Over het debuut van Emma Doude van Troostwijk

Het is een unicum: een van origine Nederlandse debutante, opgegroeid in Frankrijk, die een roman publiceert bij de prestigieuze uitgeverij Editions de Minuit. Dat ze er ook een paar literaire prijzen voor kreeg is eigenlijk minder bijzonder. Wie bij Editions de Minuit publiceert – witte cover, blauwe letters, sterretje in het midden – staat in een uitzonderlijke literaire traditie. De auteurs van de roemruchte nouveau roman maakten het uitgevershuis, dat tijdens de Duitse bezetting werd opgericht, beroemd. Samuel Beckett en Alain Robbe-Grillet publiceerden er, Marguerite Duras en Nathalie Sarraute, recenter Julia Deck en Goncourtwinnaar Laurent Mauvignier. En nu de zesentwintigjarige Emma Doude van Troostwijk.
Haar roman gaat over een predikantengezin dat een pastorie bewoont in een dorp in de Elzas. Vader en moeder zijn dominee, opa en oma wonen onder hetzelfde dak, de zoon maakt zich op om ook predikant te worden. De dochter, tevens vertelster, is elders een toneelopleiding gaan volgen, heeft net audities achter de rug en komt voor een paar weken terug naar huis. Opa lijdt aan alzheimer, herkent zijn kleindochter soms wel en soms niet. Ook haar vader, die een burnout heeft, kampt met geheugenproblemen, en haar broer heeft gegronde twijfels over zijn beroepskeuze. Hoewel deze paar zinnen vertellen in welk milieu je als lezer terechtkomt, zeggen ze in wezen nog niets over het boek, noch over je leeservaring.

Het gaat hier niet om de plot, om de intrige, ook al zit die er wel degelijk in. De roman bestaat uit een reeks korte teksten, ogenblikken uit het nu afgewisseld met brokken herinnering, die als het ware met elkaar in dialoog gaan. Als de vertelster aan het begin van het boek de weg naar de pastorie oploopt, ziet ze de klimop op de pastorie, de glanshaver, de kersenboom uit haar jeugd, ze ruikt houtvuur en goedkope wijn. Haar grootvader, in zijn schommelstoel, steekt zijn hand naar haar uit en zegt, aangenaam kennis te maken, mevrouw.

De vorm van de roman lijkt een hedendaagse, originele echo van het bekendste boek van Nathalie Sarraute, Kindertijd (Enfance, 1983). Ook Sarraute vertelde geen verhaal, haar boek was geen autobiografie in de gangbare zin des woords, het was een mozaïek van momenten, herinneringen in beweging – schitterend fijnzinnig weergegeven. Sarraute, microchirurg van het gevoel, onderzocht in taal de innerlijke menselijke ervaring. Ook Van Troostwijk observeert, schrijft zintuiglijk. Ze suggereert, is in staat tussen de regels door meer te zeggen dan in die regels zelf. In het leven van alledag, in het huis clos van die pastorie, zit een hele onuitgesproken wereld besloten.

Lees verder:

https://www.nrc.nl/nieuws/2026/02/09/emma-doude-van-trooswijk-schreef-een-droomdebuut-over-het-leven-in-een-pastorie-a4919242

Wat beoogt Edouard Louis met zijn literatuur?

Wat vermag de literatuur? Het is een vraag die steeds opnieuw actueel is. In zijn recente interviewboek Que faire de la littérature? Méditations et manifeste geeft de Franse schrijver Édouard Louis zijn visie op wat literatuur volgens hem moet en kan zijn. Al na het verschijnen van zijn debuutroman Weg met Eddy Bellgueule in 2014 vertelde hij dat hij schreef om zich te wreken op zijn jeugd. Die was gewelddadig geweest, hij was gepest en uitgescholden, had zich vernederd en verstikt gevoeld. Als ze hem op school in zijn gezicht spuugden, dacht hij bij zichzelf: dit zal ik ooit opschrijven, het zal mijn wraak zijn.
En zo geschiedde. Woede werd zijn motor. Sindsdien publiceerde hij romans, essays en toneelstukken, veelal over zijn familie, verschenen er wereldwijd vertalingen en werd Louis een literaire wereldster. Machtsmechanismen, onderdrukking en geweld zijn zijn thema’s, evenals klassenverschil en ongelijkheid. Zelf werd hij een zogenaamde ‘transfuge de classe’; hij ontworstelde zich aan de arbeidersklasse en behoort nu tot de intellectuele internationale kunstscène. Kritiek was er ook: Louis zou geen Literatuur met een grote L schrijven, hij zette de arbeidersklasse in al zijn armoede te kijk en zo erg als hij het opschreef kón het niet zijn.
In het recent verschenen interviewboek verwoordt Louis zijn standpunten over literatuur in een gesprek met literair critica Mary Kairidi. Het is een rijk, levendig boek, waarin Louis uitlegt wat hem beweegt, wat hij met literatuur wil en beoogt. Dat het ook een tikje chaotisch is, komt doordat hij koos voor de vorm van een gesprek. Hij wil zijn lezers in het hart raken en zijn fundamentele gemoedstoestand, droefenis, met ons delen. Emoties wil hij oproepen – en daar leent een theoretisch essay zich niet voor.

