Een flottielje zonder vijanden

Gisteren ontmoette ik de twee Chinese schrijvers die in het kader van de culturele uitwisseling tussen Peking en Amsterdam, zes weken in Nederland vertoeven: Su Tong en Mian Mian.
Van Su Tong verschenen in het Nederlands een paar heel verschillende romans, De rode lantaarn, Mijn leven als keizer, Rijst en Binu en de Chinese muur. Mian Mian schreef Panda sex, dat met name in Frankrijk een bestseller werd en Candy, dat ook in het Nederlands te lezen valt.
Ik liet Su Tong en Mian Mian het recentste nummer van Armada zien, het tijdschrijft voor wereldliteratuur, nr 63/64, een dubbelnummer van de 17e jaargang. Er ontspon zich een druk gesprek, de tolk mengde zich in de discussie, er werd gelachen, het duurde een tijdje. ,,Wat is er aan de hand?”, vroeg ik. De Chinese vertaling van de naam Armada bleek nogal bijzonder dan wel dubbelzinnig te zijn: ‘armada’ had in het Chinees de betekenis van ‘flottielje zonder vijanden’, een soort  contradictio in terminis, een vijandloze vloot, een formatie van kleine oorlogsschepen die niet op oorlog uit zijn, maar varen, kijken, observeren – een dus nogal nutteloze vloot eigenlijk.
Ik bladerde eens door de Chinese armada: een vloot aan essays, schrijversportretten, proza en poëzie van Chinese en van Nederlandse bodem. Een aantal stukken waarin Chinese critici hun mening geven over Nederlandse romans.
Ik stuitte op het begin van het essay van Quian Zhongshu, getiteld ‘Over schrijvers’, vertaald door Mark Leenhouts: ‘De schrijver is te prijzen om zijn bescheidenheid. Hij streeft niet naar status, maar naar het hogere; elke zelfgenoegzaamheid is hem vreemd. Ik meen het, een schrijver veracht zichzelf soms nog erger dan anderen al doen. (..) Wie zijn leven aan de letteren wijdt, is gedoemd tot onbeduidendheid. Vandaar dat natuur- en maatschappijwetenschappers, die niet de ‘lege letteren’ maar het ‘ware weten’ dienen, zich ondanks de lijvige artikelen die zij schrijven geen moment als nutteloze mannen van de letteren beschouwen  – al zullen zij zich in nuttigheid dan nooit kunnen meten met de mannen van de wapenen. (..) Als je het hebt over nuttigheid, zie ik ruwweg twee soorten. Ten eerste het hergebruik van afval, zoals koeienuitwerpselen die kunnen dienen als brandstof, of denk aan de zuinige Tao Kan die nog geen houtsnipper, geen bamboestompje kon weggooien. Ten tweede de onontkoombaarheid van dagelijkse gebruiksvoorwerpen als een tandenborstel of het toilet. (..) Terwijl alles op aarde dus een veelheid aan nuttige toepassingen en uiteenlopende vormen van bruikbaarheid kent, lijkt alleen de schrijver getooid met de kroon der nutteloosheid. Is het niet droevig dat hij zich minderwaardig moet voelen ten opzichte van een houtsnipper, een bamboestompje, een tandenborstel of een toilet? ‘ Aldus Quian Zhongshu. 
Zou de Nederlandse delegatie schrijvers in Peking zich daarvan bewust zijn? Dat zij als schrijvers het onderspit delven tegenover een houtsnipper, een bamboestompje of een tandenborstel? Dat zij nutteloos zijn? Kozen er daarom voor zich op die boekenbeurs zo rustig, redelijk en bescheiden op te stellen? Spelden zij daarom geen Amnesty-speldje op, willen zij daarom alleen ‘ruiken, voelen en indrukken opdoen’, een houding die velen bekritiseren en die hun in Nederland gebleven collega Möring onlangs kwalificeerde als ‘labbekakkerig cynisme’?
Maar wat vonden Su Tong en Mian Mian nu eigenlijk van alle ophef over de boekenbeurs in Peking? Moeten de Nederlandse auteurs die daar zijn nu wel of niet luid en duidelijk protesteren tegen de schending van de mensenrechten en het gebrek aan vrijheid van meningsuiting? De twee Chinese auteurs waren het volledig met elkaar eens: het is heel verstandig dat ze niet meteen felle uitspraken doen over een land waar ze net zijn aangekomen, waar ze niets van weten.
Ze staken zo een hart onder de riem van de Nederlandse schrijvers in Peking, dwars tegen alle kritiek van slappe knieën en labbekakkerigheid in. Het belangrijkste is dat hun boeken worden gelezen. Liever weloverwogen een venster op de wereld openen, liever subtiel en hoffelijk te werk gaan, liever nutteloos dan ruw, gewelddadig en respectloos – als een flottielje zonder vijanden, als een Chinese armada.

Wat vinden de Chinese schrijvers zelf eigenlijk?

Wat vinden de twee Chinese schrijvers die in het kader van de culturele uitwisseling in Amsterdam zijn, nu eigenlijk van alle ophef over de boekenbeurs in Peking? Moeten de Nederlandse auteurs die daar zijn nu wel of niet luid en duidelijk protesteren tegen de schending van de mensenrechten en het gebrek aan vrijheid van meningsuiting? Wel of niet dat speldje van Amnesty dragen?



De bekende Chinese auteur Su Tong (1963) en zijn collega Mian Mian (1970) zijn het eens: het is heel verstandig dat ze zich niet meteen felle uitspraken doen over een land waarin ze net zijn aangekomen, waar ze niets van weten. ,,Het wordt wel heel politiek allemaal”, verzucht Mian Mian. Su Tong wordt er moe van dat hij, zodra hij in het buitenland is, steeds die politieke vragen krijgt, in principe wil hij er op een podium niet over spreken, ,,je weet nooit wie er in de zaal zit”.
En wat vinden ze ervan dat hun collega’s, die in gesprek wilden gaan met de Nederlandse schrijvers, huisarrest hebben gekregen? Ze weten er niets van. Veelal kennen ze de auteurs ook niet die dit overkomt. Pas in het buitenland horen ze van hun bestaan, van hun huisarrest. Ze reageren niet overdreven verontwaardigd op dit nieuws, het verbaast hen duidelijk niet.
Veel liever spreken ze over hun werk, over de Chinese literatuur, over hun leven als schrijver. Van Su Tong verschenen  in het Nederlands De rode lantaarn, Mijn leven als keizer, Rijst (De Geus) en Binu en de Chinese muur  (De Bezige Bij), heel verschillende romans. Mian Mian schreef Panda sex, dat met name in Frankrijk een bestseller werd en Candy, dat ook in het Nederlands verscheen (Arena). ,,In China weet niemand hoe ik eruit zie”, zegt Mian Mian, ,,ik treed nooit ergens op. Mijn werk is 10 jaar lang verboden geweest. Iedereen denkt dat ik in Parijs woon”. In het China-nummer van tijdschrift Armada, samengesteld door Chinakenner Mark Leenhouts, is meer informatie over de schrijvers te vinden.
Weet je, zegt Su Tong, de situatie in de Chinese literatuur van nu is heel ingewikkeld. In de jaren 80 is de basis gelegd voor de huidige literatuur, daarvoor, tijdens de Culturele Revolutie, was er niets. In de jaren 80 is er absurd veel geschreven. Er zijn toen enorm veel literaire tijdschriften opgericht, veel daarvan zijn er nog. Je moet het niet onderschatten: de schaal waarop er in China wordt geschreven is enorm.
Veel van de grote schrijvers die in de jaren 80 begonnen, zijn nu met schrijven gestopt, vertelt Su Tong, ze doen nu wetenschappelijk onderzoek, publiceren artikelen in kranten of tijdschriften of ze schrijven scenario’s voor televisieseries. Daarmee kun je je brood verdienen. Je kunt er zelfs miljonair mee worden. De kwaliteit van onze tvseries is dan ook hoog: ze worden allemaal geschreven door professionele auteurs.

Sinds haar werd verboden werd, publiceert Mian Mian haar werk niet meer bij een uitgeverij, maar op het internet. Waarom het werd verboden? ,,Veel te veel details over homoseksualiteit, over een decadente levensstijl”, lacht ze, ,,maar nu doe ik dat allemaal niet meer, hoor”.
Via haar blog communiceert ze met haar lezers. 28.000 volgers heeft ze, relatief gezien niet zoveel, zegt ze. Er is bijvoorbeeld een populaire actrice wier blog 5 miljoen volgers heeft. ,,Maar populair is per definitie boring”, zegt ze. Zelf schrijft ze voor haar eigen lezers, jonge mensen die in de grote stad wonen, kunstenaars, mensen op kantoor, lezers van American psycho.
,,Het enige interessante dat er in China gebeurt is weibo”, zegt Mian Mian, “dat is de Chinese variant van twitter, letterlijk mini-blog. Er zijn in China maar liefst 200 miljoen weibo-gebruikers. Kun je nagaan wat een probleem dat is voor de censuur, lacht ze, ’s nachts moeten er honderden censors aan het werk zijn, soms zie je een berichtje voor je ogen verdwijnen. Gecensureerd.”

