Witte nachten tussen kerst en nieuwjaar

Was André Aciman een schilder geweest, dan een pointillist. U weet wel, een eind negentiende-eeuwse schilder zoals George Seurat of Camille Pisarro, die doeken vult met minuscule stippen, nauwgezet en vlak naast elkaar aangebracht. Ze zijn vaak geschilderd in lichte, felle kleuren die het waarnemend menselijk oog door elkaar laat lopen. Ze hebben een zoetige, onschuldige glans, stralen naïviteit en verstilling uit en verbeelden een universum dat verfijnd, analytisch maar o zo artificieel en wereldvreem overkomt.

Zo is ook de wereld die de Amerikaanse schrijver en literatuurwetenschapper André Aciman oproept in zijn roman Witte nachten. Een man en een vrouw ontmoeten elkaar op een feestje voor de superrijken, in een appartement op Manhattan. Het is kerstavond, de vonk slaat over, het verleidingsspel van aantrekken en afstoten begint. De man is onzeker, wijfelend, iemand van het enerzijds en anderzijds, de vrouw is grillig, scherp van de tongriem gesneden, erop uit anderen te intrigeren en ze vervolgens belachelijk te maken, een onsympathiek type. Het pijnlijke spel tussen die twee vat Aciman in zeven nachten, in 377 bladzijden. Zijn nachten verwijzen naar een liefdesverhaal van Dostoïevski over de onvervulde liefde tussen twee jongen mensen in St. Petersburg, de stad waarmee Acimans hoofdpersonen hun besneeuwde New York  vergelijken. ‘We praatten over de man uit de novelle van Dostojevski die een vrouw ontmoet op een rivierkade en gedurende vier witte nachten waanzinnig verliefd op haar is’.
Wat er gezegd wordt en hoe, onder welke hoek het licht invalt, houdingen, gebaren, blikken, toonhoogten – we lezen het allemaal vanuit het gezichtspunt van de man. Hij analyseert wat de vrouw zegt, hoe ze het zegt, geeft er betekenis aan, twijfelt, geeft er een andere duiding aan, adoreert, beredeneert, fantaseert. ‘We praatten over de langste nacht van het jaar, en de kortste, en het verschijnsel dat heel veel dingen, zelfs als ze binnenstebuiten worden gekeerd en opnieuw in elkaar worden gevlochten als een band van Möbius, uiteindelijk hetzelfde blijken te zijn’. Dat is wat hij wil: zich in haar herkennen, haar wederhelft zijn, hetzelfde zijn als zij, versmelten met haar. Alle details worden heel precies geobserveerd en even nauwkeurig in woorden gevangen, de eerste ontmoeting wordt gevat in niet minder dan 100 bladzijden. ‘Jij bent net zoals ik. Overal gebutst. Net als deze borden. Joodse borden. Ze grijnsde’.
Over het hele boek hangt de schaduw van Marcel Proust, in de vorm (lange zinnen, metaforen, monologue intérieur), maar ook in de sensibiliteit (onderdrukt verlangen, suggestie, stil lijden, interpretatie van gebaren, blikken). De in Alexandrië geboren Aciman is een kenner van Franse zeventiende eeuwse literatuur, promoveerde op Madame de Lafayette en publiceerde een interviewboek over Op zoek naar de verloren tijd. In New York doceert hij psychologische romananalyse en ook dat past in het plaatje, net als zijn voorkeur voor films van Eric Röhmer, van wie zijn personages er iedere dag een gaan zien.
De fascinatie van zijn mannelijke hoofdpersoon voor de vrouw, Clara, krijgt in de loop van de roman obsessieve trekken. Hij denkt aan niets en niemand anders meer. Ze ontwikkelen samen een eigen taaltje, dat voortkomt uit woordspelletjes, plagerige dialogen en gemeenschappelijke associaties. Hij leeft meer en meer in die fictieve taalkundige wereld, waarin woorden als Printz, Phildonka, amfibalent, anderlingen, signor Pimello, télyfön en Visjnoekrisjnoe-Vindaloe betekenissen hebben die alleen door hen beiden (en door de lezer) begrepen kunnen worden.
In zijn hoofd verwoordt de verteller dialogen die ofwel hebben plaatsgevonden en in zijn herinnering opnieuw worden beleefd, ofwel gesprekken die hij zich voorstelt, maar niet in werkelijkheid hebben plaatsgevonden. Vervolgens stelt hij zich voor wat zij zou hebben gezegd, of niet, en verbindt daar allerlei verwachtingen of juist desillusies aan. Wat als, hoe moet, als zij, ik zou, ik wilde – in deze voorwaardelijke tijd spelen zijn gedachten zich voornamelijk af. Acimans portret van een wanhopig verliefd persoon en de manier waarop hij de tijd beleeft is technisch, analytisch, taalkundig helemaal perfect.
Maar wat doet het de lezer? Gaat die mee in al die twijfel en overpeinzingen over ‘het leven dat er bijna is, het leven waar we de hele tijd naar staren en waarvan we zijn gaan geloven dat het alleen maar bedoeld is om te worden bekeken, niet om te worden geleefd, het leven dat nooit werkelijkheid wordt omdat het, zonder dat wij dat weten, het land der levenden is dat vanaf de oever der doden wordt bekeken? ‘ Wil de lezer al die verfijnde associaties volgen als het gaat om ‘het op rood en dan weer op groen springen’,  de ‘angst voor de begeerte’, de Sarabande van Händel of de prelude van Bach-Siloti? Als lezer hebben we moeite ons voor te stellen dat het hier gaat om de gedachten en angsten van een 28-jarige. Terwijl we bijvoorbeeld meegaan in de chirurgische psychologische precisie van een verwant auteur, de Deen Jens Christian Grøndahl, accepteren we de psychologie op de milimeter van Aciman niet. We zetten vraagtekens, struikelen over personages waarmee we maar geen band krijgen, het kunstmatige karakter van de roman dringt zich steeds meer op.
We komen tenslotte nauwelijks iets te weten van de hoofdpersonen, van hun werk, hun vrienden of familie. Ze leven in zorgeloze luxe, in een minuscuul universum dat de realiteit, de harde rest van de wereld heeft buitengesloten, op een helverlicht, kleurig eiland waarin alleen zijzelf tellen. Het is een roman, kortom, als een Pisarro of een Seurat, losgezongen van de werkelijkheid, heel precies geschetst in pasteltinten die wel verleidelijk lijken, maar ons uiteindelijk niet werkelijk raken.

André Aciman: Witte nachten. Vertaald door Wim Scherpenisse en Jan de Nijs. Anthos. 377 blz, prijs € 19,9
5