Dat is ook meteen zijn eerste statement: de academische wereld en de literaire kritiek minachten literatuur waarin gevoelens worden geuit – en dat is verwerpelijk. En toutes lettres uitgeschreven emotie wordt er gezien als vulgair, gemakkelijk, larmoyant, de norm is koel en ingetogen. Een auteur wordt geacht zonder pathos te schrijven, gevoel te suggereren, te impliceren. Zelfs Louis’ grote voorbeeld Sartre was die mening toegedaan. Maar waarom eigenlijk, vraagt hij zich af? Als je uit een gezin komt waarin je vader op zijn vijftigste niet meer kon lopen vanwege zijn werk in de fabriek en je broer op zijn achtendertigste doodging aan alcoholverslaving, dan kun je niet anders dan een boek schrijven dat de lezer tranen ontlokt.  „Anders verraad ik die levens, dan maak ik ze onzichtbaar”.

Louis staat dus een ander soort literatuur voor ogen, een politieke literatuur die het expliciete omarmt: een ‘littérature de confrontation’, die de lezer direct en voluit confronteert met de lelijkheid en het kwaad van de wereld. De lezer mag niet wegkijken, dat doet hij al vaak genoeg als hij langs een dakloze loopt of door een verwaarloosde buitenwijk rijdt. Louis laat zijn lezer niet vrij, hij dwingt hem te kijken naar wat hij wel weet, maar niet wil zien. Daarom begint Louis zijn roman Ze hebben mijn vader vermoord bijvoorbeeld met het verhaal over een vader en een zoon, waarmee de lezer zich gemakkelijk identificeert. En „als ik de lezer te pakken heb, confronteer ik hem met een veel moeilijker te accepteren onderwerp: de politiek als moordsysteem”. Louis beschouwt het lezen van een boek dan ook niet als een samenwerking tussen schrijver en lezer, maar als „een strijd van de auteur tegen de lezer”.

https://www.nrc.nl/nieuws/2026/02/04/edouard-louis-wil-ultra-intieme-literatuur-die-je-voluit-confronteert-met-het-kwaad-van-de-wereld-a4917521

Interview met Goncourtwinnaar Kamel Daoud

Bevlogen en welbespraakt is hij, zijn ogen boren zich voortdurend in de mijne. Pas na ruim een uur schuift hij zijn stoel wat achteruit. Sinds de Frans-Algerijnse schrijver Kamel Daoud (1970) vorig jaar de Prix Goncourt kreeg voor zijn indrukwekkende roman Houris, werden zijn boeken in Algerije verboden, werd hijzelf uitgescholden, bedreigd, aangeklaagd en verhuisde hij naar Frankrijk.

De vertelster van de bekroonde roman is de zesentwintigjarige Aube, die als meisje tijdens de Algerijnse burgeroorlog, in de jaren negentig, door fundamentalistische islamisten werd gekeeld. Ze sneden haar stembanden door, ze heeft het ternauwernood overleefd. Het litteken op haar hals heeft de vorm van een zeventien centimeter lange glimlach, ze ademt door een plastic buisje. Aube is het levende bewijs van die burgeroorlog, waarbij islamisten bloedbaden onder de bevolking aanrichtten. Het is een oorlog die in Algerije doodgezwegen moet worden; een wetsartikel, opgenomen voorin de roman, bepaalt dat iedereen die deze ‘nationale tragedie’ benoemt zal worden gestraft.