Gil Courtemanche overleden

Afgelopen vrijdag stierf, naar nu bekend is geworden, de Franstalige Canadese journalist en schrijver Gil Courtemanche, op 68-jarige leeftijd. Hij leed al jaren aan keelkanker en kon de laatste tijd niet meer spreken – terwijl er weinig was dat hij liever deed dan dat. Een gesprek met hem was overdonderend: altijd was hij boos of verontwaardigd over wat er aan onrecht in de wereld gebeurde. Bitter en scherp veroordeelde hij, met zijn raspende rokersstem en grijpend naar zijn altijd volle glas, de moordenaars van Rwanda, een corrupt Afrikaans regime of de foute beslissing van een rechtbank.
Vanaf zijn twintigste werkte Courtemanche als journalist, de laatste vijf jaar vooral in Montreal, voor dagblad Le Devoir. Hij schreef in eerste instantie essays en columns, gebundeld onder de titel Douces colères (Zachte woede), gevolgd door Nouvelles douces colères (Nieuwe zachte woede); en boeken over (inter-)nationale politiek, Québec en de democratie. Al jong kreeg hij de reputatie van linkse, militante vrijdenker, die nooit een blad voor de mond nam en in wiens woordenboek het woord nuance niet voorkwam. Als voormalig marxist beoefende hij ‘le journalisme utile’, nuttige, geëngageerde journalistiek, zei hij in een interview met deze krant. Hij was journalist geworden omdat hij ‘de wereld wilde veranderen’. Hij geloofde dat ‘het informeren van mensen’ zou leiden tot ‘verandering, tot vooruitgang. Als journalist moet je in eerste instantie burger zijn. Je bent de ogen en oren van het volk en dus ben je per definitie politiek geëngageerd, progressief, tegen onvrijheid, tegen onrechtvaardigheid.” Québec herdenkt hem dan ook als een groot schrijver en een voorbeeld voor jonge journalisten: zijn werk was ‘een aanklacht’ en droeg ‘het stempel van menselijkheid’.
Voor de Quebecse radio en televisie ging hij in de jaren zestig naar de VS, daarna naar Vietnam, Noord-Ierland en Libanon. In 1984 bezocht hij voor het eerst Afrika en deed hij verslag van de hongersnood in Ethiopië. Later maakte hij, in opdracht van niet-gouvernementele hulporganisaties in Kenia, Ivoorkust, Oeganda en Rwanda een documentaire over aids. Na de genocide in Rwanda ging Courtemanche terug en interviewde honderden overlevenden.
Hun verhalen vormen de basis van zijn eerste roman, Een zondag aan het zwembad in Kigali (2000), die in twintig talen werd vertaald. Het boek werd in 2006 door Robert Favreau verfilmd, net als zijn tweede roman Une belle mort (2005). Bovendien trok het Internationaal Strafhof in Den Haag hem aan als adviseur. Sporen van zijn verblijf in Den Haag zijn terug te vinden in zijn roman De wereld, de hagedis en ik (2009). Zijn laatste boek, een roman over zijn ziekte en de gelijktijdige scheiding van zijn vrouw, draagt de bittere titel Je ne veux pas mourir seul (Ik wil niet alleen sterven).

    

Tristane Banon – fictie of werkelijkheid

‘Hij spreekt met haar af in de rue Mayet, in het 6e arrondissement. Het is een leeg appartement, met houten balken, een koffiezetapparaat in de keuken en een deur die leidt naar een kamer met een twee-persoonsbed. (..) DSK doet de deur op slot. Ze zet haar tas op de tafel en pakt haar dictafoon. Nauwelijks heeft ze de eerste vraag gesteld of hij vraagt of hij haar hand mag vasthouden. (..) Hij begint haar naar zich toe te trekken. (..) Hij pakt haar vast, ze wil zich losrukken, ze vallen op de grond. Hij maakt haar bh los, grijpt haar borsten, laat zijn hand in haar slipje glijden. (..) Ze zegt dat hij in een vreemde droomtoestand leek te verkeren, haar protesten niet hoorde. Ze vlucht, gaat in haar auto zitten, belt haar moeder. Ze krijgt een sms: ‘nou, maak ik u bang?’
Een fragment uit een slechte roman? Nee, dit komt uit een artikel in dagblad Le monde, van woensdag 20 juli j.l. Het stuk gaat over Tristane Banon, de 32-jarige journaliste en schrijfster die Dominique Straus-Kahn heeft aangeklaagd voor poging tot verkrachting in 2003, en vermeldt wat Banon zojuist aan de onderzoekscommissie heeft verteld. Dat jaar maakte ze een serie interviews met machtige mannen over fouten die ze in hun carrière begingen, Erreurs avouées (au masculin) (te vertalen als Toegegeven fouten, van het mannelijk geslacht). In dat kader ontmoette ze DSK. Waarom heeft ze niet eerder aangifte gedaan?, wordt haar gevraagd. ‘Angst voor wat anderen zouden denken, angst niet geloofd te worden. De Sofitelzaak zou haar hebben geholpen toch de stap te zetten’.
Helemaal gezwegen heeft Banon toch niet. In haar roman Trapéziste, uit 2006, beschrijft ze in vier pagina’s de ontmoeting met een ‘politiek leider van de grote partij van morgen’, in bewoordingen die heel dichtbij de hierboven verwoorde scene staan. Hetzelfde appartement, dezelfde leegte, hetzelfde koffiezetapparaat.  En ook de man die zich opdringt, het interview wegwuift, omdat ‘ze wel wat beters te doen hebben’, die haar kleren van haar lijf rukt, die haar weerstand wel amusant vindt: ‘ze is spitsvondig, dat kleintje!’  ‘Hij kijkt me aan met de ogen van een neuroticus’, schrijft Banon, ‘van een verslaafde die zijn injectie niet krijgt. Hij is zichzelf niet meer. Hij is ziek, hij moet zijn spul hebben.’ Ze vlucht in haar auto, denkt erover aangifte te doen, stelt zich voor wat er over haar, ‘freelancer op zwart zaad’, gezegd zal worden: ‘Het kleintje heeft zich goedkoop van wat publiciteit willen verzekeren’. ‘Weet u nog, dat is Flore, dat meisje dat verwikkeld was in die smerige geschiedenis met die politicus’. Ze gaat naar huis, krijgt een smsje met dezelfde tekst. 
En dan is er nog het Parijse tv-programma van Thierry Ardisson, 93 Faubourg Saint-Honoré, uit 2007, waarin Banon tegen het décor van dînertafel, kroonluchters en schitterende spiegels, vertelt hoe DSK, wier naam toen door een discreet piepje werd vervangen, haar probeerde te verkrachten.
De onbetrouwbaarheid van het geheugen is notoir en feit en fictie staan op gespannen voet. Maar wie is ze eigenlijk, deze schrijfster van wie, voor de affaire DSK, eigenlijk nog niemand had gehoord? Wat voor boeken schrijft ze? En in welke kringen beweegt ze zich?
Haar website laat vooral een fotogalerij zien, met tientallen close-ups. De schrijfster houdt zich ook bezig met modellenwerk. Haar biografie vermeldt een kinderdroom schrijfster te worden, de Ecole supérieur du journalisme,  freelancewerk voor Paris Match en de Figaro en een baan als presentatrice van een programma over communicatie.  Onder het kopje ‘revue de presse’ zijn alle snippertjes op te vragen die er, vooral in regionale media, over haar zijn verschenen, van L’Echo de la Hautte-Vienne tot Télémoustique. Geen schrijfster dus die vanwege haar literaire werk een wezenlijke plaats heeft verworven in het ‘serieuze’ Franse literaire landschap.
Drie romans schreef ze: J’ai oublié de la tuer (2004), Trapéziste (2006) en Daddy frénésie (2008), dat vorig jaar ook in een Nederlandse vertaling verscheen onder de titel Als de vleugelslag van een vlinder. Op haar website vertelt Banon dat ze in psychoanalyse is gegaan en daarna ‘autofictie’ is gaan schrijven. Bij autofictie, een term die door Serge Doubrovsky werd geïntroduceerd en tegenwoordig vooral wordt geassocieerd met de Franse auteur Christine Angot, valt de auteur samen met de hoofdpersoon en/of de verteller, maar in het verhaal, in de narratieve vorm kan de auteur iets verkennen dat niet puur autobiografisch is. De gebeurtenissen in het leven van de auteur worden verteld op een manier die bij de roman hoort. Er kan bijvoorbeeld een verteller zijn in de derde persoon, namen, plaatsen kunnen worden veranderd, omdat de auteur een speciale ervaring nader wil onderzoeken.  ‘Rien n’est inventé, mais tout est faux’, luidt een zinnetje voorin Banons tweede roman, ‘Niets is verzonnen, maar alles is onwaar’. En dat geldt weer voor iedere roman.
De vertelster van Banons eerste roman is een meisje dat we volgen van haar achtste tot haar veertiende. Haar vader heeft haar verlaten op de dag van haar geboorte, haar moeder heeft sinds de bevalling nooit meer enige aandacht aan haar besteed. Het meisje, Flore, groeit in welvaart op, met een babysitter, Amira, een lompe, zware vrouw van Marokkaanse afkomst, die aan de drank is en haar handen niet thuis houdt. Flore belt haar moeder, die niet gelooft dat de babysitter haar slaat. ‘Je moet naar Amira luisteren, netjes je bed leren opmaken. Laat mama nu werken. Ik ben er volgende woensdag weer’. ‘Ja, maar het is pas donderdag!’ ‘Zie je, je hoeft niet eens een hele week te wachten’. ‘Ik ontdek de haat. Ik ben 10 jaar en krijg zin om iemand te doden. Ik ga haar vermoorden, maar ik weet nog niet hoe’. Drama, kortom, pathetiek en doffe ellende. Een verschrikkelijke jeugd waarin Flore zich manhaftig overeind houdt, net niet uit het raam springt en zich afvraagt wat het doel is van het leven. Het is het relaas van haar jeugd, zegt Banon over dit boek, ‘alles is waar’. Maar is het ook literatuur? Nee. Vlot geschreven tranentrekkend meisjesproza.
Wat voor een twintiger zo’n meisje wordt, lezen we in Banons tweede roman, Trapéziste, opgedragen aan Frankrijks topjournalist Patrick Poivre d’Arvor. De titel verwijst naar de trapeze-acts die ze in het dagelijks leven moet uithalen, ‘tussen heel hoog en en heel laag’.  Ze ziet er leuk blond en frivool uit, ‘echt een meisje dat een leuk licht liefdesleven leidt’. Zo’n me
isje van wie andere, jaloerse vrouwen die uiterlijk minder zijn bedeeld, denken dat ze alleen goed zijn om ‘mannen van drie keer hun leeftijd af te zuigen in de televisiestudio’s. En soms hebben ze geen ongelijk’.  Maar van binnen, op die hoge hakken, is ze bang en gaat ze regelmatig op haar bek in het wereldje van bekende mensen, schrijvers en kunstenaars. Ze noemen haar ‘liefje’ of ‘schatje’, ‘maar dat doen ze alleen maar omdat ze mijn voornaam zijn vergeten’. De ik-persoon heet Flore, schrijft Banon in nogal krom Frans: een ‘romanpersonage dat wil aantonen dat de jeugd consequenties heeft op de hersenen en de sociale toekomst die je niet verwacht’.   
De twintiger Flore is een freelance journaliste die nauwelijks genoeg verdient om te kunnen eten, die zich door topjournalisten op hun bureau laat pakken, zich door beroemdheden laat meevoeren naar bedden in vijfsterrenhotels, zich vollaadt met champagne en zich van het ene naar het andere feestje sleept. Een jonge vrouw zonder zelfrespect en zonder kompas. Waren schrijvers als Frédéric Beigbeder en Lolita Pille in staat die wereld van ‘people’  en ‘showbizz’ met satirische afstand en vlijmscherpe pen te caricaturiseren, Banon/Flore gaat er, als personage én als schrijfster,  in onder. Het van Bridget Jones afgekeken begin van ieder hoofdstuk (zoveel euro schuld, zoveel uren tranen, zoveel verloren illusies) vermag daaraan niets te veranderen. Drama, pathetiek en doffe ellende.
Na afrekening met de moeder in haar eerste boek, komt, onverbiddelijk, ook de afrekening met de vader. Nooit heeft ze enige aandrang gevoeld hem te leren kennen maar in Als de vleugelslag van een vlinder, gaat ze ‘als een ijverige entomoloog’ haar ‘vadervlinder’ observeren, ‘die als een insect zijn broedsel heeft verlaten’. Denkt ze hem eenmaal gevonden te hebben, dan stelt ze alles in het werk om zijn leven en dat van zijn kinderen – degenen voor wie hij wél een vader is geweest -, te verzieken. Maar die koud opgediende wraak belandt op het verkeerde bord. Weer een mislukking, weer een misser, wat zielig, wat triste-anne.
Vergelijk het eens met de meest recente roman van Virginie Despentes, Apocalyps baby, die de noodklok luidt over precies het soort jongeren als Flore. Onder verwaarloosde jeugd verstaat Despentes niet de kinderen die opgroeien in achterstandsgezinnen, maar tieners uit welvarende gezinnen, met teveel geld en te weinig aandacht. Kinderen met dure kleren, altijd het nieuwste mobieltje, maar zonder ouder die grenzen trekt. In duidelijke taal laat Despentes, wier jeugd niet veel gelukkiger was dan die van Banon, zien tot wat voor wanhoopsdaden zo’n meisje, rijk maar doodeenzaam en emotioneel verwaarloosd, in staat is. In eerdere boeken vochten Despentes’ gewelddadige vrouwelijke personages met opdringerige kerels en legden zij kalashnikovs aan op potentiële verkrachters. Despentes lapt de wereld aan haar laars, ze laat je literair én niet-literair alle hoeken van de kamer zien.
Banon is in zo’n spel geen partij. Voor haar ga je een doos papieren zakdoekjes halen.


