La maison de Colette in Saint-Sauveur-en-Puisaye

Spartaans – die indruk maakt het kamertje waarin de Franse schrijfster Colette de eerste jaren van haar leven sliep. Het ligt pal boven de poort van de straat naar de binnenplaats. Het is er donker – er is maar één klein raam – , er staat een bed, een lampetkan, een kandelaar, een stoel. Er is maar één uitgang: via de slaapkamer van haar moeder.

Sinds drie jaar is het Maison de Colette in Saint-Sauveur-en-Puisaye, de geboorteplaats van de beroemde schrijfster, gerenoveerd en kun je een paar keer per dag met een rondleiding mee. Dan zie je het paradijs van haar jeugd. Een eldorado, als je haar romans moet geloven, waar een man en een vrouw dertig jaar samenwoonden zonder ooit hun stem te verheffen. Een walhalla waar een moeder met groene vingers in de tuin werkte, kersen plukte, boeketjes schikte en rustieke barometers maakte van de voelsprieten van haverkorrels.

De rondleiding voert dan ook eerst door de tuin, waarover Colette zo vaak schreef. Hij is nog steeds prachtig: paarse en witte klokjes, perken azalea’s, lavendel, hoge dennen, een kruidentuin, een oude wingerd – alles zoveel mogelijk aangelegd in de staat van toen.

De vensterbank van de keuken – een houten tafel, veel koperen potten en pannen – bevindt zich bijna op dezelfde hoogte als de tuin, waardoor je van daaruit direct zicht op de bloementuin hebt. Aan de andere kant van de keuken kom je via de gang in de eetkamer. Die is relatief klein, maar duidelijk met een goed gevulde beurs ingericht. Zware gordijnen, dure porseleinen borden versierd met kleine groene blaadjes, kristallen glazen, zilveren couverts, damast op tafel – toen Sido, de moeder van Colette, met haar rijke, maar o zo lelijke grootgrondbezitter trouwde, heeft ze het beste en modernste uit Parijs laten komen. In de zitkamer staat de bladmuziek op de piano, een rieten zonnehoedje ligt naast de vaas met vers geplukte oleandertakken, een dominospel half afgemaakt, alsof de spelers net even naar buiten zijn.

Als we Colette moeten geloven zong haar vader, de éénbenige kapitein, hier romantische liedjes om uiting te geven aan de eeuwige liefde voor zijn vrouw. Het zijn idyllische tafereeltjes – te idyllisch om waar te zijn.

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/10/31/idyllische-tafereeltjes-te-idyllisch-om-waar-te-zijn-a3978568

Nicolas Mathieu over zijn prix Goncourt

Hij heeft iets onverzettelijks, zijn lach is gul, maar zijn ogen lachen niet altijd mee. In een van de oude salons van uitgeverij Actes Sud in Parijs – hoge plafonds, spiegels met vergulde rand – spreek ik Nicolas Mathieu (1978), die vorig jaar de Prix Goncourt kreeg voor Leurs enfants après eux, in het Nederlands vertaald als De uitzichtlozen. Het boek is een vuistdikke coming of age-roman over jongeren die in de jaren negentig opgroeien in het imaginaire stadje Heillange, in het noordoosten van Frankrijk. De staalindustrie is opgedoekt, ieders leven is veranderd. De schrijver, geboren in de Vogezen, heeft het aan den lijve ervaren.

Uw werk vertelt me dat er een grote woede in u zit.

„Ja, dat klopt, die is existentieel en sociaal. Die woede is mijn brandstof. Enerzijds is hij existentieel: wat doet de tijd met ons, wat komt er terecht van dromen uit je kindertijd? Anderzijds is hij sociaal: onze wereld is er een van leugens, een mystificatie, die altijd een flatterend beeld geeft van zichzelf. Maar daarachter bevindt zich een onacceptabele werkelijkheid.

