Daily Rituals van Mason Currey – hoe kun je kunstenaar zijn én je brood verdienen?

De Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen sloot zich iedere dag op in zijn studio in Harlem, sloot de luiken, deed de lichten uit, oorpluggen in en dronk tussen vijf en zes shotjes wodka tot hij dronken was. De auteur van La comédie humaine, Honoré de Balzac, ging ’s avonds om zes uur naar bed, stond om één uur weer op en schreef zeven uur aan één stuk door, waarbij hij per dag vijftig koppen koffie dronk. Beeldend kunstenaar Louise Bourgeois, die aan slapeloosheid leed, maakte in die nachtelijke uren dagboektekeningen en neuroloog Oliver Sacks bezoekt al meer dan veertig jaar twee keer per week om zes uur ’s morgens zijn psychoanalyticus, waarna hij gaat zwemmen. Patricia Highsmith schreef haar tweeduizend woorden per dag in bed, omringd door sigaretten, asbakken, koffie, donuts en een flinke slok sterke drank, waarna ze zich bekommerde om haar lievelingsdieren, slakken. Honderd daarvan nam ze een mee naar een cocktailparty, in haar handtas.

Hoe delen de beroemdste denkers, componisten, schrijvers, politici, architecten, wetenschappers en andere groten der aarde hun tijd in? Hoe ziet hun ritme eruit, wat zijn hun routines? En vooral: hoe kun je creatief zijn en ook nog je brood verdienen? Zes jaar geleden begon journalist Mason Currey op zijn blog een onderzoekje naar de manier waarop grootheden hun tijd indelen. Zelf leed hij aan uitstelgedrag, steeds als een deadline in zicht kwam, ging hij andere, niet ter zake doende dingen doen. Hij wilde wel eens weten hoe anderen daarmee omgaan. Zijn onderzoekje groeide, hij spitte in biografieën en interviews naar antwoorden en publiceerde onlangs Daily Rituals. How Artists Work, een boek waarin hij beschrijft hoe 160 great minds door de eeuwen heen hun tijd besteedden. 



Fellini, Marx, Faulkner, Chopin, Nikola Tesla, Tchaikovsky Eco, Agatha Christie, Andy Warhol – van allemaal weet Currey uit hoe laat ze opstonden, wat ze aten en wat ze verder aan bijzonders deden om de tijd naar hun hand te zetten. Daar gaat het uiteindelijk om in dit boek: tijd. Hoe breng je die door, hoe kom je tot concentratie in een wereld die als een meteoriet op je af komt en waaraan je je nauwelijks meer kunt onttrekken? Is het trouwens wel zo dat creativiteit in rust en afzondering tot stand komt? De Franse filosoof Descartes vond van wel. Luieren is de beste situatie om tot goede geestelijke prestaties te komen, vond hij, hij sliep tien uur per nacht en ging vaak wandelen. De Amerikaanse auteur Maya Angelou, schrijft Mason, zoekt de kalme anonimiteit van een hotelkamer, waar ze iedere ochtend om half zeven vanuit huis naar toe gaat. Thuis werken is uitgesloten. Simone de Beauvoir, de Franse schrijfster en filosofe, hechtte aan strikte discipline en werkte iedere dag van tien tot één en daarna van vijf tot negen uur. Filmmaker Claude Lanzmann herinnert zich dat ze hem, op de eerste ochtend dat ze samen wakker werden, meedeelde dat hij in bed kon werken en zich vervolgens zelf aan haar bureau zette, waar ze tot één uur geconcentreerd bezig bleef, zonder verder één woord meer tot hem te richten.

Vroeg opstaan, of je nu een kater hebt of niet – dat is een regel die velen blijken te delen. Het atelier van de Ierse schilder Francis Bacon was een grote chaos, de puinhoop van boeken, kwasten, papieren en gebroken meubilair was kniehoog en Bacon bleef altijd langer op feesten dan welke van zijn vrienden ook, maar als de zon opkwam stond hij te schilderen. Beeldend kunstenaar Georgia O’Keeffe vond de zonsopkomst ook een goed moment om te beginnen. Voor haar was de wereld op zijn aantrekkelijkst als er niemand te zien was. ‘Aangezien O’Keeffe in de woestijn van New Mexico woonde, kostte het haar geen moeite de eenzaamheid te vinden waar ze zo naar verlangde’, schrijft Mason droog. Ze moest bij haar ochtendwandeling alleen een beetje uitkijken voor ratelslangen op haar terrein.
Maar Mason laat ook beroemdheden aan het woord die de dag beginnen in een gewone baan. Kafka zat om acht uur achter zijn bureau bij een verzekeringsmaatschappij en beklaagde zich over zijn leven bij zijn vriendin: ‘de tijd is kort, mijn krachten beperkt, kantoor verschrikkelijk, het appartement lawaaierig’.  De auteur van Catch-22 daarentegen, Joseph Heller, begon pas ’s nachts te schrijven, na een volledige werkdag, aan zijn keukentafel. Wat doen Amerikanen eigenlijk ’s nachts, als ze niet schrijven?, vroeg hij zich af.