„Ik heb mijn vertelster Aube genoemd”, Frans voor ‘dageraad’, vertelt Daoud in de gele salon van uitgeverij Gallimard in Parijs, „omdat de terroristen vaak op dat moment van de dag opdoken om te doden. Het is net geen nacht meer en ook nog geen dag. Het is het ogenblik waarop roofdieren aanvallen. Aube is zelf niet helemaal dood en ook niet echt levend.”

In Houris laat Daoud zijn vertelster spreken tot haar nog ongeboren kind. Het is een innerlijke monoloog, waarin ze zich afvraagt of ze haar kind, waarvan ze vermoedt dat het een meisje is, wel op de wereld wil zetten. Wat heeft een meisje te zoeken in een land waar vrouwen worden onderdrukt, geslagen, gedood? Ze heeft de pillen al klaarliggen.

De vertelster spreekt haar ongeboren dochter met ‘Lieve Houri’ aan. Houris is de titel van uw roman. U gebruikt het woord op twee verschillende manieren.

„Jihadisten wordt tweeënzeventig maagden, ‘houris’, beloofd in het paradijs. Religieuze metaliteratuur uit de twaalfde eeuw bepaalde dat seksualiteit van plek moest verschuiven. In plaats van tijdens je leven te verlangen naar vrouwen, hun schoonheid te bewonderen, hen te beminnen, moest je wachten tot na je dood. Op aarde zijn vrouwen monsters die je achter een sluier moet begraven. De islamisten hebben het woord ‘houri’ gestolen. Ik wilde me die term weer toeëigenen. Ik ben schrijver, de woorden behoren mij toe. Dus ik laat Aube het woord gebruiken als liefkozing, een mix van tederheid, schoonheid en verzet.”

Op het lichaam van Aube valt de geschiedenis niet uit te wissen, schrijft u. Al vanaf Moussa of de dood van een Arabier (2013) keert u zich tegen het uitvlakken van ongewenste stemmen.

„Literatuur laat zien wat men wil verzwijgen. Als een land, een volk, een persoon, zijn geschiedenis wil verdonkeremanen, dan neemt de waarheid zijn toevlucht tot de literatuur. Dan is de roman de enige plek waar je het lijden en de pijn kunt laten zien. Voor mij zijn schrijverschap, literatuur en het begrip ‘uitwissen’ met elkaar verbonden. De vrijheid van de schrijver is fundamenteel. Als je de schrijver zijn vrijheid ontneemt, dan geef je ook die van de burger, van de lezer op. Een dictator probeert dingen uit te wissen. Een kunstenaar, een schrijver, probeert die te behouden, er rekenschap van te geven. Dat geldt voor mij des te meer, omdat ik uit een land kom waar er een wet voor uitwissen is. Er is een wet die ons verbiedt te spreken. Ik mag niet zeggen wat ik heb meegemaakt.”

Lees verder:

https://www.nrc.nl/nieuws/2025/12/02/schrijver-kamel-daoud-literatuur-laat-zien-wat-men-wil-verzwijgen-a4910816

Over Hé goedemorgen, hoe gaat het? van Martina Hefter

Juno oefent voor haar rol in een ballet, ze staat voor de barre, voor de spiegel en voelt zich „een wiegende berk”. Ze spant de spieren in haar lichaam aan en „begint te vliegen”. Het ballet waar ze voor oefent vertelt geen verhaal, het zijn vier vrouwen die samen dansen, ze vormen vierkanten, cirkels en diagonalen, als planeten die net niet op elkaar botsen.

Juno en Jupiter heet het duo waar de roman om draait. Juno is danseres en performancekunstenaar, Jupiter is schrijver en lijdt aan multiple sclerose. Al zo’n vijftien jaar verzorgt Juno haar man, die zonder hulp nauwelijks meer uit zijn bed kan komen. In september koopt ze kerstspeculaasjes voor hem in de supermarkt. Dan kijken jonge vrouwen haar spottend aan: daar heb je weer zo’n oudere vrouw die stomme winterkoekjes aanschaft als de zomer nog nauwelijks ten einde is.

