Patrick Modiano, een prachtige Nobelprijswinnaar

Als er één jaartal is dat het werk van Patrick Modiano bepaalt is het wel 1945. Het is zijn geboortejaar. Maar het is ook veel meer dan dat. De naoorlogse jaren die hij als kind heeft beleefd zijn de bron voor zijn oeuvre, heel zijn verbeelding is eruit ontsproten. Hij groeide op tussen een twee uithuizige ouders, een joods-Italiaanse vader en een Vlaamse moeder. De een hield zich, als we Modiano mogen geloven, in de naoorlogse jaren bezig met louche zaakjes, dubieuze smokkel- of handelswaar. Hotels waren er het decor van. Zijn moeder bewoog zich in het kunstzinnige circuit. Die twee milieus hebben zijn literaire universum gevormd, een wereld van schimmigheid, van personages die nergens vandaan komen en nergens naar toe gaan, die geen achtergrond hebben en niet weten waar hun toekomst ligt, die geen baan hebben, geen grip op het heden noch grip op hun toekomst.

Het Nobelprijscomité bekroonde Modiano voor de ‘herinneringskunst’ waarmee hij erin slaagde om ‘ongrijpbare lotsbestemmingen’ te vatten. Dat is een uitstekende omschrijving: de personages van Modiano zijn altijd zoekende naar een nooit gekend en nooit voltooid verleden, waartoe ze een verhouding moeten vinden. Met onbestemde weemoed probeert hij een wegvliedend universum te vatten, steeds weer opnieuw, steeds weer hetzelfde en ook net weer wat anders – ‘la petite musique’. Als je ervan houdt, houdt je van al Modiano’s werk. Vind je het niets, dan geldt dat waarschijnlijk voor zijn hele oeuvre. Regelmatig geef ik lezingen over Franse literatuur en probeer dan de recente trends in kaart te brengen en te duiden. Modiano heeft zich vanaf zijn debuutroman, Place de l’Etoile in 1968, aan alle trends onttrokken. Hij is altijd zijn eigen obsessies blijven vormgeven – met de gedrevenheid en onontkoombaarheid die alle grote kunstenaars eigen is.

Voor www.nrcboeken.nl beantwoordde ik deze week een aantal vragen over Modiano
zie
http://www.nrc.nl/boeken/2014/10/09/modianos-muziek-is-herkenbaar-maar-schitterend/

In NRC schreef ik vaker over zijn werk, zie het archief van NRC
http://zoeken.nrc.nl/?q=modiano+dijkgraaf

In mijn boek Franstalige literatuur van nu (De Geus) wijd ik een hoofdstuk aan Modiano, dat ik hieronder ter beschikking stel (op voorwaarde van bronvermelding!):

