal zijn, verklikkers vermommen zich om ongezien hun rapporten te kunnen schrijven, velen aarzelen of ze al dan niet de straat op zullen gaan, degenen die opgepakt worden zijn doodsbang voor de martelingen die zullen volgen. De hele Roemeense revolutie passeert zo de revue, al blijft het maar een onderdeel van de gigantische metafoor die dit boek wil zijn voor de chaos waarin we leven en voor de wereld in al zijn excessen.

Maar wie is die verteller eigenlijk,  die dit alles observeert en wiens organen we van binnen en van buiten voorgeschoteld krijgen? Ook daarvan zijn er meerdere in dit doolhof van krankzinnige verhalen. Is het de jongen over wie gezegd wordt dat hij ‘niet helemaal spoort’? Is het de ik uit zinnen als ‘Ik ben mijn gezicht, het gezicht van een spin en van een aartsengel, van een mijt en van wind en bliksem en aardbeving’? Die ik duikt voortdurend diep in zijn eigen lichaam en ziet ‘met zijn paralelle oogbollen, zoals blinden hebben, zijn gezichtsveld, zijn gezichtsvermogen, beleeft gelukkig en meditatief de pure, heldere, tot in het oneindige uitgerekte inwendigheid van zijn geest’. Die verteller reflecteert ook over zijn project, het ‘onleesbare boek’, ontstaan uit al die dromen en visioenen die hij heeft. Hij droomt van ‘de roman die het heelal zou vervangen’ en creëert al hallucinerend zijn eigen versie. Hij probeert zich verhalen te herinneren ‘die hem die nacht met zuivere heroïne hadden geïnjecteerd’. Hij zit te schrijven ‘in de voorkamer van de woning aan de Ştefan cel Mare’ en draagt ‘in zijn schedel een verfomfaaid manuscript dat erin is gepropt, beschreven met biljoenen grijze letters’. Hij worstelt ermee, begrijpt niet wat er staat, ‘de fundering van deze waanzinnige toren van Babel is vergeeld en verweerd’. Papierschorpioenen en oorwurmen komen tussen de vellen tevoorschijn, ze verpulveren alles, en de schrijver weet niet meer ‘wanneer hij leeft en wanneer hij schrijft’, ‘zijn schrijven braakte en ejaculeerde, verteerde en nam waar, zieltoogde en scheidde gal af, peinsde en poepte, want hij schreef zoals anderen leefden’.

Schrijven is leven – zelden slaagde een auteur erin die twee-eenheid zo indringend te beschrijven. De worsteling van de schrijver, zijn flippende geest en het groeiende manuscript krijgen Proustiaans, onder onze ogen, vorm. ‘Herkenbare voorwerpen en onherkenbare verbanden samen te voegen tot een geheel dat kon vliegen’ – het is krankzinnig, niet te vatten, bloedirritant, afschrikwekkend en adembenemend. Als je dat geconcludeerd hebt mag je het juist daarom, ook volgens Tim Parks, na een tijdje gerust terzijde leggen.

Zeewee van Marie Darrieussecq

Wat een prachtig vormgegeven boeken maakt Studio 3005. Onlangs kreeg ik Zeewee, van de Franse schrijfster Marie Darrieussecq onder ogen, in een vertaling van Mirjam de Veth. Het is een voor Darrieussecqs doen dun boekje uit 1999, dat toen als ik me niet vergis met de traditionele witte, verticale-ribbel-boekomslag van de Franse uitgeverij P.O.L. verscheen. Nu, in de mintgroene versie van deze uitgever en vormgever, komt het opnieuw tot leven. De titel is mooi gevonden (Le mal de mer wordt Zeewee) en de kleur en vormgeving van de cover sluiten er prachtig bij aan. Er komen nog meer titels, schrijft de uitgever, van Marguerite Duras, Boris Vian en Christian Oster. Ik kijk ernaar uit.

http://www.studio3005.nl/uitgeverij/?foto_id=1

Une enfance van Philippe Claudel

De nieuwe film van de schrijver en cineast Philippe Claudel bevat een scène waarin de hoofdpersoon van de film, een jongen van een jaar of twaalf, in het hoge gras ligt. Hij ziet hoe een wesp op een schitterende vlinder landt en zich opmaakt om hem een doodssteek te geven. De jongen pakt de wesp met zijn blote vingers, de bevrijde vlinder vliegt op, de immens blauwe hemel tegemoet.

Het is een beeld dat exemplarisch is voor de film Une enfance, die net in Frankrijk en ook in Nederland in première is gegaan. Een jeugd – ja, en wat voor een. De jeugd van wie opgroeit bij zijn werkeloze, verslaafde moeder en haar steeds wisselende mannen, al even werkeloos en al even verslaafd. Er wordt gescholden op het vaderland, op buitenlanders, op wie wel werk heeft kunnen vinden. Er wordt gevlucht in feesten van drank, drugs en orgieën. De twaalfjarige jongen die we volgen ziet het aan, met bewonderendswaardige zelfbeheersing. Hij zorgt voor zijn halfbroertje, zet de wekker zodat ze op tijd op school komen, doet boodschappen en maakt eten klaar. Hij koestert een wit katje, wordt verliefd op een onbereikbaar meisje. In een wereld van chaos, geweld en ontsporing is hij de enige met verantwoordelijkheidsgevoel, de twaalfjarige is de wijste.

Je bekijkt de film met een knoop in je maag, het is allemaal wel erg onrechtvaardig, wel erg zwaar. Zo’n enfance – hoe kom je daar uit vandaan, wat doet het met je. Her en der is de film wat over the top, ja, ik begrijp wat je wilt zeggen, denk je dan, het is genoeg. Maar de beelden zijn prachtig, de dialogen sterk en gelukkig is het einde niet zo zwartgallig als je lang verwacht. De vlinder wordt bevrijd, er gloort hoop, ondanks alles.

http://www.premiere.fr/film/Une-Enfance-3943862