Tristane Banon: J’ai oublié de la tuer. Anne Carrière. 131 blz. Prijs € 15
Trapéziste. Anne Carrière, 215 blz. Prijs € 17
Als de vleugelslag van een vlinder. Vertaald door Nini Wielink, Sirene, 190 blz. Prijs €  16,95
Virginie Despentes, Apocalyps Baby, verschijnt binnenkort bij De Geus.

On-Frans geestig?

‘On-Frans geestig’, kopt het persbericht van de Arbeiderspers als aanbeveling van de uit het Frans vertaalde roman van Tanguy Viel. ‘Geestig’ en ‘Frans’ sluiten elkaar uit, althans voor deze persberichtenmaker. Literatuur uit Frankrijk is, zo wil het cliché, filosofisch, saai en wollig, Franse personages hebben een alpinopet op en een stokbrood onder de arm, terwijl ze denken aan seks en o la la. Toch jammer dat de persberichtenmaker nooit heeft geglimlacht bij het lezen van een burleske scène van Jean-Philippe Toussaint, niet heeft geschaterd bij de slapstickstijl van Jean Echenoz of het absurdisme van Didier van Cauwelaert. Ook de zwarte humor van Michel Houellebecq is aan deze persoon verspild evenals de hilarische situaties in het werk van Fouad Laroui. Niet kunnen lachen om de grimmige grappen van Dany Laferrière, Nicolas Dickner met een strak gezicht lezen, in de plooi blijven bij de toneelteksten van Yasmina Reza – je moet het maar kunnen.
Maar nu is er dan Paris-Brest, de eerste roman van Tanguy Viel die in het Nederlands verschijnt, ‘on-frans geestig’.  Het is de vijfde roman van Viel, die eerder boeken publiceerde met titels als Cinéma, L’absolue perfection du crime en Insoupçonnable. Net als Echenoz en Toussaint, die iets ouder zijn, heeft hij een passie voor film, vooral voor de film noir, de polar. In dat soort films ballen zich de passies samen in een enkel moment dat de rest van een mensenleven bepaalt. Er wordt met koffers met dubieuze inhoud gesjouwd, veel geschiedt in het donker en naar beweegredenen wordt vaak achteraf gegisd.
Precies deze thema’s vind je ook in Paris-Brest, waarin een jongeman, opgegroeid in Brest,vanuit zijn woonplaats Parijs voor een paar dagen naar zijn familie terugkeert. Zijn familiegeschiedenis wordt bepaald door twee fortuinen: het een is verduisterd en de oorzaak van het tijdelijke ballingschap van zijn ouders. Het andere is uit de lucht komen vallen en in de schoot van zijn grootmoeder beland. In de koffer van de verteller zit, figuurlijk gesproken, een explosief: het manuscript van zijn familieroman.
Net als zijn collega Echenoz, gebruikt Viel de technieken van de thriller, de cinema en de slapstick. Hij bouwt spanning op, introduceert elementen waarvan je als lezer begrijpt dat ze mis zullen gaan (een dubieuze jeugdvriend, fraude bij de bouw van een stadion, een diefstal) en geeft zijn verteller voldoende trekken van naïeve loser mee om de lezer stof tot nadenken en meeleven te bieden. Bovendien reflecteert hij, net als zijn collega Laurent Binet onlangs succesvol deed, op de tot standkoming van de roman die we aan het lezen zijn. ‘En er zijn inderdaad bepaalde dingen waarover ik het wel zal moeten hebben, omdat ze belangrijk zijn voor het verdere verloop van dit verhaal, dingen die mijn moeder er eigenlijk altijd buiten heeft willen houden en er in zekere zin ook altijd buiten hééft gehouden, als in een gekuiste versie van de geschiedenis, maar zelf ben ik wel verplicht ze op te halen, zelf ben ik verplicht om Kermeur junior als het ware weer centraal op het schaakbord te plaatsen’.
Viels verteller zoekt naar woorden, naar een uitgangspunt, naar de waarheid en die zoektocht bepaalt ook zijn stijl, hernemend, aarzelend, meanderend. Waarin Viel vooral excelleert is – en in dit opzicht is hij verwant aan die andere grote verteller van familiegeschiedenissen, Jean Rouaud – in het oproepen van een sfeer: een woning aan zee, een rusthuis voor oud-mariniers, wind, eenzaamheid, dorpsroddel en broedervriendschap.
Ook de broer van de verteller is beducht voor de roman in de koffer. ‘Heb je ‘m nu af, je roman? (..) Maar…hervatte hij en hij aarzelde en ik glimlachte omdat ik zijn aarzeling voelde, heb je het dan ..over mij? (..) Ik kreeg het warm aan mijn hoofd, door zo te spelen met vuur, door zo te aarzelen met mijn antwoord terwijl ik er tegelijk om moest lachen dat ik niet te snel wilden antwoorden (…) .Toen zweeg hij verschillende sigaretten lang, en voegde toe: ik popel in elk geval om het te lezen. Ik zal er vast om moeten lachen’.
Niet ongeestig, inderdaad.
Tanguy Viel: Paris-Brest. Vertaald door Katrien Vandenberghe. Arbeiderspers. 144 blz. Prijs € 17,50

