Schrijven in cirkels: een interview met Cees Nooteboom

Op 2 september kreeg Cees Nooteboom een eredoctoraat van het University College Londen (UCL). In zijn dankwoord vertelde hij dat hij in 1954 een opschrijfboekje kocht en begon te schrijven. Meer was het niet, zei hij. Naar eigen zeggen was hij ‘een moeilijk kind’, hij verliet het huis op zijn zeventiende, werkte korte tijd bij een bank en ging daarna liften in Frankrijk, in Spanje en elders in Europa. Geen betere manier om overtuigd Europeaan te worden dan onderweg zijn met Duitsers, Fransen, Engelsen, Zweden, Polen en anderen, hield hij zijn duizendkoppig gehoor voor. Allemaal net afgestudeerden aan het University College Londen, met hun vrienden en ouders. Toen hij zijn vriend Rüdiger Safranski eens vroeg wanneer hij in ’s hemelsnaam al zijn biografieën had geschreven (Goethe, Schiller), antwoordde die hem dat dat was ‘in de tijd dat Nooteboom de wereld las’. Nooteboom dankte zijn vertalers, zonder wie zijn werk niet zo breed gelezen had kunnen worden als nu het geval is. Nooteboom wilde op zo’n feestelijke dag als de ‘graduation ceremony’ geen politieke uitspraken doen, zei hij, maar één ding moest hem van het hart: ‘als het UK echt uit de EU stapt, en u dus ook mij verlaat, staat er hier een werkelijk verdrietige kersverse doctor voor u’. Het applaus hield minutenlang aan.

Onlangs sprak ik Cees Nooteboom over zijn recente boek Venetië. De leeuw, de stad en het water.

U vindt het op de website van De Nederlandse Boekengids:

https://www.nederlandseboekengids.com/20190903-margot-dijkgraaf/

 

 

 

Studio Créole

Een laboratorium van wereldliteratuur, een mozaïek van talen en vertalingen, een auditief technisch hoogstandje, zeven wereldberoemde schrijvers en twee Nederlandse topkunstenaars – Studio Créole, een productie van het Manchester International Festival, is uniek en volstrekt vernieuwend. Is het een toneelstuk, een performance, audio-art, een taallab, een live vertaalhappening? Het is dat allemaal en bovendien nog een politiek statement van jewelste.

Rem Koolhaas tekent voor het design van de zaal: het publiek zit op twee naar elkaar toegekeerde steil oplopende halve manen, met in het midden een ronde tafel, zeven eilanden voor de schrijvers en hun tolk, tussen het publiek. Iedere bezoeker van deze literaire archipel heeft een koptelefoon. Je moet hem niet ín je oor plaatsen, maar in het kuiltje net ervoor – een idee van Koolhaas. Zo blijft je oor vrij om naar nog een andere stem te luisteren.

Zeven keer horen we zo een voor de gelegenheid geschreven kort verhaal: de Chileense schrijver Alejandro Zambra ontmoet een vrouw bij het graf van Emily Dickenson in Amherst, Massachusetts. In onze koptelefoon horen we de stem van Zambra in het Chileens-Spaans, en ook, zachter, die van zijn tolk, in het Engels, tegelijkertijd luisteren we naar de Engelse actrice die de tekst performt. De IJslandse schrijver Sjón maakt een busreis in het hoge noorden en vindt een dierentuin met één dier, Dubravka Ugresic verdwijnt in de werkzaamheden aan de stoep voor haar huis in Amsterdam.

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/07/15/een-taal-is-niet-genoeg-voor-een-mens-van-deze-tijd-a3967153

Maryse Condé – nog altijd een rebel

Toen ze vorig jaar te horen kreeg dat haar de ‘alternatieve Nobelprijs’ was toegekend, vertelde Maryse Condé dat een collega van haar moeder, een onderwijzeres, haar voor haar tiende verjaardag een boek cadeau deed. Omdat Maryse Balzac, Flaubert, Maupassant, Apollinaire en veel andere Franstalige schrijvers al had gelezen, kreeg ze Wuthering Heightsvan Emily Brontë in een Franse vertaling. Ze begon erin, las de hele nacht door en rende de volgende ochtend naar de goede gever om haar te bedanken. Ze wilde ook een groot schrijver worden, riep ze enthousiast. ‘Waar heb je het over?’, was het antwoord van haar moeders vriendin, ‘mensen zoals wij schrijven niet’. Bij ieder boek dat Condé zou schrijven – haar enorme oeuvre omvat romans, essays, toneelstukken en kinderboeken – moest ze aan die uitspraak denken, werd ze onzeker en dacht ze dat het haar nooit zou lukken.