Patrick Modiano: schrijven tegen het vergeten
Wie een roman of een kort verhaal van Patrick Modiano openslaat, weet zo langzamerhand wat voor universum hij betreedt en welke gemoedsstemmingen hem te wachten staan. Hij zal belanden in een wereld van stilte en van melancholie, in de kronkels van een weggemoffeld, vaak beladen verleden, van waaruit nog slechts zwakke echo’s doorklinken tot in het heden. Hij zal besmet worden, die lezer, met onbestemde weemoedigheid, met gevoel voor het tragische in een mensenleven en uiteindelijk belanden in een roes van treurig stemmend, doch niet onprettig onbehagen.
Modiano publiceerde sinds zijn debuut in 1968 22 romans. Net als Duras of Proust is Modiano opmerkelijk coherent in zijn thematiek en zijn stijl: een bladzijde Modiano is uit duizenden te herkennen. Vivre c’est s’obstiner à achever un souvenir – dit aan René Char ontleende motto van Livret de famille (1977), wellicht Modiano’s meest autobiografische boek, vat de kern van zijn schrijverschap samen. Leven om herinneringen te voltooien, leven om de gaten van het geheugen te vullen, schrijven tegen het vergeten, schrijven om zijn eigen identiteit te achterhalen en die van anderen in kaart te brengen. Modiano’s romans zijn naar het verleden gericht, nooit naar de toekomst. De oorlog, de bezettingstijd en de holocaust zijn vaste modianeske thema’s. Hoewel hij in 1945 is geboren, is het voor Modiano alsof hij iedere dag van de bezetting van Parijs heeft meegemaakt en ieder detail uit dat verschrikkelijke verleden heeft geïncorporeerd – al in Livret de famille constateert de verteller dat zijn geheugen ‘vergiftigd’ is. Zijn zoektocht naar het verleden leidt nooit tot duidelijkheid. Het verleden geeft zich niet bloot: het blijft bij raden, veronderstellen, suggereren, invoelen. Het thema van de onmogelijkheid het te verleden te doorgronden, van le temps non-retrouvé, verbonden met het thema van de vergankelijkheid, leidt tot de voor Modiano karakteristieke melancholieke nostalgie.
Dat geldt – in eerste instantie althans – ook voor de lezer van La petite bijou, uit 2001, waarin een negentienjarig meisje, in een Parijs’ metrostation, haar verdwenen moeder meent te herkennen in een vijftigjarige vrouw met een gele, versleten regenjas. De vrouw lijkt op de foto die het meisje nog van haar moeder heeft: die moeder die haar, zo’n twaalf jaar geleden, vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog, doodleuk met een naamkaartje om haar hals op de trein zette naar verre familie op het platteland, om daarna in het niets te verdwijnen. Die moeder die een mislukte danscarrière compenseerde met filmrollen en cabaretoptredens. Die moeder die achter haar rug la boche (de moffin) werd genoemd. Die moeder die haar dochter liever kwijt was dan rijk.
Na het lezen van La petite bijou begrijp je opeens beter waar Modiano’s boek Onbekende vrouwen, uit voortkwam. Die drie verhalen, waarin de schrijver voor het eerst jonge vrouwen in de ik-persoon liet spreken, waren een vingeroefening, een aanloop tot de poignante, korte roman die La petite bijou is. Stuk voor stuk hadden die jonge vrouwen een vaag problematische verhouding tot hun ouderlijk huis en zochten zij, min of meer uit arren moede, hun heil elders: het zijn zusters van de Thérèse uit La petite bijou. Ze zijn net zo ‘groen’, net zo onzeker en net zo tastend. Net zo schreeuwend eenzaam ook.
Maar waar het beeld van haar zusters vaag, ongrijpbaar en vol gaten blijft, krijgt Thèrèse scherpere contouren, een wat duidelijker geschiedenis, een schrijnender verhaal. Tegen het eind van het boek verwoordt ze zelfs expliciet wat ze eigenlijk kwam doen in Parijs, waarom ze een kamer heeft genomen vlakbij Place Blanche: ‘Je zit hier omdat je voor de laatste keer terug wilde gaan in de jaren, om te proberen te begrijpen. Hier, op de Place Blanche, is alles begonnen. Je bent een laatste keer teruggekomen in je Land van Geboorte, bij het vertrekpunt, om te weten of het allemaal anders had kunnen lopen.’ Met het spoorzoeken naar gebeurtenissen uit het verleden is de lezer van Modiano sinds lang vertrouwd geraakt. Steeds weer poogt de schrijver mensenlevens aan de vergetelheid te ontrukken, hen te behoeden voor een definitieve val in de plooien van de geschiedenis.
Ditmaal laat Modiano zijn personage, opvallend genoeg, spreken in sterke termen van ontheemding, van ontworteling, als gold het de verscheurende ervaring van de balling, die zijn geboorteland verliet om zich elders te vestigen; die zich nu afvraagt hoe dat land waar hij terecht is gekomen, er eigenlijk uitziet, of hij niet een ander had moeten kiezen en, vooral, hoe het nu verder moet met zijn leven. Steeds komt Modiano terug op het buitenstaanderschap van zijn personage en daarmee indirect op dat van de schrijver zelf. Zo ontmoet Thèrèse in een boekhandel ene Moreau-Badmaev (Franse moeder, Russische, onbekende vader), die twintig talen spreekt en die in zijn levensonderhoud voorziet door radiouitzendingen te beluisteren, deze te stenograferen en in het Frans te vertalen. Hij vertaalt voor Thérèse een zin uit een Nederlands radioprogramma: ‘Niet lang geleden slaagden matrozen er in de sirenen, enkele mijlen zuidelijd (drukfout!) van de azoren, te vangen.’ Doordat
hij alsmaar naar die buitenlandse talen luisterde, schrijft Modiano, ‘wist hij uiteindelijk niet meer in welk land hij zich bevond’. Niet alleen het geheugen is vergiftigd, ook de ruimte biedt geen houvast meer en dus raapt Thérèse, op haar beurt, een laatste keer haar schamele herinneringen bij elkaar, ‘zoals een reiziger die tot op het laatst een oude, versleten identiteitskaart bij zich houdt.’
De intense verwarring en innerlijke wanhoop waarnaar met deze mooie metaforen wordt verwezen, komt bij Thérèse voort uit een allesoverheersend gevoel van verlatenheid. Sinds haar moeder haar zonder een woord van troost of uitleg achterliet, balanceert ze op de rand van de afgrond. Nu eens staat ze op het punt in het zwarte gat te buitelen, dan weer roept ze zichzelf tot de orde: il faut couper les ponts!
In deze roman gaat Modiano verder dan ooit: hij strooit zout in de wonde, hamert op de pijn, verwoordt beeldend het verdriet van zijn gekwetste hoofdpersoon; de moeder is als een racepaard dat, met gekneusde enkels, naar het abattoir wordt afgevoerd (geen toeval dus, dat één van de jonge vrouwen uit zijn vorige boek iedere ochtend werd gewekt door paarden die naar het slachthuis gaan), de dochter wordt wakker met moord- en wraakgevoelens. Bitter herinnert ze zich hoe haar moeder haar ooit petite bijou noemde, niet uit liefde, maar omdat dat goed klonk in een film waarin ze samen een rol hadden.
In het universum van Modiano komt er nooit een einde aan het gevoel misplaatst te zijn – in het leven, in de tijd, in de ruimte. Integendeel, de verwarring daarover wordt alleen maar groter en niemand die zich erin verdiept komt er zonder kleerscheuren uit. Dat was ook wat Modiano zo’n twintig jaar eerder al bezighield: in De si braves garçons, een roman uit 1982, vertelt één van de hoofdpersonen dat hij zijn hele leven tevergeefs zocht naar een meisje dat hij vroeger ontmoette, la petite bijou, de zevenjarige, eenzame dochter van een actrice over wie hij zich regelmatig ontfermde. Zo vervult Modiano in La petite Bijou de wens van één van zijn eigen personages. Hij riep haar tot leven en ontrukte haar voorgoed aan de vergetelheid – poignant en met een bijna onmodianeske, schrijnende felheid.
Over de onmogelijkheid het verleden te doorgronden
Zeggen dat Patrick Modiano niet uit zijn woorden kan komen is een understatement. In de drie-en-een-half uur waarin hij in zijn woning vlakbij de Place Saint-Sulpice in Parijs met mij over zijn werk praat, spreekt hij welgeteld drie volzinnen uit. Niet dat hij niet van goede wil is, integendeel, Modiano is de beminnelijkheid zelve. Hij begint moedig aan een zin, breekt hem af, laat een stilte vallen, zoekt naar woorden, vindt ze niet en kiest er een paar die niet zeggen wat hij bedoelt. Zijn bijna twee meter lange lichaam, ongemakkelijk gezeten op een lage sofa, wringt zich in bochten. Zijn blik, door de hoornen bril, is gekweld. Pas als hij lacht, verdwijnt de verstrooide zorgelijkheid van zijn gezicht en lijkt hij twintig jaar jonger. Modiano onderbreekt zichzelf voortdurend: comment vous expliquer, c’est très difficile, de toute façon, c’est-à-dire… in een wanhopige poging het onzegbare onder woorden te brengen, het ongrijpbare te vatten.
 “Ik heb altijd het gevoel dat ik een produkt ben van de oorlog”, zegt Modiano, “als die bizarre, chaotische  periode er niet geweest was, was ik niet geboren. Mensen ontmoetten elkaar op de vreemdste manieren. Iedereen liep door elkaar, beulen, slachtoffers, alles.”