„Ik voel me erg ongeschikt voor de wereld zoals hij is, en in de literatuur reken ik daarmee af. Schrijven is een vechtsport. Ik ben niet de eerste die dat zegt. Schrijvers als Céline, Thomas Bernhard en Annie Ernaux deden dat ook. Voor mij is literatuur geen amusement. Dan laat je de dingen zoals ze zijn. Veel dingen doen me pijn, sociale vernederingen zijn open wonden. Zelfs nu, na het succes van mijn boek, worden die opnieuw opengereten.”

Waar komt die woede vandaan?

„Zonder twijfel komt die voort uit mijn rooms-katholieke jeugd. Het christelijk onderwijs schotelde mij een beeld van de wereld voor zoals die zou moeten zijn. De enorme kloof tussen dat ideaal en de wereld zoals hij is, roept een enorme woede bij mij op. Ik werd me daarvan bewust toen ik werk van Pasolini las, van George Bernanos, die een grote woede paren aan een diep idealisme. Iemand als Bernanos had een groot moreel kompas, waarmee hij oordeelde over de dingen zoals ze zijn. Dat heb ik ook. Mijn idealisme voedt mijn woede, de zoektocht naar luciditeit gaat samen met mijn literaire ontwikkeling.

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/10/24/mijn-existentiele-en-sociale-woede-is-mijn-brandstof-a3977905 Lees meer

Nobelprijs voor Olga Tokarczuk

Olga Tokarczuk is een van de twee laureaten van de Nobelprijs voor Literatuur die vandaag bekend werden gemaakt. Tokarczuk, een bijzondere dame met een dito oeuvre. Als je met haar spreekt, spreekt ze met haar hart, haar ogen, met huid en haar. Jaren geleden ontmoette ik haar voor het eerst, ze was writer in residence in Amsterdam, en verbleef in het appartement boven Athenaeum. Later interviewde ik haar voor mijn boek over Europese literatuur, en kwamen we elkaar nog diverse keren tegen. Toen ik haar vorig jaar sprak, in Parijs, voor NRC, terwijl het pijpenstelen regende, vertelde ze me dat ze nog precies wist wat we tegen elkaar hadden gezegd, op het Spui, in Amsterdam, die eerste keer. Mijn geheugen liet me in de steek, maar het hare niet.

Ze is bevlogen, rusteloos, altijd op reis, altijd in haar hoofd aan het schrijven. Haar eerste werk staat dichtbij het genre van de mythen en legenden, het heeft iets magisch-realistisch. Ze komt uit het hart van Europa, bewondert Kafka boven alles – het gaat om zijn zoektocht naar het absolute, naar transcendentie. Haar eerste werk is niet politiek geëngageerd, dat kwam pas later. Met name in haar laatste vuisdikke boek, De Jacobsboeken, beschrijft ze de Poolse, en indirect de Europese geschiedenis, met een betrokken, geëngageerde blik. Identiteit en de worsteling daarmee zijn vanaf het begin haar thema’s. In 2004 legde ze me uit dat in Polen schrijvers bijzondere mensen zijn, mensen die de toekomst van het land kennen, de lotsbestemming van een individu. In die zin past haar eigen werk naadloos in die toen gegeven definitie. Het is wat ze doet in haar laatste roman. Haar werk ligt in die zin in het verlengde van de door haar bewonderde voorgangers: Milosz, Herbert, Szymborska, Gombrowicz, Schulz. Melancholie is volgens haar hét thema van de Midden-Europese literatuur: ‘afscheid nemen en dat hartstochtelijk missen’. Zelf groeide de schrijfster op in een dorpje in Zuid-Silezië, een streek in het zuidwesten van Polen, waar in de loop der eeuwen om gevochten werd door Tsjechen, Polen, Duitsers en Pruisen. Sinds de Tweede Wereldoorlog behoort de streek tot Polen. Het waren haar grootouders die er zich vestigden. ,,Zij bouwden huizen, probeerden te overleven”, vertelde ze me, ,,mijn ouders hadden te maken met de communistische tijd. Ik behoor tot de eerste generatie die echt vrij was om te schrijven wat zij wilde. Mijn identiteit is drieledig: ik voel me Europees, maar ook innig verbonden met de Poolse taal en cultuur en met mijn kleine Zuid-Silezische vallei. Ik woon op een plek die geen mythologie heeft, die geen sprookjes of legenden kent, waar geen graven zijn uit een ver verleden. Niets van dat alles. Ik kon er alles zelf scheppen – dat is in wezen een heel tragische handeling. Daarover schreef ik Huis van de dag, huis van de nacht. Ik was een groot oor dat luisterde. Ik schiep, ik verzon het verleden en de toekomst van die regio. Een schrijver heeft wortels nodig, grond waar hij thuis hoort.” Het boek is meer dan een biografie, het is een waar fresco: in een veelheid van poëtische, mystieke en religieuze verhalen, vervlochten met het leven van een duizelingwekkend aantal personages, geeft Tokarczuk haar beeldende interpretatie van het 18de-eeuwse Polen.