In de Romeinse mythologie is Juno de godin van het huwelijk, beschermster van de vrouw, geassocieerd met jeugdigheid, de godin die waarschuwt. Bij Hefter is Juno halverwege de vijftig en heeft ze het best moeilijk met het ouder worden. Tatoeages moeten haar angst bezweren. ‘Normaal’ was ze nooit, er huizen wel honderd demonen in haar. Ze zoekt rust en oneindigheid in boeken over sterrenstelsels en sterrenbeelden.

https://www.nrc.nl/nieuws/2025/06/04/alleen-op-het-podium-speelt-ze-geen-toneel-a4895799

Over Een zonnige plek voor sombere mensen van Mariana Enriquez

Drie hulpverleners van een ngo delen op een avond maaltijden en dekens uit aan daklozen, in een stad die lijkt op Buenos Aires. Als ze na gedane arbeid op het punt staan weg te rijden, kloppen twee jongens op de ruit van hun busje. Ze willen mee. Maar hun ogen zijn stil, zwart, dood, „ze zijn slecht, ze waren het Kwaad.” Als vliegensvlugge spinnen rennen ze, ‘de platte billen naar boven’ op handen en voeten achter het wegrijdende busje aan. De vertelster wordt bevangen door doodsangst, ze voelt de kilheid van een grafkelder opstijgen, ziet bloed dat een bed roodkleurt en de „waanzin in de ogen van iemand die zich over enkele seconden zal ophangen.” En ja, een paar pagina’s verder rent een man een huis uit, met kloppende aderen, wilde ogen, ‘een stem als laag geloei’, zijn voetstappen zijn plakkerig ‘alsof hij over gemorste Coca-Cola was gelopen’.
Dit verhaal uit de bundel Een zonnige plek voor sombere mensen van Mariana Enriquez doet denken aan dat van vrachtrijder Joop in De wegen der verbeelding van Hella S. Haasse, die ook een kei was in het schrijven van gothic en horrorverhalen. Joop neemt twee jonge jongens mee, lifters, wier ogen hij niet kan zien omdat ze de hele reis hun motorhelmen ophouden. Ook hier trilt de angst van de pagina’s.
Zwarte, bewegingloze ogen zonder pupil, iris of oogwit – het zijn in deze verhalen voorbodes van de dood, de aankondiging van gruwel en geweld. In de Zuid-Amerikaanse literatuur van nu is dat geweld vooral gericht tegen meisjes en jonge vrouwen. Daarover schrijven vrouwelijke auteurs dan ook, op duizend verschillende manieren, of ze nu geboren zijn in Chili, Mexico, Peru of Argentinië. Ze lezen elkaars werk, inspireren en bemoedigen elkaar, zei de Argentijnse Selva Almada onlangs nog op een festival in Nantes. Ook hun boeken lijken met elkaar te spreken.

De plek die Mariana Enriquez inneemt in dat daadkrachtige literaire netwerk is een van de prominentste. Geboren in 1973 in Buenos Aires, is ze als adolescent gevormd door de verhalen over de ontdekking van de gruwelijke misdaden van de Argentijnse militaire junta in de jaren ’70 en ’80. Marteling, politiegeweld, de vele verdwijningen – ze hebben Enriquez’ generatie en die na haar voorgoed gebrandmerkt. De spookverhalen die haar grootmoeder haar vertelde scherpten haar verbeelding en wakkerden haar angsten aan. Haar leesboulimie en haar voorliefde voor auteurs als Stephen King, de Bröntes en H.P. Lovecraft deden de rest.

Met Enriquez belanden we in een wereld die realistisch lijkt, maar waarin tegelijkertijd geestverschijningen tussen de levenden wonen, waarin halfvergane gezichten opduiken en een dode kat zomaar om een nek met parelketting kan worden gedrapeerd. Lichamen zijn verminkt en onherkenbaar verrot, net zoals die van de verdwenen Argentijnen. De geschiedenis van het land met al zijn horror is getransformeerd tot een angstaanjagende achtergrond in het dagelijks leven van Enriquez’ personages. De herinnering sijpelt door.

Enriquez’ personages zijn vaak vrouwen, meisjes, moeders of grootmoeders, die ze situeert in arme buitenwijken, waar ze zelf is opgegroeid. Zo iemand is de visagiste uit het verhaal ‘De vrouw die lijdt’. Ze krijgt berichten op haar antwoordapparaat gericht aan een vrouw die chemotherapie krijgt, ziet in de spiegel van haar kamer een huilende jongeman, hoort kreten van pijn en voelt naast zich in bed een rubberachtige huid. Uiteindelijk pakt ze haar koffers: in haar huis moet wel een vrouw aan het sterven zijn en die wil ze niet in de weg zitten.

https://www.nrc.nl/nieuws/2025/05/22/zwarte-ogen-als-voorbode-van-de-dood-a4894273