Over Modiano’s ouders is weinig meer bekend dan dat zijn vader Frans was, tijdens de oorlog een dubieuze rol speelde, naar Zwitserland verdween en geen al te beste relatie had met zijn zoon. Modiano’s artistieke moeder zou, volgens de naslagwerken, Hongaarse zijn. Modiano schenkt mij een kop thee in en vraagt tegelijkertijd, verstrooid, of ik soms koffie wil. Hij staat op, doet de deur van zijn werkkamer dicht en zegt: “De chaos van de oorlog heeft ervoor gezorgd dat ik een Nederlandse moeder heb. Tot mijn vierde jaar sprak ik Nederlands en zorgden mijn Nederlandse grootouders voor mij. Ze waren speciaal voor mij naar Parijs gekomen. Mijn ouders waren er vaak niet. Ik ben misschien wel meer Nederlands dan Frans. Dat zijn les hasards de la vie, dat is het toeval in je leven. De eerste boeken die ik zag waren die die mijn moeder uit Nederland had meegenomen. Voor de oorlog werkte ze voor de film, reisde heen en weer tussen België en Nederland en had veel Nederlandse vrienden. Ik heb herinneringen aan die tijd die niet de mijne kunnen zijn, maar die ik helemaal heb geïncorporeerd. Vreemd. Ik ben meerdere keren in Amsterdam geweest en de stad had iets vertrouwds. Het heeft iets vreemds, als betrof het een vorig leven. Als ik Nederlands hoor spreken, begijp ik flarden, alsof ik een tijdje aan amnesie heb geleden en die taal weer langzaam terugkomt.”
Er zitten ook veel Nederlandstalige personages in Modiano’s. ,,Dat zijn mensen over wie mijn moeder vertelde, mensen uit de wereld van de music-hall. Ongelofelijke, onwaarschijnlijke types die in nachtclubs rondhingen, die met Mistinguett samenwerkten, dansers die later een dansschool begonnen in Paramaribo. Sommigen heb ik gezien toen ik nog heel klein was. Toen mijn moeder weer naar Parijs kwam bij het uitbreken van de oorlog, had ze heimwee en bezocht ze cafés aan de Seine, aan de Quai Saint-Michel en de Quai d’Austerlitz, waar ze Nederlands kon spreken. Er legden daar veel boten uit Nederland aan. In La rue des boutiques obscures komen die cafés voor. Het was een mysterieus deel van Parijs. Nu is dat allemaal verdwenen. Ik vond laatst in mijn moeders archief brieven van ene Gerard van het Reve, zegt die naam u wat?” Modiano heeft de brieven niet onder handbereik, zodat hun inhoud – geheel in modianeske stijl – nog even een geheim blijft.
Moeders zijn vaak afwezig in Modiano’s boeken. “Sommige romanciers hebben misschien bewonderenswaardige moeders gehad. Ik weet dat bijvoorbeeld Romain Gary een sterke moeder had. Ik heb die gevoelens nooit gekend. In Des inconnues neem ik een loopje met een zoon, een echt moederskindje. Het gewicht dat moeders in de schaal kunnen leggen heeft mij altijd gehinderd. Mannen kunnen zo door hun moeder getekend zijn dat hun hele houding ten opzichte van vrouwen daardoor wordt geconditioneerd. Ik zou dat gevoel niet kunnen beschrijven.” Bij Modiano zijn de vaders ook al niet erg begaan met hun zoon. In Les boulevards de ceinture probeert een vader zelfs zijn zoon te vermoorden. “Ach ja, het is een beetje wat ik zelf heb ervaren. Ik heb een vreemde vader gehad, maar misschien lag dat aan de rare tijd. Als je geen held bent, is alles al snel tegenstrijdig. Les hasards de la vie hebben ertoe geleid dat ik hem sinds mijn zeventiende niet meer gezien heb. Maar als ik hem vragen had kunnen stellen over de bezettingstijd, zou hij me waarschijnlijk niets wijzer hebben kunnen maken. Als romancier heb ik vaker mensen ontmoet met een troebel verleden, maar ze konden er nooit iets over vertellen.”
Des inconnues  is een tryptiek van drie titelloze verhalen, waarin drie naamloze vertelsters terugdenken aan een scharnierpunt in hun leven, een kort moment tussen kind- en volwassenheid. Het zijn onzekere, eenzame meisjes uit de provincie, met een vaag ongelukkige jeugd, die ervan dromen mannequin of studente te worden en in Parijs hun grote liefde te ontmoeten. Ze bevinden zich in een vacuüm, los van verleden en toekomst. Voor het eerst heeft Modiano gekozen voor een vrouwelijke verteller. Modiano: “Al mijn boeken hadden tot nu toe een ik-persoon, die ik zelf had kunnen zijn. Het werd een soort gevangenis. Daaruit wilde ik weg. Met een vrouwelijke ik-persoon heb je te maken met een destin de femme, dat is veel moeilijker. De vrouwen uit mijn boek zijn als het ware mijn tweelingzussen.
Ik heb elementen uit mijn leven op hun rug afgewenteld. Ze vertellen maar een korte periode uit hun leven en je weet ook niet precies of wat ze vertellen, lang geleden is gebeurd. Ook ik weet dat niet. Het is alsof je afstemt op een radiokanaal, waar je even een stem hoort, die dan weer in geruis verdwijnt, omdat er parasieten op de zender zitten. Soms ontmoet je mensen met een duister verleden, zonder dat iemand daar weet van heeft. In Frankrijk was er voor de oorlog een meisje van negentien die had geprobeerd haar ouders te vergiftigen. Ze werd berecht, ging de gevangenis in en kwam vrij. Tien jaar later trouwde ze, kreeg kinderen en die wisten helemaal niet wat ze had gedaan. Enfin, dat soort mensen ben ik vaak tegengekomen.”
De meisjes uit Des inconnues lijken voor iets op de vlucht, zonder dat duidelijk is waarvoor noch waar ze naar op zoek zijn. Twee van de drie komen terecht in het zestiende arrondissement van Parijs, een wijk die veelvuldig in Modiano’s werk opduikt. “Om te schrijven heb ik altijd heel precieze uitgangspunten nodig: plaatsen, straten of gegevens over iemands leven. Ik baseer me op dingen uit de werkelijkheid. De romans die ik tot nu toe heb geschreven zijn brokstukken, flarden die ik aan elkaar heb geknoopt, een knutselwerk. Ik ben niet in staat een grote roman te schrijven en dat hindert me. Ik heb altijd de indruk dat ik alcohol verdun met water. Ik zou een rêverie willen schrijven, een mijmering over heel reële dingen, over plekken, over mensenlevens. Ik vraag ik me af of ik niet nog dichter bij de werkelijkheid moet blijven, zoals in Dora Bruder, die echt heeft bestaan. Dan voel ik me meer in mijn element.”
Terwijl in het werk van Modiano de rive gauche van Parijs vaak staat voor relatieve geborgenheid, gaat er van de wijken op de rive droite een zekere dreiging uit. “Vaak denkt men dat het zestiende arrondissement van Parijs (rive droite) een heel burgerlijke wijk is, maar er woonden, al voor de bezetting, bizarre mensen op doorreis, avonturiers. Tijdens de oorlog werd dat nog erger. De Duitsers vestigden zich daar en in de hotels hing een wonderlijke, onwezenlijke sfeer. De geschiedenis van het zestiende arrondissement leent zich goed voor een rêverie. Oudere wijken van Parijs, zoals het Ile Saint-Louis of de Marais, zijn zo met verleden overladen, dat je voor een overpeinzing ervan terug moet gaan tot de Franse revolutie of de tijd van de drie musketiers.”
De verhalen uit Des inconnues zijn gesitueerd in een minder ver verleden, namelijk in de jaren zestig, toen Modiano zelf zijn eerste boeken publiceerde. La place de l’étoile verscheen in 1968 en werd meteen enthousiast ontvangen.“Ik heb mijn eerste boeken te jong geschreven. Ze zijn te agressief. Ik was te jong om afstand te nemen. Mijn eerste boek was niet eens een roman, het was niet doordacht, het is eerder een nachtmerrieachtig pamflet, neergepend door iemand die niet goed wakker is geworden. Mijn eerste drie boeken hebben iets wanhopigs, zoals de expressieve schilderkunst. Pas later ben ik mij gaan realiseren dat mijn belangstelling vooral uitgaat naar slachtoffers, naar mensen die er niet in slagen hun destin, hun lot te begrijpen.”
Om uitstel van militaire dienst te krijgen, schreef Modiano zich in 1968 in als student. Colleges liep hij niet en met de gebeurtenissen van mai ’68 bemoeide hij zich evenmin. Welke associaties heeft Modiano met die tijd? “In de jaren zestig had je als adolescent altijd het gevoel de dingen clandestien te doen. Je was als iemand zonder papieren tijdens de oorlog. Alles was verboden en je kon toch alles doen. Onder de één-en-twintig had je geen enkel recht, je mocht niet eens de grens over zonder toestemming. Maar als je met oudere mensen omging kon alles, net alsof zij je valse papieren verstrekten. Ik ben weggelopen toen ik vijftien was. Mijn boek speelt ook in die tijd. Jonge mensen van nu zitten niet meer onder een loden kap. De ouders en de maatschappij verbieden niet meer van alles. Nu hebben jongeren weer andere angsten.”
Was de Franse schrijver Raymond Queneau niet Modiano’s toevluchtsoord in die tijd? “Queneau kende ik via mijn moeder. Hij heeft een heel belangrijke rol gespeeld in mijn leven. Hij was de enige die mij aanmoedigde te gaan schrijven. Ik was slecht in wiskunde en hij gaf me iedere week bijles. De Oulipo (groep van schrijvers die een mathematische kijk hadden op de literatuur) interesseerde me wel, maar ik vond het te abstract. Queneau was ook getuige bij mijn huwelijk. André Malraux was de getuige van mijn vrouw. Het was een absurde, zonderlinge ceremonie. Queneau en Malraux kregen na de plechtigheid ruzie over een schilder. Verder was er niemand. Erg bizar allemaal.”
Een andere schrijver met wie Modiano literair gezien verwant lijkt, is Georges Perec, ook een van oorsprong joodse auteur, op zoek naar het onzegbare en naar zijn eigen identiteit. “Perec had ik graag gekend. Hij is de enige van de generatie schrijvers vóór mij met wie ik me verwant voel. Zijn ouders waren tijdens de oorlog verdwenen en ook hij voelde de noodzaak om sporen van het verleden te zoeken.”