Eerste Europese literatuurprijs naar Marie NDiaye voor Drie sterke vrouwen

,,Overal in Europa eet je dezelfde pizza’s. Overal in Europa zien de meisjes er hetzelfde uit. Overal dragen ze dezelfde rokjes, dezelfde t-shirts. Ongelofelijk saai. Straks lezen we allemaal overal dezelfde literatuur. Maar aan de andere kant ben ik daar natuurlijk blij om. We gaan weg van de massagraven”.
Dat zei Jáchym Topol, een van de genomineerden voor de Europese Literatuurprijs, toen ik hem een paar jaar geleden interviewde. Het einde van de ideologiën, de val van de muur, het wegvallen van de oude grenzen, de globalisering  – het leidt tot eenheidsworst, of je het nu hebt over eten, kleren, films of boeken. Op het laatst lijkt alles op elkaar.
Het is een mening die je in onze tijd van globalisering wel vaker hoort. Tim Parks betoogde onlangs dat romanciers steeds meer in hetzelfde Amerikaans schrijven en een karikaturaal beeld van hun eigen land schetsen om maar vooral door te dringen tot internationale roem. Deze internationalisering van literatuur leidt dan vanzelf tot een literatuur die steeds meer op elkaar lijkt.
Zouden schrijvers uit het oude Europa hun huid nu echt op die manier willen verkopen? Gaan ze bewust zo ver in hun kniebuiging voor de commercie en voor internationale bekendheid? Ik vraag het me af.
Ook wie veel op andere continenten verkeert, beziet Europa als een eenvormig werelddeel waarin weinig beweging zit. Vorige week sprak ik met twee reisschrijvers, die beiden veel over de wereld reizen en zich net zo thuis voelen in Azië en Afrika als in hun geboorteland, België respectievelijk Frankrijk. Komen zij van hun reizen terug dan hebben zij de indruk, vertelden ze mij, dat zij een museum binnenstappen, een stoffige maatschappij waar alles af is, waar het alleen nog een kwestie is van openingsuren, vegen en dweilen en af en toe de stofdoek erover heen halen. Een verkalkt continent, een werelddeel zonder beweging, zonder de energie, de ambitie en de optimistische gedrevenheid van consumenten in de dop in Azië, India, China of in de Arabische wereld.
Zou het echt?
Ik legde hun statement een paar dagen geleden voor aan twee Europareizigers. De een is literair spoorzoeker, auteur van een boek over de wereldliteratuur en een verhandeling over literair-historische figuren in Europa. De ander is hoogleraar Europese studies en imagoloog, die zich jaren verdiept heeft in stereotiepen en vooronderstellingen als het over andere landen en culturen gaat. Blasé, zei de een.  Kennen ze het Europese continent wel, hebben ze zich wel werkelijk in de Europese cultuurgeschiedenis verdiept? reageerde de ander, en beseffen ze wel met welk een Europese, door hun tijd en klasse bepaalde vooroordelen en vooronderstellingen ze naar die andere continenten kijken?
En hoe staat het eigenlijk met de literatuur uit die werelddelen, zou ik daaraan willen toevoegen. Is die even dynamisch? Geeft die een mooi beeld van de energie en de ambitie die de de schrijfsters signaleerden?
Neem de romans van de Indonesische schrijfster Ayu Utami en je belandt in de armoede en de corruptie van het platteland. Lees de romans en de essays van de Egyptische schrijver-tandarts Alaa el Aswany en je komt terecht in de stedelijke wereld van de gewone man die maar net zijn hoofd boven water kan houden met zijn handeltjes. Lees de Jemenitische verhalenschrijver Ali Al-Muqri en het gaat over onderdrukking en armoede. Lees de Libische schrijfster Wafa Al-Bueissa en het thema is hoe te ontsnappen aan een verstikkende dictatuur, een repressieve cultuur. Lees de net bekroonde Algerijnse auteur Boualem Sansal en het gaat over onderdrukking en corruptie.
Wie de afgelopen jaren tientallen romans uit alle uithoeken van Europa heeft gelezen, ziet niets van de zogenaamde eenvormigheid van de Europese literatuur en met die verkalking valt het ook reuze mee.
Wat je wel ziet zijn individuele werelden die gekleurd zijn enerzijds door de persoonlijke situatie van de schrijver en anderzijds door de literaire en culturele traditie en de tijd, waarin hij of zij is opgegroeid. En met een beetje goede wil zie je wat trends: oorlogsliteratuur, biografieen en autobiografieën. Hedendaags minimalisme. Literatuur over bootvluchtelingen, over immigranten die Europa zien als het paradijs,  die fort Europa bestormen. Komedies. Monologues intérieurs. Absurdisme.
Europa is een spiegelpaleis, zoals Joep Leerssen het noemde. Een caisse de resonance zou je kunnen zeggen. Al die stemmen die daarin heen en weer echoën vinden ergens een weerklank. Of zoals de Spaanse in Marrakech wonende schrijver Juan Goytisolo jaren geleden zei: de Europese literatuur is als een pollinisatie, een kruisbestuiving, de pollen waaien met de winden mee, sommigen blijven rondvliegen, anderen wortelen op een gegeven moment ergens in het werk van een andere, jonge auteur en daar komt dat zaadje weer tot ontkieming.
De nieuwe Europese literatuur? Die verbeeldt op een magistrale manier de nieuwe Europese infrastructuur, zei de Duitse historicus Karl Schlögel hier vorige week op dit podium. De nieuwe Europaliteratuur, die ijverig wordt gekocht en gelezen maar niet gerecenseerd bestaat uit reisgidsen, landkaarten, autoatlassen, spoorboekjes en vluchtschema’s. Die publicaties geven het heden richting, het zijn indicatoren voor de voortgang en het tempo van de ontwikkeling en het tot wasdom komen van de grote steden in Europa.
De nieuwe Europese literatuur? zei Nelleke Noordervliet onlangs, die wordt geschreven door de nieuwe Europeanen, de mensen van elders die zich ergens in Europa een nieuwe cultuur en een nieuwe taal eigen maken. De nieuwe Europese literatuur? zei Adam Thirlwell hier onlangs, die kan alleen tot standkomen door middel van een nieuwe, originele vorm van vertaling. 
En wat zei de jonge Hongaarse schrijver Gyorgi Dragoman hier een paar dagen geleden? Hij kan nog steeds maar moeilijk geloven dat er een einde is gekomen aan het communistische tijdperk. Nog iedere dag beleeft hij opnieuw de doodsangst die hij als jongen kende. Vanaf zijn 10e jaar bereidde zijn vader hem erop voor dat hij op ieder willekeurig moment door de geheime dienst van zijn bed gelicht kon worden, meegenomen voor verhoor. De lucht was niet blauw, leerde zijn vader hem zeggen, het gras is niet groen. Doodsangst ondermijnt de werkelijkheid, realiteit wordt surrealisme. Voor Dragoman zal het toekomstige verhaal van Europa altijd dit verhaal zijn, die herinnering aan de doodsangst.
Dus hoezo uniformiteit van de Europese literatuur?
Als er een ding is dat de longlist en de shortlist van de Europese literatuurprijs duidelijk maakt is het dat wel.
De shortlist van de Europese literatuurlijst bestond uit
HHhH van Laurent Binet, vertaald uit het Frans door Liesbeth van Nes (Meulenhoff
Dat weet je niet van Jens Christian Grøndahl, vertaald uit het Deens door Annelies van Hees (Meulenhoff)
De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet van David Mitchell, vertaald uit het Engels door Harm Damsma en Niek Miedema (Ailantus) 
Drie sterke vrouwen van Marie Ndiaye, vertaald uit het Frans door Jeanne Holierhoek (De Geus)
De werkplaats van de duivel van Jáchym Topol, vertaald uit het Tsjechisch door Edgar de Bruin (Anthos)
De jury besloot de eerste Europese literatuurprijs toe te kennen aan:

Drie sterke vrouwen van Marie NDiaye, vertaald uit het Frans door Jeanne Holierhoek
Uit het juryrapport:
‘Een bedrieglijk simpele titel voor een roman die even complex als subtiel drie geschiedenissen met elkaar verbindt. De aloude thema’s van onderdrukking en uitbuiting krijgen bij NDiaye een menselijk gezicht, een intense verdieping en een wrange schoonheid.’    
‘Een roman die op ieder jurylid een onvergetelijke indruk maakte. Die beelden en scènes bevat die zich niet zomaar meer uit het geheugen laten verwijderen. Die even actueel als tijdloos is, en vanuit indrukwekkend veel perspectieven de nachtzijde laat zien van het weldoorvoede, rijke Europa. Die een volstrekt literaire vorm vindt om het klassieke duo macht & uitbuiting hun verwoestende werk te laten doen. Die aan het janken maakt zonder zelf jankerig te zijn.
De allereerste Europese Literatuurprijs gaat naar Marie NDiaye, voor haar roman Drie sterke vrouwen, of zoals die oorspronkelijk heet: Trois femmes puissantes. Waarmee de jury onmiddellijk een diepe buiging maakt voor de vertaalster van deze roman.
Jeanne Holierhoek levert met haar vertaling een bewonderenswaardige demonstratie van vertaalkunnen. Holierhoek is een ervaren vertaalster met een grote kennis van het werk van Marie NDiaye, dit is de vierde roman van haar die ze heeft vertaald. Haar kennis van het Frans is uitmuntend, haar beheersing van het Nederlands is indrukwekkend; ze heeft een groot taalgevoel en weet met veel stilistische variatie en een rijke woordenschat een meeslepend verhaal neer te zetten. Te prijzen valt vooral dat ze zich op geen enkel ogenblik achter het origineel verschuilt, maar de volle verantwoordelijkheid voor de vertaling op zich neemt en een volwaardige, autonome tekst afscheidt. Al met al is er in Holierhoeks NDiaye-vertaling sprake van een gerijpt, zelfbewust vertalerschap, van bovengemiddelde inzet en van een geslaagd huwelijk tussen vertaler en auteur. 