Over Een clandestien leven van Monica Sabolo

Op 13 december 1978 wordt, bij een transactie rond een gestolen schilderij, een lid van Action Directe opgepakt, de extreem-linkse terroristische organisatie die in die jaren de ene na de andere aanslag pleegde. Het gestolen schilderij is De goochelaar van Jeroen Bosch. Op het schilderij wordt balletje balletje gespeeld, omstanders kijken vol ongeloof toe. Iemand steelt een portemonnee, er komen kikkers uit de mond van de bestolene, er zit een uiltje in een mand, elders een ooievaar. Het is een metafoor voor de raadselachtige sfeer die je in het hele boek aantreft: die is zoekend, schimmig, geheimzinnig, soms naïef en je raakt er volledig door gefascineerd.

Dat blijkt een verkeerde inschatting. Naarmate ze zich meer verdiept in de geschiedenis van de guerilla-organisatie en in het leven van de twee jonge vrouwen die er het hart van vormden, komen parallel herinneringen uit haar eigen jeugd naar boven. Ze herkent de woede van die jonge activiste in haar zwarte trui. Ze lijkt op haarzelf. Waarom woonde Sabolo eigenlijk begin jaren zeventig in Milaan met haar moeder, op het moment dat de Rode Brigades aanslagen pleegden? Waarom staat er op haar geboortebewijs ‘vader onbekend’ en wie was Alessandro F. die volgens haar moeder haar biologische vader is?

De revolutie van mei ’68 in Frankrijk veroorzaakt onrust, stakingen, slaat over naar Italië en de rest van Europa. Haar moeder trouwt, haar stiefvader neemt hen mee naar Genève, waar hij zegt te werken voor het International Labour Office. Ondertussen leeft hij op onwaarschijnlijk grote voet en reist hij vaak door Afrika. Als hij thuis is komt hij naast haar zitten, voor het aquarium, en dwingt hij haar benen uit elkaar. Haar biologische vader, haar stiefvader, haar moeder – ze leiden duistere dubbellevens en houden zich bezig met louche zaken. Geen wonder dat de vertelster op zoek is naar een andere familie waar ze zich thuis voelt.

https://www.nrc.nl/nieuws/2025/05/15/monica-sabolo-schreef-een-geslaagde-mix-van-literatuur-avontuur-en-memoir-a4893454

De Albert Speer van Noël Orengo

In de herfst van 1933 nodigt Hitler Albert Speer uit voor de lunch. De architect werkt al weken aan de renovatie van de ambtswoning van de rijkskanselier. Hitler komt vaak kijken, maar heeft nog nooit het woord tot hem gericht. De architect is aan het werk en niet gekleed voor een middagmaal met de leider, dus leent die hem een van zijn eigen jasjes, voorzien van een gouden speld in de vorm van een adelaar met het hakenkruis tussen zijn klauwen – eigenlijk mag niemand anders dan de Führer zelf zo’n jasje dragen.

Bij de lunch blijkt de leider diep onder de indruk van Speers architectonische vaardigheden en organisatietalent. Ze praten over film, architectuur, tekenen, kunst. Politiek beschouwt de leider als een van de schone kunsten. Hij keurt de andere gasten geen blik waardig. Het lijkt wel een eerste date, zo innig is het gesprek, iets als liefde op het eerste gezicht.

Het is de rode draad die Jean-Noël Orengo (1975) in zijn roman De ongelukkige liefde van de Führer aanhoudt: de relatie tussen Speer en Hitler heeft het verloop van een verliefdheid, van een heuse liefde zelfs. Een van de hoofdstukken heeft als titel ‘Wittebroodsweken’, daarna volgen onder andere ‘Verwijdering’, ‘Scheiding’ en uiteindelijk ‘De vrolijke weduwnaar’.

De ongelukkige liefde van de Führer is het verslag van Orengo’s persoonlijke obsessie met Speer en tegelijkertijd een roman over zijn zoektocht naar de waarheid over een angstaanjagend en raadselachtig persoon die erin is geslaagd een rookgordijn rond zichzelf op te trekken, een rookgordijn van woorden. Want de informatie over de lunch die wel een date leek, vloeide uit de pen van Speer, en van hem alleen. Alle getuigen van dat middagmaal waren inmiddels overleden.