Landen, identiteiten, niets bij Tokarczuk is in marmer gehouwen. Mensen zijn nomaden, de reis een vorm van leven. Daarover zei Tokarczuk in Parijs:
„In die zin ben ik heel Midden-Europees. In een oude Britse encyclopedie las ik ooit dat Polen een land was dat soms opdook op de kaart, maar nooit twee keer op dezelfde plek. Het was een grapje, maar er zit wel wat in. Mijn grootmoeder was tijdens haar leven een burger van drie verschillende landen, terwijl ze nooit een stap buiten haar dorp heeft gezet. Wij zijn voortdurend in beweging.”
Wat een oeuvre, wat een verdiende prijs.

Lees verder:

https://www.nrc.nl/nieuws/2004/07/30/voorbereiding-op-de-duisternis-7695882-a347150

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/05/23/mijn-personages-worden-in-het-nauw-gedreven-a3961334

Herpakt de Zweedse Academie zich?

Wie krijgt de Nobelprijs voor Literatuur, op donderdag 10 oktober a.s.? In ieder geval zullen er twee namen worden genoemd, een voor vorig jaar én een voor dit jaar. Bij de bookmakers staan Anne Carson en Maryse Condé op nummer 1 en 2. Maar waarom zou de nieuwe commissie kiezen voor de laureaat van de ‘alternatieve Nobelprijs’ van vorig jaar? Wil de Nobelprijs zijn prestige terugkrijgen, dan bekroont ze geen zanger, en geen Scandinavisch auteur, geen twee mannen. Sinds de oprichting kregen, als ik goed tel, 14 vrouwen de prijs, de rest was man.  Wordt het eindelijk Margaret Atwood? Marylinne Robinson? Of Ngugi Wa Thiong’o, de Keniaanse schrijver die ik deze zomer zingend, op hoge leeftijd de trappen van een theater af zag dansen? Wordt het Olga Tokarczuk die ik een half jaar geleden interviewde in Parijs, en die ik ooit voor het eerst ontmoette toen zij een residentie had in Amsterdam? Wordt het de Roemeense auteur Mircea Cartarescu en zijn bizarre universum vol vlinders en andere metaforen? Of toch Cees Nooteboom, voorgedragen door de KNAW en zijn Vlaamse evenknie? Als er iemand uit het Nederlandse taalgebied in aanmerking komt, is hij het wel, met zijn geweldige, veelvormige en veel vertaalde oeuvre.