Het vage, zoekende van zijn verhalen lijkt haaks te staan op Modiano’s heldere taalgebruik. “Omdat ik veel tegenstrijdige dingen wil uitdrukken, moet ik korte, duidelijke zinnen maken, om orde te scheppen, om een indruk van stilte te geven. Ik zou soms willen dat ik een andere literatuur had geschreven. Maar dat kan ik jammer genoeg niet. Je bent de gevangene van de tijd waarin je leeft, van je afkomst, van les hasards de la vie. Ik heb een literatuur gemaakt die louter op de stad is geïnspireerd, op de angst en anonimiteit die daar heerst. Soms betreur ik het dat ik niet over het platteland heb geschreven. Zou je dan dezelfde angsten kunnen uitdrukken? Ach, het is idioot wat ik allemaal zeg. Ik spreek zo verward. Iedere keer heb ik het gevoel dat er een discrepantie is tussen wat ik wilde schrijven en wat ik geschreven heb. In het begin zie ik de dingen breed. Ik voorzie een heel bos en uiteindelijk wordt het een bonsaï-boompje.”

Nl@France en France@NL – rencontres et débats

Op veler verzoek hierbij een paar punten uit de korte lezing die ik vandaag uitsprak op de Frankrijkbijeenkomst in Amsterdam, georganiseerd door DutchCulture.

Dames en heren,

Vorige week was ik bij een van de eerste bijeenkomsten die mede werd georganiseerd van de Akademie van Kunsten, de recent weer in het leven geroepen tak van de Akademie van Wetenschappen. Het onderwerp van de discussiemiddag was een onderwerp waar de WRR momenteel een rapport over schrijft, ‘de waarde van kunst en cultuur’. De kersverse voorzitter van de Akademie van Kunsten, beeldend kunstenares Barbara Visser, kreeg het woord nadat een Britse onderzoeker zijn licht had laten schijnen over de louter economische wijze waarop in de UK de cultural value van de kunsten wordt bekeken.

Barbara Visser legde uit dat ze zich ongemakkelijk voelde bij dit thema van ‘de waarde van kunst en cultuur’, hoe kun je het als kunstenaar nu hebben over de waarde van wat je maakt? Ze vertelde dat ze zich er lang voor geschaamd in het openbaar te zeggen dat ze kunstenaar was. Pas later in haar leven had ze die schaamte overwonnen. Kunst op zichzelf heeft geen waarde, zei ze, maar we kennen haar waarde toe. Kunst staat zelf nooit centraal, het gaat om datgene waarnaar ze verwijst. En ook: de essentie van het werk zit in de verbeelding van de kijker of in die van de luisteraar en lezer.

Visser kwam met de ene na de andere knappe formulering om aan te tonen dat kunst écht waarde heeft, écht een maatschappelijke rol vervult, écht niet naar binnen gericht is. Daarom vond ze de aanduiding ‘intrinsieke waarde’ van de kunst bijna nog gevaarlijker dan de verwijzing naar de economische.

Nu heeft de Académie française, gesticht in 1635, mede model gestaan voor de oprichting van haar Nederlandse zuster. Zou zij, in de bijna 300 jaar van haar bestaan, ooit één debat hebben gewijd aan de waarde van de kunsten, aan de legitimering van hun bestaan? Ik betwijfel het. Nee – zij debatteert over de verandering van de grammatica, buigt zich over de vernieuwingen in de Franse taal, deelt literaire prijzen uit of bekroont sociale projecten die via stichtingen, dankzij privéfondsen, donaties en erfenissen kunnen worden gefinancierd. De Académie française mag dan niet bekend staan als jong en avant-gardistisch, de leden die zij recent benoemde zijn jonger, vooruitstrevender en bovendien niet meer vooral afkomstig uit l’hexagone. Maar zou men daar de behoefte of de noodzaak voelen aan te tonen dat de kunst bestaansrecht heeft?
Een onderzoeker van het Franse Ministerie van Cultuur hoorde ik het vorige week zo formuleren: in de VS geldt: je suis riche donc je suis mieux que toi. In Frankrijk geldt: je vais à l’opéra donc je suis mieux que toi.
Dit soort verschillen in hoe er in Frankrijk en bij ons wordt omgegaan met kunst en cultuur maakt het zo boeiend om over onze grenzen heen te kijken en een intensieve dialoog te voeren. Die dialoog onderhouden en aanwakkeren is een voorrecht.

Wat hebben we de afgelopen maanden in Parijs georganiseerd?
Een table ronde met Franse, NL en Vlaamse uitgevers, vertalers en journalisten
Een discussie met Paul Scheffer – Alain Finkielkraut
Een literaire avond met Toine Heijmans en zijn uitgeefster, toen hij voor Op zee de prix Renaudot kreeg
Een avond met kunsthistorica Caroline van Eck, winnares van de prix Huygens-Descartes, en de Franse auteur en journalist Christophe Ono-dit-Biot van Le Point
Een discussie over de toekomst van Europa met Luuk van Middelaar en Guillaume Klossa onder leiding van Jean-Michel Demetz van L’Express
Twee avonden in Parijs’ literaire hotspot, het Maison de la Poésie:
Britta Böhler ging in gesprek met Lydie Salvayre
Arnon Grunberg discussieerde met Frédéric Beigbeder

Anderzijds heeft het Institut français in Amsterdam van haar kant niet de minste auteurs op het podium gezet:
Jérôme Ferrari, Amélie Nothomb, Karine Tuil, Romain Puertolas en Joël Dicker.

Het zou fantastisch zijn als we in de nabije toekomst de literaire programma’s en debatten op elkaar zouden kunnen afstemmen, kunnen delen en combineren. Als we auteurs een plek zouden kunnen geven én in Parijs én in Amsterdam én in Lyon én in Nijmegen.

Literatuur is bij uitstek een venster op de ander, op het onbekende, op een andere cultuur.
32% van het kwart hoogst opgeleide Fransen leest 20 boeken per jaar of meer
In de boekenbranche in Frk gaat 2,8 miljard euro om. Er verschijnen zo’n 86.000 titels per jaar, waarvan ongeveer de helft nieuwe.

De boekenomzet daalt wel in Frankrijk, maar niet zo spectaculair als in Nederland.

Jarenlang werden er ongeveer 40 literaire titels over en weer vertaald. Hoewel er nog geen harde cijfers beschikbaar zijn, kunnen we wel inschatten dat dat aantal de afgelopen jaren is gedaald.

Daar ligt een taak voor de beide culturele afdelingen van beide ambassades:
       In het organiseren van ontmoetingen tussen Franse en NL schrijvers, uitgevers, vertalers, journalisten en andere spelers uit het boekenvak en gerelateerde vakgebieden – de wetenschap, de creatieve industrie.
       In het monitoren van de ontwikkelingen in beide landen, in het intensief samenwerken, zeker nu het culturele huis, de bakstenen van het gebouw onder druk staan.

Daarbij blijven de rencontre, de dialoog, het debat en de literatuur fascinerend en cruciaal.

De vraag is of je de waarde daarvan ooit in harde euro’s zult kunnen uitdrukken.

Margot Dijkgraaf

Daily Rituals van Mason Currey – hoe kun je kunstenaar zijn én je brood verdienen?

De Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen sloot zich iedere dag op in zijn studio in Harlem, sloot de luiken, deed de lichten uit, oorpluggen in en dronk tussen vijf en zes shotjes wodka tot hij dronken was. De auteur van La comédie humaine, Honoré de Balzac, ging ’s avonds om zes uur naar bed, stond om één uur weer op en schreef zeven uur aan één stuk door, waarbij hij per dag vijftig koppen koffie dronk. Beeldend kunstenaar Louise Bourgeois, die aan slapeloosheid leed, maakte in die nachtelijke uren dagboektekeningen en neuroloog Oliver Sacks bezoekt al meer dan veertig jaar twee keer per week om zes uur ’s morgens zijn psychoanalyticus, waarna hij gaat zwemmen. Patricia Highsmith schreef haar tweeduizend woorden per dag in bed, omringd door sigaretten, asbakken, koffie, donuts en een flinke slok sterke drank, waarna ze zich bekommerde om haar lievelingsdieren, slakken. Honderd daarvan nam ze een mee naar een cocktailparty, in haar handtas.
 