Wat voegt deze roman toe aan de boekenkast die al over Speer en het nazisme is geschreven? Orengo schrijft in scènes, in flashbacks en vooruitblikken. Hij springt van oktober 1932 naar Neurenberg 1934, van zomer 1940 naar december 1947. Zijn kale, heldere, korte, adequaat vertaalde zinnen passen bij de oorspronkelijke bron. Dat zijn Speers memoires die in 1969 verschenen, en zijn gevangenisdagboeken uit 1975. Tijdens zijn gevangenschap – hij kreeg twintig jaar cel – had Speer in het geheim duizenden velletjes papier beschreven over zijn jaren aan de zijde van Hitler. Na zijn vrijlating maakte hij er een boek van. Van Speers Erinnerungen werden miljoenen exemplaren verkocht, van de opbrengst kon hij comfortabel leven.

https://www.nrc.nl/nieuws/2025/04/10/deze-roman-over-nazi-architect-albert-speer-toont-hoe-intens-de-verleiding-van-het-woord-kan-zijn-a4889465

Over Tarantula van Eduardo Halfon

In De Poolse bokser (2008) betoogt een student dat een kort verhaal veel weg heeft van een ster: achter zo’n tekst gaat een geheim schuil, iets verborgens wordt zichtbaar gemaakt. Achter een ster, bedoelt hij, zit nog een hele, onzichtbare constellatie die we niet waarnemen. Er is meer dan wat we zien, en dan wat we lezen.
Het is een mooie metafoor voor het werk van de Guatemalteekse schrijver Eduardo Halfon (1971). De helderste ster, zou je kunnen zeggen, die het hardst flonkert en zijn hele oeuvre belicht, is het verhaal over de Joods-Libanese grootvader. Die vijf getatoeëerde cijfers op zijn onderarm, vertelt hij aan zijn kleinzoon, is zijn telefoonnummer. Hij is oud, vergeetachtig en dat nummer kan hij zo goed onthouden.Zestig jaar heeft de grootvader gezwegen, tot hij zijn kleinzoon ineens vertelt dat hij in concentratiekamp Sachsenhausen heeft gezeten. Dat hij het overleefde dankte hij aan een celgenoot, een Poolse bokser. Die zat er al langer en vertelde hem precies wat hij tijdens zijn verhoren wel en niet moest zeggen.

Achter het verhaal over de grootvader gaat Halfons eigen sterrenhemel schuil. Halfons oeuvre cirkelt rond angst en zwijgen, geweld en oorlog, identiteit en migratie; dat alles zit verscholen achter de grootvader en zijn tatoeage.
Vaak is de verteller een zekere Eduardo Halfon. Dat is ook het geval in het onlangs verschenen en prachtig vertaalde Tarantula. Op de boekomslag siert smal prikkeldraad drie banen in pasteltinten – subtiel en dreigend. Ook in Tarantula haalt Halfon een element uit zijn persoonlijke sterrennevel tevoorschijn, en wat voor een. De ouders van de dertienjarige Eduardo en zijn twaalfjarige broer, sturen de kinderen in 1984 naar een vakantiekamp voor Joodse kinderen in de Guatemalteekse bergen. Een vreemd idee, aangezien het gezin het land drie jaar daarvoor is ontvlucht vanwege de gewelddadige burgeroorlog, waarbij de Mayabevolking wordt uitgemoord. Nu woont het gezin in het zuiden van Florida, in de VS. Op dat kamp moeten ze leren overleven in de wildernis: hoe moet je vuur maken, een vishaak knutselen, natte sokken drogen. Maar al snel blijkt dat het er niet gewoon om gaat kinderen in de jungle te leren overleven. Het gaat erom hen bij te brengen wat het betekent Joods te zijn en wat de consequentie daarvan is – de kinderen zijn niet Joods opgevoed, ze hebben geen idee.

https://www.nrc.nl/nieuws/2025/03/20/het-onzichtbare-universum-achter-grootvaders-tatoeage-a4887105

 

De gebroeders Seeberger in Huis Marseille

Onder zijn pet kijken zijn ogen je aan. Onderzoekend, nieuwsgierig, uitdagend. De jongen kijkt naar de fotograaf, die zich met zijn camera op driepoot vlak achter hem en de vissers aan de oever van de Seine heeft geïnstalleerd. De fotograaf heeft hem vast gezegd dat hij vooral ‘gewoon’ moet doen, alsof hij er niet is. Maar kijken doet de jongen toch. Dat doet ook het meisje in het Jardin du Luxembourg, dat op haar hurken in het zand zit te spelen met haar emmertje en haar schepje. Ze kan zich niet inhouden, vanonder haar grote rieten hoed glijdt haar blik nieuwsgierig omhoog.