De vraag is vooral of het Nobelprijscomité zodanig is hervormd dat de geloofwaardigheid weer kan worden opgebouwd. Geloven we nog in de keuzes, in de capaciteiten, in de onafhankelijkheid van deze commissie? De Franse schrijver Olivier Truc analyseert in zijn recente boek L’affaire Nobel (dat ik nog niet heb kunnen lezen en ik citeer de Figaro): hoe heeft het zover kunnen komen, hoe werd #metoo de Franse echtgenoot van een van de vrouwelijke juryleden fataal?  Wat betekent het voor het imago van Zweden? Zeven keer zouden de namen gelekt zijn. Hoe kon het gebeuren dat de Academie in 1974 twee van haar eigen leden bekroonde? En is het voldoende dat er nu 18 leden zijn, waarvan de helft vrouw, maar waarvan er vier nog niet mee mogen stemmen, omdat de Zweedse koning eerst zijn zegen moet geven? In ieder geval is de regel aangepast dat de academieleden niet kunnen aftreden, waardoor ze tot hun dood, graag of niet, in het Nobelcomité zaten. Het afgelopen jaar zag je voor je ogen hoe de soap zich ontvouwde. Laten we hopen dat de Academie zich herpakt – in het belang van de literatuur.

 

 

Het Musée Stendhal in Grenoble

Het kost even moeite hem te vinden, die ene deur in de drukke winkelstraat in het centrum van Grenoble. Maar dan is hij er toch, de poort die toegang geeft tot de negentiende eeuw. Eerst een donkere, bijna morsige binnenplaats, dan statige houten trappen, vervolgens, groot op de muur, de plattegrond van het appartement waar Stendhal woonde, getekend door de grote schrijver zelf.

Hier woonde de wereldberoemde auteur van Le rouge et le noir (Het rood en het zwart) vanaf zijn zevende, nadat zijn moeder was overleden. Hij adoreerde zijn kunstzinnige, getalenteerde moeder, in alles het tegenovergestelde van zijn saaie vader, Chérubin Beyle, advocaat bij het gerechtshof van de Dauphiné. Na haar dood, dé tragedie in zijn leven, trok de hele familie in bij haar vader, een beroemd en geliefd arts in Grenoble, een man van de Verlichting.

Marie-Henri Beyle, zoals Stendhal eigenlijk heette, mocht vrijelijk putten uit zijn grootvaders bibliotheek: hij las Molière, Fénelon, Voltaire, maar ook Horatius, Dante en Cervantes. Het moet een paradijs zijn geweest voor de voorlijke jongen, die extreem beschermd werd opgevoed: tot zijn dertiende mocht hij niet naar buiten. In het gezin was men veel te bang voor ziekten, voor vallen, verdrinken, verkeerde vrienden. Nooit mocht hij praten met een kind van zijn eigen leeftijd, schrijft hij in zijn autobiografie.

Dus zocht hij zijn toevlucht op ‘la treille’, het langwerpige terras, aan de achterkant van het appartement, vanwaar je ruim uitzicht hebt over het stadspark. „Op het terras zat hij te kijken wat zich in het stadspark afspeelde”, zegt Olivier Tomasini, directeur van het Stendhal Museum, „hij was er, en tegelijkertijd was hij er ook niet. Dat heeft hem die observerende blik op de wereld gegeven, die je in zijn werk terugvindt.”

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/09/26/priveles-in-het-rariteitenkabinet-a3974601

De dieven van Albert Cossery

Midden in Caïro ligt de Dodenstad, een immense begraafplaats waar de armen onderdak vinden in mausolea. In dit doolhof woont de journalist en filosoof Karamalla. Hij vindt het er best prettig: geen huisbaas, geen last van mensen die hem met hun ellende lastigvallen, én hij is terug bij zijn familie, maar nu ‘zonder de meningsverschillen en botsingen die altijd ontstaan bij ieder samenzijn van levende wezens’. In zijn artikelen bespot hij ‘de groteske figuren die de macht uitoefenen’, daarom laten die hem vaak opsluiten. De domheid van zo dichtbij mee te maken – hij ervaart het ‘als een wonderbare verrijking van de geest’.