Hoe delen de beroemdste denkers, componisten, schrijvers, politici, architecten, wetenschappers en andere groten der aarde hun tijd in? Hoe ziet hun ritme eruit, wat zijn hun routines? En vooral: hoe kun je creatief zijn en ook nog je brood verdienen? Zes jaar geleden begon journalist Mason Currey op zijn blog een onderzoekje naar de manier waarop grootheden hun tijd indelen. Zelf leed hij aan uitstelgedrag, steeds als een deadline in zicht kwam, ging hij andere, niet ter zake doende dingen doen. Hij wilde wel eens weten hoe anderen daarmee omgaan. Zijn onderzoekje groeide, hij spitte in biografieën en interviews naar antwoorden en publiceerde onlangs Daily Rituals. How Artists Work, een boek waarin hij beschrijft hoe 160 great minds door de eeuwen heen hun tijd besteedden. 
 
 
 
Fellini, Marx, Faulkner, Chopin, Nikola Tesla, Tchaikovsky Eco, Agatha Christie, Andy Warhol – van allemaal weet Currey uit hoe laat ze opstonden, wat ze aten en wat ze verder aan bijzonders deden om de tijd naar hun hand te zetten. Daar gaat het uiteindelijk om in dit boek: tijd. Hoe breng je die door, hoe kom je tot concentratie in een wereld die als een meteoriet op je af komt en waaraan je je nauwelijks meer kunt onttrekken? Is het trouwens wel zo dat creativiteit in rust en afzondering tot stand komt? De Franse filosoof Descartes vond van wel. Luieren is de beste situatie om tot goede geestelijke prestaties te komen, vond hij, hij sliep tien uur per nacht en ging vaak wandelen. De Amerikaanse auteur Maya Angelou, schrijft Mason, zoekt de kalme anonimiteit van een hotelkamer, waar ze iedere ochtend om half zeven vanuit huis naar toe gaat. Thuis werken is uitgesloten. Simone de Beauvoir, de Franse schrijfster en filosofe, hechtte aan strikte discipline en werkte iedere dag van tien tot één en daarna van vijf tot negen uur. Filmmaker Claude Lanzmann herinnert zich dat ze hem, op de eerste ochtend dat ze samen wakker werden, meedeelde dat hij in bed kon werken en zich vervolgens zelf aan haar bureau zette, waar ze tot één uur geconcentreerd bezig bleef, zonder verder één woord meer tot hem te richten.
 
Vroeg opstaan, of je nu een kater hebt of niet – dat is een regel die velen blijken te delen. Het atelier van de Ierse schilder Francis Bacon was een grote chaos, de puinhoop van boeken, kwasten, papieren en gebroken meubilair was kniehoog en Bacon bleef altijd langer op feesten dan welke van zijn vrienden ook, maar als de zon opkwam stond hij te schilderen. Beeldend kunstenaar Georgia O’Keeffe vond de zonsopkomst ook een goed moment om te beginnen. Voor haar was de wereld op zijn aantrekkelijkst als er niemand te zien was. ‘Aangezien O’Keeffe in de woestijn van New Mexico woonde, kostte het haar geen moeite de eenzaamheid te vinden waar ze zo naar verlangde’, schrijft Mason droog. Ze moest bij haar ochtendwandeling alleen een beetje uitkijken voor ratelslangen op haar terrein.
Maar Mason laat ook beroemdheden aan het woord die de dag beginnen in een gewone baan. Kafka zat om acht uur achter zijn bureau bij een verzekeringsmaatschappij en beklaagde zich over zijn leven bij zijn vriendin: ‘de tijd is kort, mijn krachten beperkt, kantoor verschrikkelijk, het appartement lawaaierig’.  De auteur van Catch-22 daarentegen, Joseph Heller, begon pas ’s nachts te schrijven, na een volledige werkdag, aan zijn keukentafel. Wat doen Amerikanen eigenlijk ’s nachts, als ze niet schrijven?, vroeg hij zich af.
 
Hoewel rust en reinheid bij de groten der aarde dus geen algemene vuistregels lijken te zijn – net zomin als drank of peppillen – , geldt dat wel voor regelmaat. Bijna alle geportretteerden werken iedere dag aan wat hun bezig houdt. Soms niet heel lang. Gertrude Stein vertelde dat ze nooit meer dan een half uur kon schrijven, ,,maar jaar in jaar uit een half uur per dag levert veel bladzijden op’. Stephen King legt zichzelf een produktie van tweeduizend woorden op, inclusief tijdens vakanties en op zijn verjaardag. Andy Warhol begon iedere dag met een minutieus telefonisch verslag van de vorige dag. Zo’n twee uur lang vertelde hij aan een goede vriend precies wat hij had gedaan, gehoord en uitgegeven, hetgeen later werd gepubliceerd in de Andy Warholdagboeken. De Japanse auteur Haruki Murakami staat iedere dag om vier uur ’s morgens op en werkt dan zes uur achter elkaar. Om negen uur ’s avonds gaat hij naar bed. Hij maakt daarmee dezelfde keuze als Marcel Proust: voor hem geen sociaal leven. Ja, mensen zijn beledigd als hij niet op hun uitnodigingen ingaat, jammer dan. Hij kiest voor de relatie met zijn lezers; die is onontbeerlijk voor hem, die met zijn vrienden niet. Ook Proust bracht bijna al zijn tijd binnenshuis door, hij werkte ’s nachts en sliep overdag. Pas als hij voor zijn werk nieuwe indrukken nodig had, ging hij weer eens naar een soirée. 
Alleen de Belg Georges Simenon lijkt een volledig eigen manier van werken en leven te hebben. Hij publiceerde 425 boeken en ging er prat op dat hij minstens vijfentwintig keer zoveel vrouwen had gehad. Schrijven deed hij lang niet iedere dag. Niemand heeft hem zelfs ooit zien werken.
 
Werk – daar kijken de in dit boek geportretteerden allemaal hetzelfde tegen aan. Ze houden nooit op met werken, ze verliezen geen minuut. ‘Alleen in werken, in de verbeelding, zit het echte leven’, zei Patricia Highsmith. ‘Ik heb altijd gewerkt’, zei Ingmar Bergman tegen het eind van zijn leven, ‘Dat is ook goed, het reinigt. Als ik niet altijd had gewerkt, zou ik een gek zijn geweest’. Voor Flaubert was werken ‘de beste manier om aan het leven te ontsnappen’ en Freud kon zich niet voorstellen dat leven zonder werken een aangenaam leven zou kunnen zijn. Gustave Mahler wilde maar één ding: werken! En ook Matisse zei dat hij zich nooit in zijn leven had verveeld: godzijdank had hij zijn werk. Dat is de grootste gemene deler van alle great minds, geen van allen zou het oneens zijn geweest met de uitspraak van de Amerikaanse bioloog en wetenschapshistoricus Stephen Jay Gould: ‘Ik werk iedere dag. Ik werk het weekend, ik werk ’s nachts. Sommigen vinden me een ‘workaholic’, of zien dit als obsessief of destructief. Maar voor mij is het geen werk, het is gewoon wat ik doe, het is mijn leven. Ik breng ook tijd door met mijn gezien, ik zing en kijk naar voetbal. Ik heb geen één-dimensioneel leven. Maar ik werk eigenlijk altijd. Ik kijk geen tv. Maar het is geen werk, het is mijn leven. Het is wat ik doe, het is wat ik leuk vind om te doen.’
Mason Currey: Daily Rituals. How Artists Work. Alfred A. Knopf. € 23,95

 

Europa door schrijversogen (4): de beste boeken die ik deze zomer las. Anna Enquist en Lydie Salvayre

Van alle boeken die ik tot nu toe deze zomer las, steken er twee met kop en schouders boven alle anderen uit. Aanraders!
 