Claude Lanzmann – wat een leven!

 In 1977, na jaren speurwerk, krijgt Claude Lanzmann via via het adres van Abraham Bomba, voormalig kapper in Treblinka. Hij woont in New York, in de Bronx. In het vervallen, beroete gebouw op dat adres treft hij hem niet aan, een schoenlapper in de buurt helpt hem verder en Lanzmann zoekt alle kapperszaken af die hij tegenkomt. Als hij hem uiteindelijk vindt, klikt het tussen de mannen. Lanzmann legt uit wat voor film hij maakt, vraagt of Bomba met hem wil praten. Achtenveertig uur achter elkaar spreekt hij, ‘nog nooit had iemand naar hem geluisterd met een zo broederlijke en nauwgezette aandacht, iemand die hem ertoe dwong steeds dieper terug te gaan naar de onbeschrijflijke momenten waarin hij had verbleven in de gaskamer’.  Bomba verklaart zich bereid ook voor de camera een getuigenis af te leggen. Twee jaar later gaat Lanzmann terug.  Bomba blijkt vertrokken, geëmigreerd naar Israël, zonder achterlating van zijn nieuwe adres. Hij vindt hem opnieuw. Tijdens de opnames is Bomba nerveus, weet niet of hij tot ‘het culminatiepunt van het ergste’ kan gaan. Lanzmann stelt voor het gesprek in een kapsalon voort te zetten. Het werkt. Bomba vertelt voor de camera hoe hij de vrouwen knipte, die ‘naakt, radeloos door de zweepslagen van de Oekraïense bewakers de gaskamer binnenkwamen’. Twee minuten voor elke vrouw, niet meer. Wat er in hem omging, vraagt Lanzmann. ‘Ach, weet u, “voelen” daarginds.. Denkt u zich eens in, dag en nacht te werken tusen de doden, de lijken, dan verdwijnen gevoelens, je gevoel sterft af, je was dood voor alles’.
Deze bladzijden behoren tot de prachtigste en aangrijpendste uit hoofdstuk 18 van de onlangs verschenen Mémoires van Claude Lanzmann, de maker van Shoah. De speurtocht naar getuigen, het zoeken naar de beste manier om de joodse protagonisten van de film aan het praten te krijgen, het opsporen van leden van de SS Sonderkommando’s – ze behoren tot  ‘the making of’ van de film die ‘over de dood zelf gaat, de dood en niet het overleven’, de film die ‘iets in de plaats wilde stellen van de niet-bestaande beelden van de dood in de gaskamers’.
En toch. Hoewel het boek draait om dood, doodstraf en vernietiging – en misschien juist daardoor – brengt het een ode aan het leven. Alleen al de vorm van Lanzmanns herinneringen is vol beweging, met stappen vooruit en blikken terug, met hedendaags commentaar, vol levendige observatie en, vooral, gretige levenslust. Het is een groots boek van een verzetsstrijder, een filmmaker, een intieme vriend van de belangrijkste Franse denkers van de 20e eeuw, Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir, van een zoeker naar de betekenis van het jood-zijn en van de staat Israël, van een gedreven journalist en dito vrouwenverleider.
Lanzmann dicteerde zijn herinneringen aan Juliette Simont, zijn adjunct bij het tijdschrift Les Temps modernes en het resultaat van hun samenwerking is een onvergetelijk literair monument. De passie waarmee Lanzmann schrijft over de film waarmee zijn naam verbonden is, evenaart die waarmee hij ‘de making of’ van een halve eeuw beschouwt. Deze mémoires zijn niet die van Lanzmann alleen, ze gaan ons allemaal aan. Lanzmann houdt intens van het leven, hij zou er wel honderd achter elkaar willen leven. Een van de leden van het Sonderkommando van Auschwitz uit Shoah, vertelde hem aan het eind van een zware draaidag dat hij wilde ‘leven, met alle kracht die in hem was, een minuut langer, een dag langer. Leven, begrijpt u’. En of ik hem begreep!, schrijft Lanzmann. Zijn levenshonger is, ook op zijn 86e, onstilbaar.