Die onthechte spotzucht en dat oog voor absurdisme maken deze Karamalla tot een alter ego van Albert Cossery, de Egyptische, in het Frans schrijvende auteur van een klein, maar puntgaaf literair oeuvre. Net als zijn personage wijdde Cossery (1913-2008) zich aan het peilen en observeren van egoïsme, hebzucht, onverschilligheid, minachting, vernedering. Ironie is zijn handelsmerk.

In Grote dieven kleine dieven, de laatste roman die hij voltooide, verbaast zijn filosoof zich met tijdloze actualiteit over ‘de lafheid van volkeren en hun onderwerping aan de onbeschaamdheid van onrechtvaardige bestuurders’. Waar komt die aan verering grenzende welwillendheid tegenover tirannen vandaan? Maar ja, wat kun je er, als arme sloeber aan doen? Je kunt je hoogstens vermaken met de ‘stompzinnige en criminele daden’ van politici en de rijken der aarde.

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/10/04/als-arme-sloeber-kun-je-beter-overal-om-lachen-a3975561

De nieuwe Françoise Sagan

Het gonsde deze zomer van de geruchten in de Franse uitgeverij: er zou een boek verschijnen dat nergens was aangekondigd, in een oplage van honderdduizenden exemplaren. Er werd gegokt: een autobiografie van Brigitte Macron? Van Johnny Hallyday? Het bleek een nog niet eerder gepubliceerde roman van Françoise Sagan, die ineens in de winkel lag, op 19 september, precies vijftien jaar na haar dood in 2004.

Het werd niet de mediastorm waarop haar zoon Denis Westhoff gehoopt had. Er werden 80.000 exemplaren gedrukt en er was wat gemor: een onvoltooide roman, waar kwam die ineens vandaan? Uit de enorme juridische en praktische warboel die Westhoff aantrof nadat hij het, drie jaar na de dood van zijn moeder, aangedurfd had de erfenis te accepteren. Het besluit zette zijn leven op zijn kop: de schulden beliepen meer dan een miljoen en uitgevers wilden Sagans werk niet leverbaar houden, zo schreef Westhoff eerder in de biografie Sagan et fils (2012).

In zijn voorwoord bij Les quatre coins du coeur – een mooie Saganiaanse titel – schrijft Westhoff dat hij niet precies meer weet hoe het manuscript in zijn bezit kwam. Hij herinnert zich een dun stapeltje papier, moeilijk leesbaar, met een plastic ringbandje, in twee delen, dat hij uit een enorme hoop dossiers viste. Hij weet ook dat het manuscript door anderen is herschreven en gecorrigeerd omdat het ooit verfilmd zou worden. Hij aarzelde: moest hij het wel laten verschijnen in deze duidelijk onvoltooide staat? Uiteindelijk besloot hij dat de lezers van zijn moeder recht hadden op dit onvolmaakte onderdeeltje van haar oeuvre. Hij nam het oorspronkelijke manuscript, corrigeerde het zoals hij ‘het nodig achtte’ en veranderde niets aan de ‘stijl en de toon’ van de tekst, noch aan ‘de absolute vrijheid, de ongedwongen esprit, de wrange humor en de aan schaamteloosheid grenzende stoutmoedigheid’, kenmerkend voor Sagans oeuvre.

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/09/26/een-echte-sagan-in-wording-a3974740

 

De particuliere geschiedenis van Jonathan Littell

In een recent boek vertelt de Franse schrijfster Lydie Salvayre hoe ze een nacht alleen op een veldbed doorbracht in een tête-à-tête met ‘L’homme qui marche’ (De lopende man), het beroemde beeld van Alberto Giacometti. Een voorrecht! Ze verwachtte een grootse ervaring – ze kon in haar eentje een hele nacht de uitstraling van het beeld tot zich nemen. Het werd een afschrikwekkende mislukking: ze was bang van het beeld, ervoer het als een bedreiging, de ogen, de houding van de man – alles joeg haar vrees aan. Ze had de indruk de nacht door te brengen met de verpersoonlijking van de dood. Geen enkele schoonheid ervoer ze, geen hoop, geen sprankje humor of vreugde.