Kwartet van Anna Enquist
 
 
 
Bewijs dat je bestaansrecht hebt – of het nu de wetenschap is of de kunsten, dat is het parool. De wetenschap moet laten zien wat zij de maatschappij brengt. Valorisatie – wat heeft de samenleving aan een universitaire opleiding Noors of Roemeens, wat heeft zij eraan als er mensen goed oud-Frans kunnen lezen of Homerus kunnen vertalen? Wat is de waarde van literatuur? En dan natuurlijk in harde euro’s. Waarom zou je noten leren lezen of een muziekinstrument leren spelen? Wat brengt het op? Natuurlijk, de geesteswetenschappen zijn heel belangrijk, maar wat brengen ze ons in tijden van economische crisis? Begrip, inzicht. Maar is dat genoeg? Wetenschappers als de hoogleraar Engels Stefan Collini formuleerden antwoorden. Zijn boek What are universities for? vond veel lezers en geeft het begin van een woedend antwoord. Hoeveel rapporten  er de afgelopen jaren ook over dit onderwerp zijn geschreven, soms is het wachten op het antwoord van de kunstenaar zelf.  Dat vond ik in de recentste roman van Anna Enquist, Kwartet. Een glashelder boek over hoe Nederland c.q. Europa eraan toe zal zijn in de nabije toekomst. Een land waarin de muziekschool is afgeschaft. Een land waarin oude mensen bang zijn voor de bejaardenpolitie, die hen tot opname in een instituut zal veroordelen waar ze nooit meer uit zullen komen. ‘Toen ik werkte heb ik nooit rekening gehouden met de mogelijkheid dat onze soort muziek zou verdwijnen’, bedenkt een oude musicus, ‘dat de mensen er geen prijs meer op zouden stellen en de regering er geen geld voor over zou hebben. Dat het iets wereldvreemds, iets verdachts zou worden als je de dag doorbrengt met oefenen op je instrument.’ Wat Enquist laat zien is hoe muziek mensen kan redden, kan troosten – ook al hebben ze de meest vreselijke dingen moeten meemaken. Waar muziek is, is troost, kans op overleving. Kwartet is helder, fantastisch geschreven en diep ontroerend. Het laat zien wat de beste literatuur vermag – en dat is het beste antwoord op de vraag naar wat haar waarde is.
 
Pas pleurer van Lydie Salvayre
 
 
 
Deze grote roman van de Franse schrijfster Lydie Salvayre kan gerust haar magnum opus genoemd worden. Nooit eerder schreef ze over haar Spaanse roots, dit keer komt ze heel dicht bij de bron van haar schrijverschap. Wie het voorrecht heeft een heel oude moeder te hebben, kent het verschijnsel: op een bepaald moment komt het verre verleden naar boven en concentreert zich een heel vrouwenleven in een paar essentiële weken, een paar cruciale  maanden. Een periode die korter is dan de vele decennia erna, maar toch doorslaggevender. Zo vertelt de moeder van Salvayre over de periode aan de vooravond van de burgeroorlog, een periode waarin zij als jong meisje, opgegroeid in een traditioneel paternalistische plattelandsomgeving, werd aangestoken door de geest van de revolutie: er was hoop op een betere toekomst, op een gelijkere verdeling van de welvaart, het leven was niet uitzichtloos. Haar hele generatie leeft op, ziet een opening, trekt naar de steden, viert feest, sluit zich aanbij de libertaire partij die even de wind in de zeilen heeft. Tegen Franco, tegen de nationalisten, tegen Mussolini. Maar al snel volgt de deceptie, de desillusie, het geweld en de uiteindelijke catastrofe van de exodus naar Frankrijk, op de vlucht voor het geweld. Salvayre spiegelt het persoonlijke verhaal van haar moeder aan de romans van Bernanos, die vanuit zijn eigen standpunt eenzelfde parcours aflegt. Wat Salvayres boek bovendien bijzonder maakt is de manier waarop ze het Frans vermengt met de Spaanse spreektaal die haar moeder gebruikt bij het vertellen van haar verhaal. Wat een geweldig boek, de grote geschiedenis ontmoet de persoonlijke, een schijfje geschiedenis ontplooit zich voor je ogen – indrukwekkend en universeel. Vertalen dit boek!

 

Europa door schrijversogen (3): de supermarkt. Regarde les lumières mon amour van Annie Ernaux

Annie Ernaux is een schrijfster die in haar werk altijd dicht bij het dagelijks leven blijft. Ze schreef over het café annex de kruidenierswinkel waar ze opgroeide, in een klein Frans dorp. Een milieu zonder boeken, ouders die iedere franc moesten omdraaien. Ik herinner me haar portretten van haar vader, haar moeder, een indringend boek over een hartstocht en het daaraan gekoppelde wachten op de geliefde. Ernaux schrijft dunne boeken, het lijkt alsof ze haar verhaal uitkleedt totdat er geen enkel overbodig woord meer in staat. Zij is een auteur die, in tegenstelling tot veel anderen, geen redacteur nodig heeft die haar adviseert eens een honderdtal pagina’s te schrappen.



Haar nieuwste boek, Regarde les lumières mon amour, past dan ook heel goed in de reeks die de Franse socioloog Pierre Rosanvallon zo’n jaar geleden lanceerde. Hij had een serie boekjes op het oog, aangevuld door verhalen op internet, die geschreven zouden worden door ‘gewone mensen’. Geen schrijvers, geen intellectuelen, geen mensen die zich doorgaans al op vele manieren kunnen uiten. Nee – de metrobestuurder, de kaartjesknipper, de nachtconciërge, de arbeider, de verpleegster. Die riep hij op om hun verhaal te doen, op de door hem gecreëerde website www.raconterlavie.fr. En het werkte. Le roman vrai de la société d’aujourd’hui wilde hij geschreven zien, met ons als zijn personages. Zo’n 3000 mensen – allemaal onderdeel van le parlement des invisibles, die hij het woord wil geven – schreven inmiddels hun eigen verhaal op de site.
Het boekje van Annie Ernaux is een van de uitgegeven delen in deze reeks. Geen wonder – haar werk sluit prima aan bij de invalshoek van Rosanvallon. Een jaar lang bezocht ze de hypermarché bij haar in de buurt met schrijversogen. Daar doet ze verslag van. Wat ziet ze in de supermarkt? Niet de kleine buurtsupermarkt zoals je die nog vindt in de grote steden, maar in de hypermarché, op het industrieterrein waar je ook een Flunch, een beddengigant en een doe-het-zelf bedrijf vindt. Ze observeert bij ieder bezoek, ze kijkt, ze beschrijft wat ze voelt en meemaakt om zo iets te vangen ‘van het leven dat zich daar afspeelt’. Ze ziet de speelgoedafdeling van de enorme winkel, met een traditioneel gescheiden meisjes- en een jongensafdeling en denkt aan de Femen. Hier zouden jullie moeten komen, schrijft ze, aan de bron van hoe ons onderbewustzijn wordt gevormd en eens lekker te keer gaan met al die ‘objets de transmission’. Ze ziet hoe op vrijdag de visafdeling lange rijen heeft. Niet vanwege religieuze motieven, maar omdat de vis dan vers is. Ze ziet hoe kinderen hun moeder aan hun kop zeuren om speelgoed. Hoe een moeder haar dochtertje wijst op de prachtige kerstverlichting – regarde les lumières mon amour. ‘In de wereld van de supermartk en de vrije economie, staat van kinderen houden gelijk met het kopen van zoveel mogelijk dingen’. Ze ziet mensen met en zonder lijstje, mensen die de prijs van alle produkten vergelijken. ‘De lichtheid van rijkdom: etenswaren kopen zonder van te voren naar de prijs te kijken’.  Ze observeert de verkopers, de velen die ze aantreft bij de informatica-afdeling, allemaal jongemannen, aristocratisch en superieur in hun bejegening van de klanten. Ze gaat vaak naar de boekenafdeling. Daar is geen enkele verkoper, alleen bordjes die de klanten verbieden de tijdschriften en boeken ter plekke te lezen. Ze ziet hoe dociel de mensen in de rij blijven staan, ellenlange rijen: ‘de plus en plus sûre que la docilité des consommateurs est sans limites’. Ze constateert dat de hypermarché de enige plek is waar alle bevolkingsgroepen elkaar kruisen, moeders met kinderen, vrouwen met hoofddoeken of met man, jonge stellen, werkenden en werkelozen, rijken en daklozen. Ze komen hoogstens ieder op hun eigen moment en verschillen in tempo. Ze ziet hoe mensen soms hardop spreken, op zoek naar een praatje, even los uit hun eenzaamheid. ‘Les sardines au piment, c’est pas pour moi!’. Ze hoort een groepje jongens lachen als ze het enige meisje stuk voor stuk verzekeren dat ‘het écht niet van mij’ kan zijn.
Zo licht Ernaux aan de hand van haar bezoeken aan de hypermarché onze maatschappij door – helder en hard. ‘Tous trop fatigués, et bientôt nous serions dehors, enfin sortis de la nasse, oublieux, presque heureux. Nous sommes un communauté de désirs, non d’action’.