De haas uit de titel verwijst enerzijds naar de hazen die onder het prikkeldraad doorglipten van het vernietigingskamp Birkenau, aan de dood ontsnapten. Maar vooral verwijst De Patagonische haas naar zo’n intens, existentieel moment van levenslust, van  ‘onstuimige vreugde’, de actieve levenshouding die Lanzmann bejubelt. Op een recente reis door Patagonië schiet een haas voorbij in de lichtbundel van zijn koplampen. Een steek in zijn hart doet hem voluit beseffen dat hij daar echt is, dat hij samenvalt met het moment. De intensiteit van de ervaring (wat de filosoof Peter Bieri ‘Gegenwart’ zou noemen) is even sterk als toen hij twintig was.
De manier waarop Lanzmann terugkijkt naar zijn middelbare schooltijd, die hij gedeeltelijk in Clermont-Ferrand doorbracht, is dan ook niet die van een relativerende oude man, maar eerder van iemand die alles minuut voor minuut intens opnieuw beleeft. Als jongen werd hij in het geheim lid van de Jeunesses communistes, vervoerde samen met een vriendinnetje koffers vol wapens en leverde ze ergens af. Via zijn vader wordt de groep scholieren opgenomen in het verzet van de Parti Communiste. De partij geeft hem een bevel waarin hij zich niet kan vinden, hij negeert het, waarna de jongen prompt door de PCF ter dood wordt veroordeeld.
De portretten die hij schetst van zijn ouders, die al vroeg uit elkaar gingen, zijn prachtig en liefdevol. Zijn vader weigert zijn kinderen als joods aan te geven, verzorgt valse paspoorten en laat ze midden in de nacht oefenen voor het geval er een razzia zou plaatsvinden. Van zijn stotterende moeder, ‘met haar enorme mond’ die hem ‘publiekelijk en gulzig’ kuste hoort hij pas weer toen haar minnaar zich in 1942 bij hun huis meldde. Lanzmann vecht met de verzetsstrijders van de Auvergne mee, ligt in hinderlagen en wordt geconfronteerd met moed en lafheid, thema’s die de rode draad in zijn boek en in zijn leven vormen. In 1944 bevrijdt hij, aan de zijde van zijn vader, zijn dorp, Brioude, dat net voor hun komst is platgebrand en waarvan de bewoners zijn gedeporteerd.
Na de oorlog trekt Lanzmann in bij zijn moeder en haar vriend, in Parijs, en gaat hij weer naar school. In die tijd komt hij in aanraking met het milieu waarin zijn talent zal opbloeien. Hij ontmoet er de latere schrijver en secretaris van Sartre, Jean Cau met wie hij zijn liefde voor vrouwen en voor literatuur deelt. Ze worden doo
rgewinterde verleiders en bordeelbezoekers. In een van zijn mooie terzijdes over het nu vertrouwt Lanzmann zijn lezer toe dat hij ‘ de verplichte figuren van de hofmakerij uit de grond van zijn hart heeft gehaat’. Tegenwoordig, schrijft hij, gaat hij ‘recht op zijn doel af, zu den Sachen selbst, zoals Husserl zou zeggen’. ‘En dat lukt me trouwens aardig’.
Zijn moeders vriend handelt in ‘echte’ handgeschreven gedichten. Dichters als Aragon, Cocteau en Ponge komen in het appartement enkele eendere versies van hun poëzie opschrijven. Op een ochtend ziet Lanzmann Paul Eluard tien maal dezelfde pagina van J’écris ton nom liberté.. op papier zetten. Hij ontmoet Albert Cohen, Gilles Deleuze, steelt als de raven uit de boekhandel P.U.F. en leest zo de hele opkomende schrijversgeneratie.
En dan is er natuurlijk zijn verhouding met Simone de Beauvoir. Zelden zal er een liefdevoller, preciezer en waardiger portret van haar zijn geschreven. ‘Wij hebben, en dat is heel gewoon, niet dezelfde herinneringen’, schrijft Lanzmann. Na een feestje met redactieleden van Les Temps modernes, waarvoor Lanzmann net zijn tweede artikel had geschreven, vraagt hij haar mee naar de bioscoop. Die avond besluit Beauvoir dat hij ‘de zesde man’ in haar leven zou worden. Uiteraard naast de gepriviligeerde, maar inmiddels seksloze relatie die ze met Sartre onderhield. Van 1952 tot 1959 levan ze samen alsof ze getrouwd zijn. Zij is 44, hij 27. Volgens de regel van de ‘totale transparantie’ die tot in het absurde wordt doorgevoerd, weten ze alledrie alles van elkaar. Bij gemeenschappelijke vakanties eten ze beurtelings paarsgewijs, waarna de rest van de avond eruit bestaat aan de derde te vertellen wat er tussen het paar van de avond is besproken.
Zowel Sartre als Beauvoir kennen, zo schrijft Lanzmann, ‘de existentiële angst’. Bij de een manifesteert die zich in ‘dofheid en apathie’, bij de ander in ‘onverwachte uitbarstingen’. Elke vorm van conformisme is hen vreemd. Prachtig is Lanzmanns verslag van de enorme energie van Castor, haar ‘onstilbare reislust’, haar ijzeren discipline, haar wil op reis alles te zien en te weten. Bij hun vele bergtochten nam ze de nodige risico’s. ‘Castor was nog doldwazer dan ik’ en ze besluit tot een voettocht van Zermatt naar de gletscher van de Theodulpas, waarbij ze bijna het leven laat.
Lanzmann leert ook Sartre door en door kennen. Meermalen noteert hij Sartres ijzeren wet van de onafhankelijkheid. Bij kiespijn wil hij geen beroep doen op een tandarts en altijd heeft Sartre een goedgevulde portemonnee in zijn achterzak om vooral geen beroep op iemand anders te hoeven doen. ‘De hel, dat zijn de anderen’, schrijft Lanzmann en ‘dat werd dagelijks door hem aan den lijve ervaren’.
De invloed van Sartre en Beauvoir op het leven en denken van Lanzmann kan nauwelijks worden overschat. Ze moedigen hem aan boeken en artikelen te schrijven, onderzoek te doen, nemen hem mee op hun vele reizen, sporen hem aan reportages te maken, introduceren hem bij tout Paris. Samen met hen engageert hij zich voor de onafhankelijkheid van Algerije en ontmoet  bijvoorbeeld de op Martinique geboren schrijver Frantz Fanon, die, even oud als Lanzmann, vrijwillig dienst had genomen in het Franse leger. Fanon laat hem het ware gezicht van de oorlog in Algerije zien.
Lanzmann schroomt niet kritisch naar zichzelf en zijn keuzes te kijken. Waarom heeft het zo lang geduurd voordat hij, en met hem zijn hele generatie, afstand kon nemen van het idee dat de Sovjet Unie ‘een soort hemel boven zijn hoofd’ was? Waarom kostte het zoveel tijd ‘af te rekenen met de utopie’?
Even kritisch en zoekend kijkt hij naar zijn eigen joods-zijn. In 1952, vlak na het begin van zijn liefdesgeschiedenis met Simone de Beauvoir,  reist Lanzmann voor het eerst naar Israël. De inscheping temidden van de joden voor zijn eerste reis, in 1952, ervaart hij ‘als het vertrek voor een deportatie’. In menig opzicht betekent de reis zijn eerste echte confrontatie met zijn joods zijn, waaraan hij tot dan toe geen enkele invulling heeft gegeven. Bij aankomst in Haifa berekent een taxichauffeur hem een veel te hoog bedrag. ‘Opgelicht door de joden’ luidt het commentaar in het café. Anderen karakteriseren Israël als ‘erger dan de Gestapo’. Lanzmann, ‘jood onder de joden, verloren en stuurloos’, ontmoet Ben Goerion, die hem oproept te blijven. ‘We hebben hier mannen zoals u nodig’.  Het doet Lanzmann beseffen dat hij ‘door en door Frans’ is, dat hij niets weet van de joden uit Litouwen, Bulgarije of Tsjechoslowakije. Het gevoel van ‘afgewezen zijn, verstoten en buitengeslotenheid zal Lanzmann vaker bevangen in Israël: ‘zij waren de echte joden’.
In de jaren 60, na het einde van de Algerijnse oorlog, reist Lanzmann met Sartre en Beauvoir opnieuw naar Israël, waar hij een zoektocht begint die de rest van zijn leven zal duren. Hij maakt de film Pourquoi Israël en raakt meer en meer verwijderd van Sartre en Beauvoir. Begin 1973 krijgt hij van een Israëlische vriend werkzaam op het Israëlische Ministerie van Buitenlandse Zaken het verzoek een nieuwe film te maken, ‘een film over de Shoah, geen film die er een totaalbeeld van geeft, geen film die er vanuit ons standpunt, dat van de joden, naar kijkt. Het gaat er niet om een film te maken over de Shoah, maar een film die de Shoah is’. Twaalf jaar later, in april 1985, gaat de film in Parijs in première.

De Patagonische haas. Memoires. Vertaald door Marianne Kaas. 577 blz. Arbeiderpers. Prijs € 39,95
Op 29 mei spreekt Lanzmann in de Nieuwe Kerk in Amsterdam; op 30 mei in het Maison Descartes.

De kunstenaar aan de macht – in Reykjavik


‘Kunstenaars en intellectuelen nemen de macht over’ – zo luidde de titel van het eerste debat van de 5e Assises Internationales du Roman in Lyon. Het is geen fictie: in Reykjavik, IJsland won De Beste Partij vorig jaar de verkiezingen. De partij werd in 2009 opgericht door Jón Gnarr, tot dan komiek, acteur, filmmaker en schrijver. Gnarr maakte zijn middelbare school niet af, was tuinman, chauffeur, werkte in de fabriek en is vader van 5 kinderen. Hij is sympathiek, geestig en onpeilbaar. Samen met zijn rechterhand, de voormalige rockstar en filmmaker Sigurddur Björn Blöndal, zijn campagneleider Heida Kristin Helgadóttir en de IJslandse topauteur Sjón is hij in Lyon, om aan een publiek van 500 man te vertellen hoe het hem sinds zijn verkiezing tot burgemeester, in juni vorig jaar, is vergaan.

De Beste Partij onstond uit woede over het IJslandse financiële debacle in 2008, uit verontwaardiging over de fraude, de roekeloosheid en de gewetenloosheid van de bankiers. Gnarr: ,,Het was een manier om nonsens met nonsens te beantwoorden. Ik wilde mensen die hun vertrouwen in zichzelf, in hun land verloren hadden, helpen om dat vertrouwen weer terug te vinden. De mensen dachten dat ze losers waren. Ik richtte de partij op omdat ik wilde laten zien dat iedereen een andere draai aan zijn leven kan geven, de jungle in kan gaan, een zeilreis rond de wereld kan maken, een avontuur kan beginnen.”
De Beste Partij neemt de traditionele politiek op de hak, ziet cultuur als de sleutel voor het welzijn van de bevolking, wil de humor terugbrengen in de politiek en doet alles anders. Het manifest dat ze vlak voor de verkiezingen in 2010 lanceerden bevat 14 punten. Onder het punt ‘rechtvaardigheid’ staat dat iedereen gratis naar het zwembad moet kunnen, met een kosteloos verstrekte handdoek. Onder ‘vertrouwen’ wordt vermeld dat ‘mensen in (hen) geloven alsof (ze) een bank zijn zelfs als onze partij op een illusie is gebouwd’. En bij ‘eerlijkheid’ dat ‘(ze) geen enkele van (hun) beloften zullen houden’. Een hilarisch manifest, kortom, een parodie, een utopische poging een nieuwe vorm van politiek bedrijven uit te vinden.

Hoe worden kunstenaars politici? Sjón: ,,De meeste kunstenaars hebben niets op met politiek. De geschiedenis leerst dat bij confrontaties kunstenaars altijd aan het kortste eind trekken en dat politici eindigen met een veer in hun kont. Ik was ook altijd wantrouwend op dat punt. Maar toen Jón met dit plan kwam, leek het zo eenvoudig, een mooie gelegenheid. De slogan van onze generatie is ‘het gaat niet om wat je kunt doen, maar om wat je doet’. Jón spreekt niet de taal van de politici, maar van de cultuur en de humor. Zodra we in politiek vocabulaire dreigen te vervallen, begrijpen we elkaar niet meer. Zo behouden we onze integriteit”.
Toch volgen hun kiezers de nieuwe partij kritisch. Jón Gnarr:,,Mensen begrijpen soms niet wat we doen, maar uiteindelijk zullen ze het wel begrijpen. We zijn met een schoonmaakoperatie bezig, eigenlijk zijn we werksters. Wij durven domme vragen te stellen. Ik durf het zeggen als ik iets niet begrijp. Welke politicus doet dat?”
,,Wat er in mijn leven is veranderd? Ik gebruik lipstick, verf mijn nagels en draag mijn wapen geschilderd op mijn arm”.
,,O, u wilt een serieus antwoord. We hebben de geothermische energievoorziening gereorganiseerd. Dat was het speeltje van corrupte politici, wat de stad op de rand van bankroet bracht. Wij laten die fabriek nu door deskundigen leiden. Dat werkt fantastisch. Natuurlijk is het idioot dat een anarcho-surrealist en een komiek de energieonderneming van Reykjavik redden, maar zo is het wel”.