Mensen zoals wij – wat moest ze daaronder verstaan? Mensen geboren op Guadeloupe, een arm eiland in de Caribische Zee? Mensen met een zwarte huidskleur, vrouwen uit een bescheiden milieu, ondergeschikt aan de man? Inwoners van een Frans overzees departement, die op school les kregen in het Frans, maar thuis Creools spraken?

 

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/07/04/nog-altijd-en-overal-een-rebel-a3966103

Over Broer van Mahir Guven

Ik heb nu pas echt begrepen hoe exil voelt, wat het is, wat het met je doet, schrijft Mahir Guven in een recent autobiografisch kort verhaal: het draait allemaal om de onzichtbare barrières van de taal. Nog geen jaar geleden verliet Guven Parijs, hij had een prijs voor zijn debuutroman op zak, zegde zijn baan bij een prestigieus tijdschrift op en volgde zijn vrouw naar Hamburg. Hij begrijpt niets van de taal in dat nieuwe land, met al die woorden op ‘ach, unft en schaft’, laat staan dat hij een gesprek met iemand kan voeren of de omgangscodes begrijpt. Zo moet zijn moeder zich hebben gevoeld, realiseert hij zich nu, decennia nadat zij haar geboorteland Turkije ontvluchtte en in Frankrijk ging wonen. Guven, zoon van een Turkse moeder en een Koerdische vader, werd in 1986 in Frankrijk geboren, als stateloze vluchteling.

Zijn roman Broer, die in 14 talen zal verschijnen, draait om exil en de tot mislukken gedoemde zoektocht naar het gevoel ergens thuis te zijn – met alle gevaarlijke ontsporingen van dien. In zijn met de Prix Goncourt du premier roman bekroonde boek worstelen drie mannen, een vader en zijn twee zonen, met elkaar en met het leven. Ze botsen, knokken, schelden elkaar uit, begrijpen niets van de ander. Vader is een Syrisch-Koerdische immigrant, weduwnaar van een Française. Frans wil hij zijn, en communist. Hij werkt als taxichauffeur in Parijs en hoopt maar één ding: dat zijn zoons zijn licentie overnemen en een fatsoenlijk leven zullen leiden. Lees verder op

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/05/30/hier-in-frankrijk-waren-we-stront-a3962088

 

Wat Jean Monnet, vader van Europa, leerde van Cognac

,,Je leert het leven niet in boeken, ga jij maar cognac verkopen in Engeland.” Met deze woorden stuurde Jean Gabriel Monnet in 1904 zijn zestienjarige zoon Jean naar Londen, vertelt Michel Adam, voorzitter van het Europees Studiecentrum Jean Monnet, in een café in Cognac. Zoon Jean is dan net gestopt met zijn studie rechten aan de universiteit van Bordeaux. Zo begint de internationale carrière van de man die de ‘vader van Europa’ zou worden, de grondlegger van de EU. Al snel verhandelt de jonge Jean wereldwijd de cognac van zijn vader, de cognac Monnet & Cie. Maar hij wil meer. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog benadert hij de Franse regering: hij stelt voor de bevoorrading vanuit Engeland efficiënter maken, wordt economisch intermediair tussen Frankrijk en zijn bondgenoten en veel later plaatsvervangend secretaris-generaal bij de Volkenbond.

Zakenman, bankier, onafhankelijk adviseur van overheden – als autodidact en zonder ooit een hoge politieke of regeringsfunctie te hebben bekleed, beïnvloedt Jean Monnet de vrede in Europa. ,,Het was een man die hield van actie”, zegt Adam, ,,een pragmaticus ook. Over zichzelf zei Monnet dat hij er niet naar streefde iemand te zíjn, maar dat hij iets wilde doén. Monnet had een manier van denken die erop gericht was mensen met elkaar te verbinden in plaats van ze tegen elkaar uit te spelen. Dat was ook zijn houding tegenover de politiek.”