Annie Ernaux, Regarde les lumières mon amour. Seuil. 71 blz. www.raconterlavie.fr.

Leestip: Europa gezien door schrijversogen (2). Jean-Christophe Rufin: Le collier rouge.

Een verhaaltje van niks, zei Jean-Christophe Rufin tegen mij, toen ik hem ruim een half jaar geleden sprak in Parijs, maar misschien was het wel het mooiste verhaal dat hij ooit had geschreven. Het ging over een hond en het was een anekdote die een vriend van hem hem had verteld. Meer kon hij er niet over zeggen, dan zou hij meteen de clou weggeven. Rufin had het over Le collier rouge, zijn meest recente boek, dat een paar maanden geleden bij Gallimard verscheen.



Inderdaad, vergeleken bij de dikke historische panorama’s die de arts-schrijver-diplomaat eerder publiceerde, is Le collier rouge een dun boekje. Het is een miniatuurtje over de relatie tussen een boer en een hond. Maar het gaat ook over strijden voor het vaderland, over verloren illusies en misverstanden in de liefde. Een soldaat zit gevangen in een kazerne in de Berry, vlakbij Bourges, in het midden van Frankrijk. De Eerste WO is net afgelopen, het is 1919. De man heeft zich onderscheiden, het Légion d’honneur gekregen. Toch is hij in de gevangenis beland, waar zijn hond dag en nacht voor zijn cel zit te blaffen, totdat hij er bijna letterlijk bij neervalt. Een rechter zoekt hem op met de opdracht te onderzoeken wat er mis is gegaan, waarom en een uitspraak te doen.
Wat de man op zijn geweten heeft blijft tot op de laatste bladzijden verborgen. Rufin slaagt erin de spanning vast te houden, met enkele pennenstreken twee mannen en hun verleden te schetsen. Er ontluikt een vriendschap die, gezien hun verschillende achtergrond en positie, geen toekomst heeft. Maar het verhaal is ook een aanklacht tegen de waanzin van de oorlog die Europa in de vorige eeuw verscheurde. Een mooi, poëtisch geschreven verhaal – puur en onopgesmukt. Een roman die, zoals ieder boek van Rufin, in Frankrijk maandenlang in de bestsellerlijsten stond.
Jean-Christophe Rufin, Le collier rouge, Gallimard.

Caprice de la reine, de nieuwe Echenoz – vingeroefeningen en toonladders

Vingeroefeningen, toonladders en een enkele ouverture – zo zou je het recente boek van Jean Echenoz kunnen karakteriseren. Zeven korte teksten, geschreven voor uiteenlopende gelegenheden en grotendeels al eerder gepubliceerd in tijdschriften voor een wat kleiner publiek. Verhalen geschreven voor musea, soms gerelateerd aan muziek of toneel. Stuk voor stuk onmiskenbaar Echenoz: precieze beschrijvingen van landschappen of straten, hilarische quasi-achteloze tussenzinnetjes, droge humor.
Caprice de la reine bijvoorbeeld, de titel van de bundel, komt uit de laatste zin van een beschrijving van een landschap. Heuvels, grazende koeien, terrasbouw, een boerderij, een ravijn. Er is behalve de beschrijvende, geen enkele verhaallijn terug te vinden. Behalve in de laatste alinea, nee, in de laatste zin. Dan verschuift de focus naar een mieren traject: de werkmieren stoppen af en toe even als ze elkaar tegenkomen. Zou het zijn om de laatste roddels uit te wisselen over de ‘caprices de la reine’?
Twintig vrouwen in het jardin du Luxembourg, in de richting van de wijzers van de klok – een lange titel voor een tekst van een paar pagina’s. Maar hij dekt de lading, het is niet meer en niet minder dan dat: van Sainte Bathilde tot Sainte Clothilde worden ze alle 20 beschreven, de vrouwen die een beeld kregen in de tuinen van het jardin du Luxembourg in Parijs. Hoe is hun haardracht, wat hebben ze in hun hand, hoe is hun gezichtsuitdrukking. Een oefening in het zo kort mogelijk beschrijven van een beeld. Een reeks die meer is dan de som der delen. Een tekst die je met vragen achterlaat. Waarom? En nu?
Maar Echenoz geeft ons ook een inkijkje in zijn werkwijze. Die indruk krijg je althans, al weet je het nooit bij Echenoz. In Trois sandwichs au Bourget, gaat de verteller met de RER naar Bourget, een buitenwijk. Criminaliteit, rotzooi, gesloten fabrieksterreinen, groepjes Noord- Afrikaanse jongens, dreiging, kleffe broodjes. Waarom gaat hij naar Bourget? ‘Pour des raison strop longs à expliquer’. We krijgen het niet te horen: heeft het te maken met de 100 parapluies die bij Eric Satie werden aangetroffen na zijn dood? Hij gaat er nog een keer heen, ziet steeds meer, bezoekt het kerkhof. Opengebroken graven, de dreiging keert terug. Wellicht lezen we het hoe en waarom terug in een volgende roman.
Het meest ‘affe’, volwassen Echenozverhaal in deze bundel is Génie civil, over een ingénieur die zijn hele werkzame leven bruggen heeft gebouwd. Na de dood van zijn vrouw beperkt hij zich ertoe bruggen te bezoeken en in kaart te brengen. Hij reist, alleen, de hele wereld over. De geschiedenis van een brug – in Frankrijk is het Maylis de Kerangal die met haar boek Naissance d’un pont de ene na de andere prijs in de wacht sleept. Ook zij bewaart afstand, heeft die documentaire blik, kijkt meer naar de techniek, de machine, de manier waarop de constructie in zijn werk gaat, dan naar de psychologie van de personages. Bij deze auteurs lijkt de machine het van de mens te hebben gewonnen: het mechaniek daagt hen meer uit dan de menselijke geest.
Het einde van Génie civial is uitermate geestig, droog als de beste Italiaanse witte wijn, Echenoz op zijn best. Het levensverhaal van deze Gluck sluit naadloos aan bij zijn eerder verschenen trilogie over Ravel, de Tsjechische hardloper Zatopek en de Amerikaanse uitvinder Tesla. Het understatement van Echenoz, zijn humor en zijn particuliere manier van naar de wereld kijken – je vindt ze allemaal terug in deze vingeroefeningen en toonladders.

Jean Echenoz: Caprice de la reine. Editions de Minuit.