Waar zijn de nieuwe bewindvoerders nog meer trots op? Sjön: ,,Burgers zijn, sinds wij er zijn, veel meer betrokken bij de politiek. Onze politici hebben altijd gezegd dat de problematiek zo ingewikkeld is dat alleen zij het konden begrijpen. Wij laten zien dat gewone burgers het werk kunnen doen. Gewone mensen gaan met ons in debat, zelfs als ze geen specialisten zijn op een bepaald gebied, dat is eerdere nooit gebeurd”.
Frustrerend is het wel. De andere, traditionele politieke partijen blokkeren systematisch hun voorstellen. Gnarr: ,,Ja, dat heeft me erg verbaasd. Ze willen ons frustreren, moe maken, treiteren, zodat we ermee ophouden. Maar we zijn er nog. Overal in Europa zijn er populistische bewegingen ontstaan. Alleen bij ons niet. Ik ben ervan overtuigd dat dat door onze partij komt.Wij zijn het alternatief”. Geen wonder dat ze overal worden uitgenodigd, van Dublin tot Wenen, van New York tot Lyon.
De afgelopen maanden heeft De Beste Partij zich bezig gehouden met  een reorganisatie van het onderwijssysteem, dat op veel verzet va
n de bevolking stuit. Verkapte bezuinigingen, luidt de kritiek, om economische redenen. ,,Het is een systeem dat niet werkt”, zegt Heida Kristin Helgadóttir, ,,na de crisis moet het gewoon anders, maar veranderingen nemen zo veel tijd, we bouwen een nieuwe fundering”.
En Icesave? Jón Gnarr: ,,Dat is een hele gecompliceerde situatie. De ene dag dacht ik er zus over, de andere dag zo.” Sjón: ,,Dat hele debat was eigenlijk een enorm verlies van energie, emotioneel en creatief”.
Moet IJsland lid worden van de EU? Gnarr: ,,Ik begrijp het niet helemaal. We zijn op zoek naar een goede munt en we zijn op allerlei vlakken al zo geintegreerd in de EU. Maar de EU heeft ook veel problemen. Misschien kunnen we het omdraaien: laat de EU zich bij ons aansluiten. Dat is mijn ideaal. Dan krijgen zij onze munt, de kroon”.
En hoe verklaren de kunstenaars-politici IJslands interesse voor kunst en cultuur en vooral het grote enthousiasme voor literatuur? Sjón: ,,IJsland staat in het algemeen heel positief tegenover cultuur. Eeuwenlang was cultuur het enige dat we konden produceren. IJsland was lang vreselijk arm, dat realiseren veel buitenlanders zich niet. Pas laat in de 19e kwam bijvoorbeeld het wiel naar ons land. Schrijven is de goedkoopste van de kunsten, want je hebt er bijna niets voor nodig. Als je iets doet meer dan 1000 jaar doet, word je er vanzelf goed in. De IJslanders houden van kunst en cultuur en dat was ook goed voor De Beste Partij. Iedereen die een bundel wil publiceren, een dans wil choreograferen, een cd wil opnemen kan dat doen. Alles is mogelijk. Zo wordt talent zichtbaar.  We zijn met zo weinig, in totaal maar met 300.000 mensen. Beroemdheid stelt bij ons niets voor”.  
Er zijn dezer dag geen vluchten naar Reykjavik. Jón Gnarr wil best een tijdje in Lyon blijven en er even burgemeester zijn. Van zijn publiek krijgt hij een staande ovatie.

Voor het programma van de Assises Internationales du Roman: http://air.villagillet.net/

Jean-Christophe Rufin en Al Quaida

Jean-Christophe Rufin is schrijver en essayist, lid van de Académie française, maar ook arts, politicus en racismedeskundige. Als onderhandelingsspecialist op het gebied van terrorisme en ontvoeringen slaagde hij er meermalen in gijzelaars vrij te krijgen, tijdens de Balkanoorlog bijvoorbeeld. Onlangs sprak hij zich publiekelijk uit tegen de internationale actie in Libië ter bescherming van de burgerbevolking. Gepokt en gemazeld als hij is op het vlak van humanitaire NGO’s, weet de voormalige voorman van Artsen zonder grenzen dat alleen een duidelijk politiek doel tot resultaat leidt. Bij het aantreden van Sarkozy zou er in de Franse internationale betrekkingen met Afrika een nieuwe wind gaan waaien en werd Rufin ambassadeur in Senegal. Maar er kwam geen einde aan de traditionele verhoudingen in de ‘françafrique’ en twee jaar geleden werd hij verzocht op te stappen.

Bij iedere wending in zijn professionele parcours nam Rufin afstand en zocht hij naar verdieping en nuance in de roman. In zijn autobiografie uit 2008, Un léopard sur le garrot, Chroniques d’un médecin nomade – een must voor iedere medicijnenstudent – , vertelt hij niet alleen hoe hij arts werd, maar ook hoe hij ‘als een hamster in een witte jas’ alsmaar door rende in zijn rad. Een gevangene van zijn vak was hij, jaloers op zijn patiënten die die dan wel ziek waren, maar tenminste geleefd hadden. Hij vertelt hoe hij de fameuze Bernard Kouchner ontmoette, bij Artsen zonder grenzen betrokken raakte – toen nog een onbeduidend, startend clubje idealisten – en met politiek in aanraking kwam. De jonge, hardwerkende arts ontdekte het spel van de macht, de strategie en het grote geld, gespeeld in de wereld van machthebbers die achter de schermen aan de internationale touwtjes trekken.
Om aan de realiteit te ontsnappen, ging Rufin, naast zijn essays, fictie schrijven. La liberté d’écrire verleende hem la liberté d’être, het schrijven gaf hem de vrijheid werkelijk te zijn, te leven. Zijn professionele ervaringen vonden vroeg of laat een weg in zijn romans en zo wist hij zich te bevrijden van het gevoel voortdurend een gevangene te zijn van de hectische wereld waarin hij zich bevond. Met succes. In 1997 verscheen De Abessijn, een spannende, historische avonturenroman die een bestseller werd. In 2001 kreeg Braziliaans rood, een roman over de Franse poging in de 16e eeuw Brazilië te koloniseren, een boek over tolerantie en de botsing der culturen, de prix Goncourt.  Met Globalia schreef Rufin een visionnaire, science fictionroman over de ontregeling van een globaliserende wereld.

En nu is er Katiba, de roman die hij schreef sinds hij vorige zomer zijn ambassadeurspost in Senegal verliet. Een boek ten afscheid, zou je kunnen zeggen, waarin Rufin veel draden uit zijn enorme kennis over Noord-Afrika, en de Sahel in het bijzonder, bij elkaar brengt. Het is een avonturen- en spionageroman, een verontrustend boek over Al Quaida én over verscheurde identiteiten. Juist die internationale, onzichtbare touwtjes achter de schermen brengt Rufin in kaart. In de voetstappen van Robert Ludlum en John Le Carré voert Rufin politieke machthebbers ten tonele, verliefde dubbelspionnen, Algerijnse inlichtingendiensten en wapenhandelaren die het vuurtje van het terrorisme aanwakkeren. Maar ook een privé- inlichtingenbureau in Johannesburg speelt een rol, een lange arm vanuit Dakar, een undercover operatie in Brussel. Achter de schermen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Parijs wordt er op los gemanipuleerd. Het draait allemaal om dubieuze gebeurtenissen in ‘de gevangenis van de immense ruimten’, de Sahara. Die is helemaal niet leeg, maar zit vol met ‘katiba’s’, zoals militaire kampen van de islamistische jihadstrijders in Noord-Afrika worden genoemd. De woestijn wordt doorkruist door drugs- en mensenhandelaren. Islamisten van Al Quaida, voorzien van de meest geavanceerde communicatiemiddelen, ontvoeren Europeanen, spelen clans tegen elkaar uit en zetten dekmantels op voor terroristische aanslagen.   
We moeten ons afvragen of we Al Quaida wel goed inschatten, houdt Rufin ons voor. In hoeverre is Al Quaida in staat om ook in Europa, vlakbij, toe te slaan? Hoe komt het dat jihadstrijders zo vaak jonge artsen of onderwijzers zijn? Indirect beantwoordt Rufin deze vragen. Katiba is daarom niet alleen spannend, maar ook indrukwekkend en betekenisvol. Rufin is namelijk iemand die wel fictie schrijft, maar verdomd goed weet hoe de non-fictie in elkaar zit. Vertalen, dit boek!

Jean-Christophe Rufin: Katiba. Flammarion. Prijs € 20

Emmanuel Carrère over 'Andere levens dan het mijne'

In zijn lichte appartement vlakbij het Gare du Nord in Parijs zet Emmanuel Carrère koffie, neemt een pakje aan, fluit een deuntje, verwelkomt de werkster. Ontspannen, op zijn gemak, vrolijk – dit is een man die goed in zijn vel zit, die zijn leven op orde heeft, die weet waar hij staat in de wereld. 