Hoewel rust en reinheid bij de groten der aarde dus geen algemene vuistregels lijken te zijn – net zomin als drank of peppillen – , geldt dat wel voor regelmaat. Bijna alle geportretteerden werken iedere dag aan wat hun bezig houdt. Soms niet heel lang. Gertrude Stein vertelde dat ze nooit meer dan een half uur kon schrijven, ,,maar jaar in jaar uit een half uur per dag levert veel bladzijden op’. Stephen King legt zichzelf een produktie van tweeduizend woorden op, inclusief tijdens vakanties en op zijn verjaardag. Andy Warhol begon iedere dag met een minutieus telefonisch verslag van de vorige dag. Zo’n twee uur lang vertelde hij aan een goede vriend precies wat hij had gedaan, gehoord en uitgegeven, hetgeen later werd gepubliceerd in de Andy Warholdagboeken. De Japanse auteur Haruki Murakami staat iedere dag om vier uur ’s morgens op en werkt dan zes uur achter elkaar. Om negen uur ’s avonds gaat hij naar bed. Hij maakt daarmee dezelfde keuze als Marcel Proust: voor hem geen sociaal leven. Ja, mensen zijn beledigd als hij niet op hun uitnodigingen ingaat, jammer dan. Hij kiest voor de relatie met zijn lezers; die is onontbeerlijk voor hem, die met zijn vrienden niet. Ook Proust bracht bijna al zijn tijd binnenshuis door, hij werkte ’s nachts en sliep overdag. Pas als hij voor zijn werk nieuwe indrukken nodig had, ging hij weer eens naar een soirée. 
Alleen de Belg Georges Simenon lijkt een volledig eigen manier van werken en leven te hebben. Hij publiceerde 425 boeken en ging er prat op dat hij minstens vijfentwintig keer zoveel vrouwen had gehad. Schrijven deed hij lang niet iedere dag. Niemand heeft hem zelfs ooit zien werken.

Werk – daar kijken de in dit boek geportretteerden allemaal hetzelfde tegen aan. Ze houden nooit op met werken, ze verliezen geen minuut. ‘Alleen in werken, in de verbeelding, zit het echte leven’, zei Patricia Highsmith. ‘Ik heb altijd gewerkt’, zei Ingmar Bergman tegen het eind van zijn leven, ‘Dat is ook goed, het reinigt. Als ik niet altijd had gewerkt, zou ik een gek zijn geweest’. Voor Flaubert was werken ‘de beste manier om aan het leven te ontsnappen’ en Freud kon zich niet voorstellen dat leven zonder werken een aangenaam leven zou kunnen zijn. Gustave Mahler wilde maar één ding: werken! En ook Matisse zei dat hij zich nooit in zijn leven had verveeld: godzijdank had hij zijn werk. Dat is de grootste gemene deler van alle great minds, geen van allen zou het oneens zijn geweest met de uitspraak van de Amerikaanse bioloog en wetenschapshistoricus Stephen Jay Gould: ‘Ik werk iedere dag. Ik werk het weekend, ik werk ’s nachts. Sommigen vinden me een ‘workaholic’, of zien dit als obsessief of destructief. Maar voor mij is het geen werk, het is gewoon wat ik doe, het is mijn leven. Ik breng ook tijd door met mijn gezien, ik zing en kijk naar voetbal. Ik heb geen één-dimensioneel leven. Maar ik werk eigenlijk altijd. Ik kijk geen tv. Maar het is geen werk, het is mijn leven. Het is wat ik doe, het is wat ik leuk vind om te doen.’
Mason Currey: Daily Rituals. How Artists Work. Alfred A. Knopf. € 23,95