Het zijn dit soort dagelijkse taferelen van ruim een eeuw geleden die Huis Marseille in Amsterdam toont in de prachtige expositie Revoir Paris, Parijs door de lens van de gebroeders Séeberger (1900-1907). Aan het begin van de twintigste eeuw trokken de broers als amateurfotografen door Parijs. In die tijd riep de gemeente Parijs zijn inwoners op om de stad in beeld te vatten en zijn pittoreske kant te laten zien. Er werden wedstrijden en exposities rond een thema georganiseerd, waarvoor iedereen foto’s mocht insturen. Die foto’s kwamen in het bezit van de stad en werden opgenomen in de archieven van Musée Carnavalet, een museum voor de geschiedenis van Parijs.

Op de zolder van dat museum werd onlangs, tijdens een recente verhuizing, een kist ontdekt met vijftig op kartonnen vellen geplakte foto’s, in een ongebruikelijk groot formaat (50 x 60 cm). Het bleken inzendingen te zijn van de familie Séeberger, gemaakt tussen 1903 en 1907. Niemand wist meer van hun bestaan.

Lees verder:

https://www.nrc.nl/nieuws/2025/02/24/de-gebroeders-seeberger-tonen-als-amateurfotografen-het-parijs-rond-1900-van-zijn-pittoreske-kant-a4884179

 

Laat het Frans, Duits en Italiaans bloeien!

Gisteren vergeleek Christian Weijts in zijn column het onderwijs in moderne talen met vlinders in een potje, met een dekseltje waarin gaatjes zijn geprikt.
Een treffend beeld. Inderdaad snakken die metaforische vlinders naar lucht en smeken ze erom hun prachtige vleugels te laten zien, de wereld te kleuren. Ze kunnen je verbeelding op gang brengen, die vlinders, je naar vreemde, onbekende plekken voeren, waar je nog nooit bent geweest, hoogstens van hebt gedroomd. Van ’papa fume une pipe’ naar de Eiffeltoren, van ‘mit, nach, nebst und samt’ naar Nina Hagen en Goethe.

Ik zag de ontpopping van rups tot vlinder voor het eerst in het woonhuis van de Franse schrijver Alphonse Daudet, in de Ardèche, dat toen verbouwd was tot een zijderupsenkwekerij. Honderden poppen zag ik daar liggen, naast elkaar. Sommige wiegden al heen en weer, in andere zat een beginnend scheurtje. Er zat leven in. Een vlinder uit een pop zien komen – een wonder van de eerste orde. Vergelijk het met het leren van het Frans, Duits of Italiaans: hoe bestaat het, denk je, er is meer dan je tot nu toe dacht, er zijn andere, bruisende werelden dan de jouwe op deze aarde, universa die erom vragen ontdekt te worden.
Later bezocht ik een vlindertuin in Londen, een magische ervaring waar mijn kinderen het nu nog over hebben. Weer later bezocht ik een Thais bedrijf gerund door vrouwen die van inheemse zijde schitterende stoffen maakten. Alsof je voor het eerst in Parijs langs de Seine loopt, meerijdt met een Londense bus, de Trevi-fontein in Rome ziet.
Met behoudzucht, zoals Weijts meent, heeft dat alles niets te maken. Wel met schoonheid, inzicht, begrip en de wens dat alles mee te geven aan een volgende generatie. Dat weet minister Bruins ook wel, alleen zit hij helaas in dit kabinet. Dom, dom.

Toevallig las ik vorige week het nieuwe boek van de Franse auteur Jean Rolin, Les papillons du bagne. In die roman neemt Rolin de film Papillon, het beroemde boek van Henri Charrière, als uitgangspunt. Hij legt, in de voetsporen van vlinderjager Nabokov, het leven van de vlinder onder de loep. En passant vertelt hij over wetenschappers die honderdduizenden vlinders vingen. Allemaal in netten gevangen of potjes gestopt, en sindsdien opgeprikt, dood en vol stof.

Zelf hield ik vroeger niet van kinderen die dieren in potjes stopten. Wreed en zinloos. Laat het Frans, Duits en Italiaans bloeien, voed ze, begiet ze, leg een vlindertuin aan, laat ze ontpoppen en tot leven komen, juist nu.