Toch is dit de schrijver van De sneeuwklas (1995), Op drift (1986) en De tegenstander (2000), romans uit een universum van moord, geweld en waanzin, waarin de werkelijkheid het gezicht krijgt van een nachtmerrie. Het zijn romans waar je klamme handen van krijgt, omdat er dreiging en onheil wordt gesuggereerd, maar zelden uitgelegd. Waar zijn fascinatie voor duisternis en tragische levensverhalen vandaan kwam, onderzocht Carrère in Een Russische roman (2007): het bleek verband te houden met de verzwegen verdwijning van zijn grootvader, een  Georgische emigrant die na de bevrijding, in 1944, was geëxecuteerd voor collaboratie. In zijn boek maakte Carrere dit familiegeheim openbaar, rekende hij en plein public af met zijn beroemde moeder, de historica Hélène Carrère d’Encausse, en zette hij ook zijn toenmalige vriendin liefdeloos te kijk. Hij doorbrak een familietaboe, bevrijdde zich zo van zijn demonen en maakte de lezer deelgenoot van die worsteling.
Sindsdien is er ruimte in zijn hoofd en in zijn leven, nu kan hij met aandacht naar anderen kijken, naar ‘Andere levens dan het mijne’ , dat niet voor niets de titel is van zijn recentste roman. Carrère: ,,In Een Russische roman heb ik mij van een neurose bevrijd, van een enorme last die op mij drukte. Nu ben ik die kwijt, nu ben ik vrij, nu kan ik me openstellen”.
In zijn nieuwe boek beschrijft hij twee gebeurtenissen in het leven van anderen, die hij van nabij meemaakt. Het ene is de dood van zijn schoonzus, die sterft aan kanker en een man en drie jonge dochters achterlaat; het andere is de tsunami die Sri Lanka trof in 2004. Vrienden verloren daarbij hun vierjarige dochter.

Hoe beleeft u de beelden van de tsunami in Japan en de gevolgen daarvan?
Zoals iedereen ben ik daar enorm door geraakt. Meer nog natuurlijk door de nucleaire catastrofe, daar zijn we zelf verantwoordelijk voor. Toen mijn vrouw en ik de tsunami in Sri Lanka meemaakten, dacht ik er geen seconde aan daar een boek over te schrijven. Ook niet in de jaren daarna. Pas na de dood van mijn schoonzus en de ontmoeting met een collega van
haar, een rechter, die ons over haar vertelde, diende het onderwerp zich aan, vreemd genoeg. Ik dacht dat ik niets meer wist van de tsunami, ik had nooit aantekeningen gemaakt. Toen we er eenmaal wegwaren hadden we er nooit meer een woord aan gewijd, het was té verschrikkelijk geweest.  Uiteindelijk hebben we gezamenlijk, mijn vrouw, mijn zoon en ik, uur voor uur, ons verblijf daar gereconstrueerd. Alle vijf dagen. Het was een afschuwelijk proces, het is iets wat je je gewoon niet wílt herinneren.
Valt de ik-verteller in het boek samen met de auteursnaam op de boekomslag? Gaat het, met andere woorden, om autobiografie?
De ik in het boek ben ikzelf, laat ik daar niet ambigu over zijn. Het is geen roman, maar een récit (verhaal). Het is wel autobiografisch, maar ik vorm zelf niet het hart van het boek, het gaat niet om mijn leven. Ik ben een subjectieve getuige. Mijn boeken, sinds De tegenstander, behoren tot het romaneske, maar ze zijn niet verzonnen.
Uw vorige boeken heeft u geschreven tegen de wil van uw hoofdpersonen. De man die zijn hele gezin heeft uitgemoord, onderwerp van De tegenstander, legt u uw boek niet voor. In Een Russische roman gaat u tegen de uitdrukkelijke wens van uw moeder in. Voor dit boek was het tegenovergestelde het geval.
Ik hoop dat ik nooit meer een boek als Een Russische roman hoef te schrijven. Ik heb een wet overtreden, ik heb met mijn boek mijn naasten gekwetst. Ik heb ze voor een fait accompli gezet, conflicten uitgelokt. Voor mijn privéleven, voor de mensen in mijn omgeving was het desastreus. Maar voor mij persoonlijk was het heel heilzaam. Ik hoop dat ik nooit meer een reden krijg om die wet nogmaals te overtreden. Voor dit boek was de situatie heel anders. Na de dood van mijn schoonzus, Juliette, nodigde Etienne, een collega-rechter, de hele familie uit bij hem thuis. Juliette liep op krukken, hemzelf was een been afgezet, beiden leden ze aan kanker die hun leven verpest had. Etienne vertelde twee uur lang over hun juridische samenwerking, hun gemeenschappelijke overwinningen, hun band, hun strijd. Het was een rare mengelmoes van dingen. Aan het einde van zijn monoloog zei hij: dit is een onderwerp voor u. Het was alsof ik een opdracht kreeg. Het was heerlijk om een boek te schrijven waarbij ik me moreel comfortabel voelde. Dit keer heb ik iedereen het manuscript voorgelegd voordat ik het publiceerde.
Die rechter, Etienne, was uw motor voor dit boek. Hij had het specifiek over ‘de eerste nacht’, de nacht die volgde op de dag dat hij te horen kreeg dat hij kanker had, een nacht van  ‘de totale ontreddering’, ‘de totale oorlog’.
Etienne had 1984 van George Orwell gelezen. Het beeld van de rat die de ogen van de hoofdpersoon opeet achtervolgde hem. Alleen verslindt de rat hem van binnenuit. Hij vertelde dat hij de kankercellen niet beschouwde als een vreemd lichaam, zoals die rat. Dat ze bíj hem hoorden. Ik begreep niet precies wat hij bedoelde. Maar ikzelf had sinds mijn kindertijd een vergelijkbare fobie, het gevoel dat er een vos van binnen aan mij vrat.
U schrijft dat u uw pijn hebt omgezet in boeken in plaats van in uitzaaiingen. U bent geschokt door mensen die zeggen dat de mens vrij is. Gaat u ervan uit dat kanker psychosomatisch is?
Ik presenteer dat niet als waarheid, het is een vraag die je niet kunt beantwoorden, er is geen bewijs. Ik hoor tot degenen die ertoe neigen de psychosomatische hypothese te onderschrijven. Dat zegt iets over mij, niet over kanker. Wat dat zegt? De mens heeft een bepaalde vrijheid en we streven ernaar die zoveel mogelijk te vergroten. Geluk is geen keuze, er zijn mensen die als verdoemden worden geboren.  Er zijn mensen die materieel of affectief of psychisch in de ellende zitten. Vaak is de basis dan beschadigd. Zeggen dat depressie een kwestie van luiheid is, schokt me. Er zijn sociale, psychologische determinismen. Paradoxaal genoeg is het zo dat hoe meer je ziet dat je gedetermineerd bent, hoe meer je ruimte krijgt om je daarvan te bevrijden.
En u doet dat door het schrijven.
Ja, als je je determinismen in woorden vat, als je je eigen gevangenis beschrijft, dan begin je je daarvan te bevrijden.
In uw boek stelt u ook de vraag wat een leven tot een succes maakt.
Het antwoord van dit boek is: liefde. Het is geen triest boek, al gaat het over treurige zaken. Het gaat over de mogelijkheid tot het aangaan van een verbintenis, een band tussen mensen. Het heeft mij veel tijd gekost dat te ontdekken. Hier werd iets mogelijk. Doordat ik in mijn vorige boek al het achterstallige onderhoud had gedaan, alle ballast overboord had gegooid, heb ik mijn grote liefde ontmoet. Dat vertel ik in het boek. Mijn liefdesleven is altijd ongelofelijk chaotisch geweest en ik ben heel blij dat dat sinds een paar jaar stabiel is. Nee, je moet dit boek niet lezen als een ode aan de trouw. Als je al te zeker bent van je bestaan, laat het leven je snel zien dat je je vergist, neem dat maar van mij aan.
Wat is uw antwoord op de vraag wat het leven tot een geslaagd leven maakt?
Ik heb net de hand gelegd aan een nieuw boek over Limonov, een geëmigreerde Russische schrijver die ik in de jaren 80 in Parijs heb ontmoet. Het is een boef, ooit een undergroundster in de Oekraïne. Hij emigreerde naar New York, was clochard en miljardair, verdween in de Balkanoorlog, richtte een fascistische militie op, verdween in Rusland in de gevangenis en wordt nu ineens als een held van de democratische strijd gezien. Een avonturier met een bizar leven. Hij heeft zijn hele leven naar roem gestreefd, hij wilde een held worden. Mijn droom was ook altijd om beroemd te worden. Nu heb ik dat minder. Ik weet niet of dat komt omdat
ik al een zekere bekendheid geniet of omdat ik voortgang boek op het pad van de wijsheid. In meer algemene zin moet je proberen vrij te zijn, je te bevrijden van wat je visie beperkt, zodat je beter begrip krijgt van de wereld waarin je leeft. Je moet je ego wat inperken, je ‘ik’ een beetje bijschaven. Dat kan zin geven aan het leven.

Emmanuel Carrère: Andere levens dan het mijne. Vertaald door Floor Borsboom. Arbeiderspers. 239 blz. Prijs € 21,95