Leestip: Tempête van J.M.G. Le Clézio

Als je, net als bij het werk van Modiano, bij J.M.G. Le Clézio van een ‘petite musique’ kunt spreken, dan vind je al zijn melodieën in zijn laatste boek, Tempête. Twee verhalen bevat de recente uitgave van de nobelprijswinnaar. Het tweede heet La femme sans identité. Alleen dat verhaal al brengt alle thema’s uit Le Clézio’s werk bij elkaar: ontheemding, migratie, de zoektocht naar identiteit en het spoortje hoop dat, te midden van alle aardse misère, toch aan de horizon gloort. Van meet af aan heeft de auteur met speciale aandacht en mededogen naar de vertrapten der aarde gekeken, vooral de vrouw  aan de zelfkant van de maatschappij heeft zijn aandacht – nog steeds. Maatschappelijk geëngageerd – als de term, met name in Nederland, niet zo in het verdomhoekje zat, zou dat een heel juiste benaming zijn voor Le Clézio. In Nederland was het enthousiasme dan ook niet groot, toen het Nobelprijscomité destijds zijn winnaar bekend maakte: muliti-culti, vaag, slappe verhalen. Geen Philip Roth in ieder geval, waar heel Nederland al jarenlang zijn kaarten op zet.
Om Le Clézio te waarderen moet je, meer dan in ons land het geval is, over de grenzen lezen – en dan bedoel ik niet de Amerikaanse. De auteur schrijft over eilanden in allerlei verre zeeën, historische gebeurtenissen die ver van ons bed zijn, banlieues van grote steden waarvan wij zelden gehoord hebben. Hij omspant de wereld, en ja, hij getuigt van een rustige wijsheid en groot mededogen waar in het kapitalistische Europa van de 24-uurs economie en het persoonlijke scoren geen of nauwelijks aandacht voor is. Le Clézio reist de wereld rond, en mijdt liefst grote ceremonieën of ontmoetingen met wereldleiders. Hij moet de meest bescheiden winnaar van de nobelprijs voor  literatuur zijn in de geschiedenis.
In La femme sans identité vertelt hij over het leven van een Afrikaans meisje dat op haar achtste hoort dat de moeder die ze als de hare beschouwt dat niet is. Ze is het resultaat van een verkrachting, waarna haar moeder haar heeft afgestaan. Ze groeit op bij het gezin dat haar vader vervolgens heeft gesticht.  Het valt uiteen, de band met haar stiefzusje breekt, ze raakt aan lager wal. Haar zoektocht naar haar moeder, naar de plek waar ze is geboren brengt haar uiteindelijk rust en geeft haar een toekomst. Het lijkt een eenvoudig verhaaltje, een niemendalletje. Het is de stijl van Le Clézio die maakt dat het verre van politiek correct, saai of zoetsappig is. Weer neemt hij het op voor de nomaden in de wereld, de ontheemden. Zijn wereld is hard, liefdeloos, zijn stijl vertoont de eenheid en de poëzie die de wereld ontbeert. La petite musique, ja, maar eentje die de moeite van het beluisteren steeds weer waard is.
J.M.G. Le Clézio: Tempête. Gallimard, 231 blz.

Thriller van Goncourtwinnaar Pierre Lemaitre: Alex

De winnaar van de prix Goncourt 2013, Pierre Lemaitre, is al heel lang thrillerauteur. In september komt hij naar Amsterdam voor een openbaar optreden – reden om zijn nieuwste thriller eens te lezen: Alex, oorspronkelijk verschenen bij Albin Michel, nu bij Xander uitgevers verschenen in de vertaling van Roelien Vermaant.
Een gruwelijk spannend boek is het, met een begin zo afschuwelijk dat ik even overwoog het verder maar ongelezen te laten. Gelukkig – dat deed ik niet. Ik dacht aan Hella Haasse voor wie ik soms thrillers uit Frankrijk meenam, die zo bloederig en gruwelijk waren dat ik dacht dat deze haar toch niet zouden bevallen. Maar jawel – ze verslond ze. Hoe gruwelijker hoe beter, leek het soms. Lemaitre’s Alex zou haar bevallen hebben: bloedstollend. Een ontvoering van een jonge vrouw, die zelf een seriemoordenares blijkt te zijn. Lemaitre heeft heel goed naar Stieg Larssons succesvolle trilogie gekeken, naar Beck, naar Varg veum en al die andere televisieseries uit Skandinavië: verkrachte, seksueel misbruikte meisjes, die later uitgroeien tot krachtige vrouwen vervuld van wraak. En dan slaan ze toe. Meedogenloos.
In mijn speurtocht naar het motief van moderne kunst in hedendaagse literatuur, is Alex niet bijster interessant: de hoofdpersoon heeft wel een hele stapel boeken, die duidelijk gelezen zijn. Er zijn hele zinnen in onderstreept, passages omcirkeld, bladzijden uitgescheurd en citaten verzameld. Allemaal uit de wereldliteratuur, van Duras tot Jane Austen. Een ijverig en slim meisje, leidt de inspecteur eruit af, een vrouw die bovendien meerdere talen leest. Het is ongeveer de enige verwijzing naar een kunstthema in dit boek. Geen wonder, daar draait het hier niet om. Een superspannend boek geschreven door een auteur die het vak tot in de puntjes beheerst.

Pierre Lemaitre: Alex, Xander uitgevers, vertaald door Roelien Vermaant.

Romain Gary, 100 jaar geleden geboren

De eerste associatie die ik heb met Romain Gary heeft te maken met het pseudoniem dat hij koos voor zijn roman La vie devant soi, met in de hoofdrol de onvergetelijke Simone Signoret: Emile Ajar. Een groot en ongrijpbaar auteur, die onder verschillende pseudoniemen schreef. Een in de USSR geboren man, die werd opgevoed door een grootse moeder die boven alles van Frankrijk hield én van haar zoon. Een groot schrijver moest hij worden, een oorlogsheld én ambassadeur van dat land dat ze zo bewonderde: Frankrijk. Nogal wat wensen voor een zoon die in Litouwen werd geboren en zo op het eerste gezicht geen enkel toekomstperspectief had.



Op het Gare du Nord kocht ik, wetende dat dit jaar het centenaire Romain Gary wordt gevierd, een dun boekje – precies dun genoeg om het in één reis met de Thalys Parijs-Amsterdam te kunnen lezen. Een hernieuwde kennismaking, en nu met een oudere Gary, een paar maanden voordat hij, op 2 december 1980, een eind maakte aan zijn leven. Het boekje bevat een uitgeschreven tekst van een interview dat hij gaf aan Radio-Canada. Flabbergasting. Indrukwekkend. Wat een ironische afstand, wat een fijngevoelige wijsheid, welk een humor. Een avonturier, een doerak, een militair piloot, een jongen die coûte que coûte de wensen van zijn moeder wil vervullen, die uiteindelijk, als hij haar eindelijk, aan het eind van de oorlog kan bezoeken, constateert dat ze al drie jaar dood is. Al de brieven die hij van haar ontving had ze lang voor haar dood aan een Poolse vriendin gestuurd die ze braaf iedere week op de post deed.
Le sens de ma vie heet het boekje – een aanrader, ook voor wie eigenlijk niet meer precies weet wie dat nu was en wat hij heeft geschreven. Een boekje waarin je bijna op iedere pagina een zin onderstreept, als bevatte het de ene na de andere levenswijsheid à la Montaigne. Een uitgave ook die je doet verlangen dat enorme oeuvre toch nog eens ter hand te nemen.
‘Je trouve que c’est ce que j’ai fait de plus valable dans ma vie, c’est d’introduire dans tous mes livres, dans tout ce que j’ai écrit, cette passion de la féminité soit dans son incarnation charnelle et affective de la femme, soit dans son incarnation philosophique de l’éloge et de la défense de la faiblesse, car les droits de l’homme cen n’est pas autre chose que la défense du droit à la faiblesse. Et si on me demande de dire quel a été le sens de ma vie, je répondrai toujours (..) que cela a été la parole du Christ dans ce qu’elle a de féminin, dans ce qu’elle constitue pour moi l’incarnation même de la féminité.’
Een wonderbaarlijke conclusie voor een militair, diplomaat, Hollywoodganger, journalist en schrijver die nooit op enig religieus verlangen te betrappen was in zijn leven. Maar daardoor des te intrigerender.

Romain Gary, Le sens de ma vie. Entretien. Gallimard. 101 blz. € 12,50