Al meteen aan het begin van de Tweede Wereldoorlog is Monnet ervan overtuigd dat alleen de meest intense vorm van samenwerking tot de overwinning kan leiden. In zijn Mémoires schrijft hij: ‘er is een dramatische verklaring van solidariteit nodig, gedurende de oorlog moeten de regeringen fuseren in één kabinet, ook de twee parlementen moeten versmelten tot één.’

Vrij onbekend is dat het hem bijna lukte: met zijn enorme overtuigingskracht slaagde hij erin Churchill en De Gaulle ertoe te bewegen een complete staatkundige unie te vormen tussen het VK en Frankrijk – volgens hem de enige manier om het nazisme effectief te bestrijden. Het plan mislukte op het laatste moment omdat de regerende Franse premier moest aftreden en plaats moest maken voor maarschalk Pétain.

Niets voorspelde de internationale carrière van Jean Monnet. Hij werd in 1888 geboren in een bescheiden hoekpand in het centrum van de kleine stad Cognac. Zijn vader runde de firma Monnet & Cie en was ook voorzitter van de Société des propriétaires viticoles. Het voormalige, enorme complex waar de cognac Monnet werd gefabriceerd – aan de zuidkant kwamen de druiventrossen binnen, om er jaren later aan de noordkant in flessen uit te komen – is onlangs verbouwd tot luxehotel. In het statige, vrijstaande pand waar Gabriel Monnet vroeger de belangen van de cognacmakers behartigde, en waar de familie later ging wonen, worden tegenwoordig exposities georganiseerd en feesten gegeven.

De kwaliteiten van de charentais, zoals de inwoners van de regio rond Cognac worden genoemd, hebben Monnet geen windeieren gelegd, denkt Adam. Ze hebben de reputatie nogal op zichzelf te zijn, staan bekend als gesloten, voorzichtig en ze hebben een lange adem. Dat heeft zo zijn voordelen. Adam:,,de wijnboeren in de Cognacstreek hebben die godendrank uitgevonden dankzij het proces van dubbele destillatie. Als je de wijn uit onze regio destilleert stinkt dat niet, zoals overal elders wel het geval is. Die ‘alcool blanc’ laten we ouder worden in fusten van eikenhout dat afkomstig is uit de Limousin. Het hout van de groene eik geeft er zijn specifieke tannine aan. Zoals de legende vertelt, verschuilt de salamander zich in takkenbossen van de groene eik, als je die in het vuur gooit, springt hij er als een duiveltje uit. De salamander is dan ook het embleem van het huis Monnet. Als je die witte alcohol maar lang genoeg laat rijpen, wordt het op den duur cognac. Maar dat kost tijd! Met andere woorden: je moet de tijd nemen om iets goeds tot stand te brengen.”

Er is nog iets anders wat Monnet van de cognac heeft geleerd, vertelt Adam, ,,als het vat vol is en die uitzonderlijke drank is in wording, dan verdampt 10 tot 15 procent ervan. Dat noem je ‘la part de l’ange’, het deel van de engel. Dat is het tweede geheim van Cognac: je moet een beetje prijsgeven om later te kunnen winnen.

Expositie: Literaire omzwervingen – Parijs en Amsterdam

Literaire omzwervingen door Parijs en Amsterdam

BEELD BART KOETSIER

Voor hun project Errances littéraires – Paris et Amsterdamhebben fotograaf Bart Koetsier en literatuurcriticus Margot Dijkgraaf literaire wandelingen door Parijs en Amsterdam verbeeld, vrij associërend op romans en gedichten van Nederlandse en Franse auteurs als Anna Enquist, Michel Houellebecq en Remco Campert. Deze foto is geschoten in de Rue de Ménilmontant, die Campert in zijn gedicht Denkend aan Jacques Prévert en Joseph Kosma heeft omschreven als een straat ‘vol afbraak en gaten’.

De foto’s worden t/m 20 mei geëxposeerd in Maison de la Poésie in Parijs, en zullen terugkeren in een boek met tien literaire omzwervingen. De foto-expositie is onderdeel van het literatuurfestival Café Amsterdam (14 t/m 16 mei), een initiatief van het Nederlands Letterenfonds en de Nederlandse ambassade in Parijs, met optredens van Nederlandse en Franse schrijvers en musici.