Wie Een oude geschiedenis van Jonathan Littell (1967) openslaat begint aan een vergelijkbare leeservaring – in duizendvoud. In zeven hoofdstukken sleurt de auteur ons vakkundig door een gruwelijk universum dat voor het grootste deel leest als een gewelddadige, perverse, repetitief pornografische nachtmerrie.

De ik-persoon is een personage op de vlucht. Waarvoor en waardoor blijft onduidelijk. Als in een bad trip rent hij panisch van de ene naar de andere gruwelkamer; wanneer hij een deurklink voelt, drukt hij hem naar beneden – op naar het volgende tafereel. Net als in een vroege Robbe-Grillet komt hij terecht in uitgestorven straten, hotelkamers met naamloze mensen, gangen, nissen, douches. Soms belandt hij in oorlogssituaties, waar sluipschutters slachtoffers maken, gewonden sterven en explosies nooit ophouden. Hij drinkt, snuift de nodige lijntjes cocaïne, belandt in orgieën.

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/09/20/littells-roman-is-een-gewelddadige-perverse-nachtmerrie-a3973977

Eric Vuillard: 14 juillet

Éric Vuillard begint 14 juli, net als zijn met de Prix Goncourt bekroonde boek De orde van de dag, met een onvergetelijke sleutelscène. In de Folie Titon in Parijs is aan het eind van de 18de eeuw de koninklijke behangfabriek gevestigd. Behang is in die tijd een nieuwe uitvinding, die dankzij Marie-Antoinette in de mode is geraakt. Ze houdt van bloemetjes, engelen en herderlijke tafereeltjes. De directeur van de fabriek, Jean-Baptiste Réveillon, eist op 23 april 1789, tussen twee feesten door, van zijn werknemers dat zij akkoord gaan met een salarisverlaging: de internationale concurrentie is moordend.

Maar het volk heeft honger. Velen zijn werkeloos. Protesten komen op gang, duizenden mensen rukken op naar deze fabriek waar luxeartikelen worden gemaakt voor de elite: de villa wordt geplunderd en vernield. Wat eetbaar is wordt opgegeten, wat drinkbaar is opgedronken. De cavalerie opent de aanval, er vallen doden, er worden mensen gearresteerd, opgehangen. De Franse Revolutie is begonnen.

Lees verder:

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/08/22/de-stemmen-van-de-radertjes-a3970844

De kleuren van de brand, Pierre Lemaître

Wraak is een gerecht dat je het best koud kunt opdienen. Of het Franse spreekwoord bestaat sinds Alexandre Dumas De graaf van Monte Cristo publiceerde is onduidelijk, zeker is dat het uit de 19de eeuw stamt. In 1844 verscheen de wraakroman bij uitstek, het wereldberoemde verhaal over de zeeman Edmond Dantès die dermate succesvol is – in zijn werk, in de liefde, in de diplomatie – dat anderen zo jaloers op hem zijn dat ze hem in de val lokken en levenslang laten opsluiten.

Veertien jaar lang zit hij in een kerker, onschuldig. Dankzij de Italiaanse priester met wie hij zijn cel deelt, ontsnapt hij en spoort een schat op. Met dat fortuin kan hij zich wreken op al degenen die hem achter de tralies hebben laten zetten. De wraak wordt niet alleen koud opgediend, maar is ook nog knap zoet.

Ook de nieuwe Pierre Lemaitre is een wraakroman – spannend, vlot geschreven, ironisch en vol grote menselijke gevoelens. Lemaitre (1951) heeft goed gekeken naar Dumas. Ook hij bouwt zijn roman zorgvuldig op: als in een ouderwets feuilleton serveert hij ons telkens een nieuwe episode met een onverwachte plot.

Lees verder via

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/08/15/wraaknemen-op-de-aasgieren-a3970155