Over het Ierse dagboek van Benoîte Groult

Op 3 augustus 1982 vangt Benoîte Groult in haar Ierse baai, dankzij haar rubberboot en spiegelnet, twee koolvissen van 1,5 kilo, een zeepaling van 2 kilo en twee lipvissen van 1,7 kilo. Ze snijdt ze in stukken, pekelt een deel en maakt van de rest vissoep. Een paar dagen daarna vangt ze grote zwemkrabben en vindt ze alikruiken, weer later zijn het platvissen, schollen, oesters, mosselen, tapijtschelpen, zee-egels en bleekgroene steurgarnalen. Samen met haar man Paul eet ze alles smakelijk op, met een glas wodka bij het turfvuur. Weer of geen weer, Groult zit aan het roer van haar boot en zet, tussen de riffen, haar garnalen- en kreeftenkorven uit. Of ze trekt haar waadlaarzen aan op zoek naar schelpdieren tussen de rotsen. Vaak komt ze aan het eind van de ochtend doorweekt en onderkoeld, maar tevreden thuis.

Het was vaste prik: vanaf 1977 brachten Benoîte Groult (1920-2016) en haar man Paul Guimard elke zomer door in Castlecove, Ierland, waar ze een huis hadden laten bouwen. Ook daar hield Frankrijks beroemde schrijfster en feministe een dagboek bij, een verplicht ritueel dat haar ooit door haar moeder werd opgelegd. Groults dag- en visserijlogboek van die 26 zomers zijn nu door haar dochter Blandine samengebracht tot Iers dagboek.

In 1977 verkent het echtpaar per kampeerauto de Ierse kust, op zoek naar ‘adembenemende schoonheid’. Een groot deel van het jaar wonen ze in Parijs, maar ze hebben ook een huis in het ZuidFranse Hyères, en eentje in Doëlan in Normandië. Moeten ze nu nog beginnen aan een huis in Ierland? Is het ‘waanzin, een vierde huis, op onze leeftijd’?

Twee mannen

Geenszins! Benoîte Groult heeft energie te over. Ze plant hortensia’s, vaart iedere dag uit om te vissen, schrijft aan een volgend boek, repareert de watertank en de noodpomp, doet boodschappen, maakt lunch en diner, poetst en boent in huis. Haar goede humeur lijdt niet onder de voortdurende Ierse ‘drizzle’, ze geniet van iedere ‘opklaring van dertig seconden’ en een enkele ‘oogverblindende dageraad’ doet haar dagen van storm, buien en grauwheid vergeten. François Mitterrand komt langs, evenals oud-policitus Robert en diens vrouw en schrijfster Elisabeth Badinter, haar zus Flora en haar man, haar buren, bevriende uitgevers en natuurlijk haar drie dochters met hun aanhang.

En passant lezen we over Groults leven tussen twee mannen; over haar huwelijk met de schrijver Paul Guimard, diens vroegere overspelige relatie en haar verdriet daarover. Inmiddels heeft Groult zelf al decennia een minnaar, een Amerikaanse ex-piloot die nog steeds ‘stapelverliefd’ op haar is. Hij stond model voor een van de personages uit haar bestseller Zout op mijn huid (1988) en is dus ‘een levend stuk auteursrecht’.

Lees verder op

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/05/03/een-suffe-oude-dag-dat-nooit-a3958983

Illustratrice Jacqueline Duhême – een leven als een roman

Op haar achttiende was ze het hulpje van Henri Matisse. Op haar negentiende ontmoette ze de dichter Paul Éluard: liefde op het eerste gezicht. Hij introduceerde haar bij Man Ray die haar portretteerde. Vlak daarna ontmoette ze de dichter en schrijver Jacques Prévert die haar opnam in zijn gezin. Ze ging om met Picasso, Colette, Chagall, met Louis Aragon en Elsa Triolet. Twintig jaar werkte ze voor het tijdschrift Elle: ze tekende reportages en stond mede aan de wieg van het avonturenstripverhaal. Ze schetste het bezoek dat Jacqueline en John F. Kennedy eind jaren vijftig aan Europa brachten, raakte met het presidentiële echtpaar bevriend en vergezelde hen op hun reis naar India en Pakistan. Ze begeleidde Charles de Gaulle door Zuid-Amerika en tekende wat ze zag. Ging paus Paulus VI voor het eerst naar het Heilige Land? Duhême ging mee. Ze illustreerde Monsieur Ouiplala, de Franse vertaling van Wiplala van Annie M. G. Schmidt. Op reportage in Nederland in de jaren tachtig trof ons land haar als een klein, lieflijk land, ‘une petite kermesse’.

Hond (Chien), illustratie van Duhême (65x46cm) Jacqueline Duheme

De lessen van Matisse

Nu heeft Jacqueline Duhême (91), Frankrijks beroemdste illustratrice van kinderboeken, een overzichtstentoonstelling in de Bibliothèque Forney in Parijs. Tekeningen, boekcovers, wandtapijten, door haar ooit aan vrienden verzonden enveloppen met schetsen van haar hand. Foto’s. Ook die beroemde foto waarop ze, balancerend op een wiebelende houten trap in het atelier van Henri Matisse, door hem uitgeknipte figuren hoog op de muur prikt. Op haar achttiende werd ze assistent van de schilder. Alles heeft ze van hem geleerd, vertelt ze in haar huidige atelier in Parijs. Discipline, doorzettingsvermogen, het vermogen streng te zijn voor jezelf. Maar ook hoe je de verf aanbrengt, hoe je je kwasten moet verzorgen, hoe je een heldere kleur blauw maakt. „Altijd blijven kijken met de ogen van een kind!”, leerde Matisse haar.

Weeskind uit Grieks klooster

Niets voorspelt Duhêmes internationale carrière. Haar vader, een Griekse student, verdwijnt na de conceptie, haar moeder laat haar als klein meisje in een Grieks klooster achter, nonnen brengen haar terug naar Frankrijk. Ze gaat van weeshuis naar opvangcentrum, krijgt onderwijs in kloosters en gaat, vanwege haar tekentalent, een blauwe maandag naar de kunstacademie. In de vakantie hoedt ze koeien op het platteland, om in haar onderhoud te voorzien werkt ze in de fabriek. Ze wordt lid van de communistische vakbond, die literaire avonden organiseert.

Lees verder op

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/04/29/van-matisse-tot-monsieur-ouiplala-jacqueline-duhemes-rijke-leven-in-de-kunst-a3958498

De mens als machine – Frédéric Beigbeder en Philippe Claudel

‘Ik heb mijn vrouw op internet gezet’, zegt de verteller van het korte verhaal ‘E-commerce’, ‘je moet een plekje vinden voor degenen van wie je houdt. Waarom dan niet daar.’ Honderden naaktfoto’s maakte hij van haar, nu staat zijn vrouw te koop, ‘ter beschikking van meer dan zes miljard mensen die een paar seconden geleden niet eens wisten dat ze bestond’. ‘De wereld is tegenwoordig oneindig klein’, constateert hij, ‘dwergachtig. Instant. De planeet is onmiddellijk. Die kan zich in een fractie van een seconde in mijn computer nestelen.’

In een ander verhaal uit de bundel Onmenselijk meldt de verteller dat zijn vrouw een paar dagen geleden is gestorven. ‘Zonder enige aankondiging. Ondankbaar.’ Hij heeft haar direct vervangen, en ‘dezelfde’ genomen. Waarom zou hij veranderen? Hij houdt niet van verandering, en ‘ze wordt nog geproduceerd’. In het verhaal ‘Transhumanisme’ huilt een man; hij constateert dat zijn geslachtsdeel aan het verdwijnen is. Waar zijn lid had moeten zitten is ‘het vlees plat’ geworden. Een paar dagen later ‘gaat ook de vagina van zijn vrouw dicht’. Opnieuw huilt hij. Wat er overblijft is ‘alleen leegte’.

Absurd zijn deze verhalen, grotesk, pervers, apert onsmakelijk en vol inktzwarte humor. Wie het werk van Philippe Claudel (1962), de schrijver van onder andere Grijze zielen en Het kleine meisje van meneer Linh kent, kan bijna niet geloven dat ze uit dezelfde pen komen. Claudel laat hier een volstrekt ander gezicht zien, hij toont zich satiricus, woest en venijnig, cynisch en op oorlogspad. Intens ongerust is hij over de manier waarop de mens moreel ontspoort, zich overlevert aan razendsnelle technologische ontwikkelingen en dat alles bovendien – een gotspe – voor zoete koek aanneemt als vooruitgang.

Claudel is niet de enige die met angst en beven de uitwassen van onze kapitalistische wereld bekijkt, de macht van de algoritmes aan de orde stelt, en zich buigt over de toekomst van de mens. De mens die steeds meer dreigt te veranderen in een emotieloze machine. Onmenselijk is dan ook de titel van zijn recente verhalenbundel. De mens is verworden tot consument, hij is amoreel, onverzadigbaar, en levert zich – hoe naïef – uit aan onzichtbare systemen die zich meester maken van zijn lichaam, zijn privéleven en zijn data. Hij wordt een speelbal van multinationals die er alleen maar zelf beter van worden.

Ook Frédéric Beigbeder, Frans schrijver, journalist, dandy en tv-persoonlijkheid, buigt zich in zijn nieuwe boek Een leven zonder einde over de toekomst van de mens. Over diens mogelijke onsterfelijkheid om precies te zijn. ‘Het verschil tussen fictie en realiteit is dat fictie geloofwaardig dient te zijn’, citeert hij Mark Twain. Maar wat als de realiteit niet langer geloofwaardig is?

Lees verder op

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/04/25/een-kostenplaatje-van-je-onsterfelijkheid-a3958153

 

Houellebecq op Le Boekenbal

Het was de week van Houellebecq in Amsterdam. Niemand liet zich onbetuigd, iedereen was verguld: die had met hem gegeten, de volgende een biertje met hem gedronken, een derde vond dat hij zo goed observeerde, een vierde merkte op dat hij alles opzoog en zelf zo weinig zei. Jubel en lof alom, zijn Nederlandse lezers lagen aan zijn voeten – dat hij Nederlandse vrouwen op hun rondborstigheid beoortdeelt en het hele land neerzet als een bedrijf, het was vergeten en vergeven. Het moet een heerlijk bezoek zijn geweest voor de schrijver die in eigen land, zoals het een profeet betaamt, meestal wordt verguisd.

Ook ik werd gebeld door uitgeverij De Arbeiderpers en uitgenodigd voor een etentje bij de uitgever thuis, ter ere van een mystery guest die het boekenbal bezoeken. Maar ik zat in de trein van Parijs naar Grenoble, voor een optreden op het literaire festival Printemps du Livre. Vrijdagavond zag ik op instagram de eerste plaatjes: Michel Houellebecq in smoking, met aan zijn zijde zijn kersverse Japanse echtgenote. Op alle foto’s die ik later, vanuit het boekenbal in de stadsschouwburg, langs zag komen frunnikte ze liefdevol aan zijn vlinderdas. De meest mysogiene Franse schrijver als eregast bij ‘De moeder, de vrouw’. De auteur die in Nederland en Duitsland zo ongelofelijk succesvol is, terwijl de meeste Fransen bij zijn naam een grimas trekken.

Ik moest denken aan de eerste keer dat ik Houellebecq sprak, in 1999, over Les particules élémentaires, in een smal café in Parijs, tegenover zijn uitgeverij. Zijn eerste vrouw Marie-Pierre en hij waren net uit Ierland aangekomen, hij zette de koffers naast zich op de banquette, hoog op elkaar, dirigeerde zijn vrouw naar een plek achter mij. Om de zoveel tijd vroeg hij haar om een sigaret, of een volgend glas witte wijn. Een paar jaar later, toen de Fransman in Amsterdam was met zijn band, en twee uur te laat en  in zekere staat op onze afspraak kwam, plofte hij op zijn grote tweepersoonsbed, hield zijn parka aan, wees de bandleden hun plek rond zijn troon en bestelde bij zijn vrouw een aantal sterke espresso’s. Mij dirigeerde hij naast hem op het bed, haar heb ik een uur zien staan, met een zelf meegenomen espressoapparaat op haar handpalmen, lange benen gestoken in zwarte netkousen, wiebelend op zwarte pumps.

Op het festival in Grenoble vertel ik over het fenomeen Boekenweek, het boekenweekgeschenk, het gratis reizen met de trein. En over de mystery guest op Le Boekenbal. De beroemdste Franse schrijver in Europa was er, zeg ik. Hij was op Le Boekenbal! Het duurt even voor ze zich realiseren dat het niet een van de twee recente Franse Nobelprijswinnaars is. Houellebecq?! Er ontstaat rumoer in de zaal, ik hoor boe-geroep – c’est pas vrai!

Noot:

Mijn recensie van Serotonine verscheen op 3 januari, de dag waarop in Frankrijk het boek werd gepubliceerd, in NRC:
https://www.nrc.nl/nieuws/2019/01/03/niemand-zal-nog-gelukkig-zijn-a3127799
Ook mijn interviews met Houellebecq verschenen in NRC.