Berichten

Wat beoogt Edouard Louis met zijn literatuur?

Wat vermag de literatuur? Het is een vraag die steeds opnieuw actueel is. In zijn recente interviewboek Que faire de la littérature? Méditations et manifeste geeft de Franse schrijver Édouard Louis zijn visie op wat literatuur volgens hem moet en kan zijn. Al na het verschijnen van zijn debuutroman Weg met Eddy Bellgueule in 2014 vertelde hij dat hij schreef om zich te wreken op zijn jeugd. Die was gewelddadig geweest, hij was gepest en uitgescholden, had zich vernederd en verstikt gevoeld. Als ze hem op school in zijn gezicht spuugden, dacht hij bij zichzelf: dit zal ik ooit opschrijven, het zal mijn wraak zijn.
En zo geschiedde. Woede werd zijn motor. Sindsdien publiceerde hij romans, essays en toneelstukken, veelal over zijn familie, verschenen er wereldwijd vertalingen en werd Louis een literaire wereldster. Machtsmechanismen, onderdrukking en geweld zijn zijn thema’s, evenals klassenverschil en ongelijkheid. Zelf werd hij een zogenaamde ‘transfuge de classe’; hij ontworstelde zich aan de arbeidersklasse en behoort nu tot de intellectuele internationale kunstscène. Kritiek was er ook: Louis zou geen Literatuur met een grote L schrijven, hij zette de arbeidersklasse in al zijn armoede te kijk en zo erg als hij het opschreef kón het niet zijn.
In het recent verschenen interviewboek verwoordt Louis zijn standpunten over literatuur in een gesprek met literair critica Mary Kairidi. Het is een rijk, levendig boek, waarin Louis uitlegt wat hem beweegt, wat hij met literatuur wil en beoogt. Dat het ook een tikje chaotisch is, komt doordat hij koos voor de vorm van een gesprek. Hij wil zijn lezers in het hart raken en zijn fundamentele gemoedstoestand, droefenis, met ons delen. Emoties wil hij oproepen – en daar leent een theoretisch essay zich niet voor.

Dat is ook meteen zijn eerste statement: de academische wereld en de literaire kritiek minachten literatuur waarin gevoelens worden geuit – en dat is verwerpelijk. En toutes lettres uitgeschreven emotie wordt er gezien als vulgair, gemakkelijk, larmoyant, de norm is koel en ingetogen. Een auteur wordt geacht zonder pathos te schrijven, gevoel te suggereren, te impliceren. Zelfs Louis’ grote voorbeeld Sartre was die mening toegedaan. Maar waarom eigenlijk, vraagt hij zich af? Als je uit een gezin komt waarin je vader op zijn vijftigste niet meer kon lopen vanwege zijn werk in de fabriek en je broer op zijn achtendertigste doodging aan alcoholverslaving, dan kun je niet anders dan een boek schrijven dat de lezer tranen ontlokt.  „Anders verraad ik die levens, dan maak ik ze onzichtbaar”.

Louis staat dus een ander soort literatuur voor ogen, een politieke literatuur die het expliciete omarmt: een ‘littérature de confrontation’, die de lezer direct en voluit confronteert met de lelijkheid en het kwaad van de wereld. De lezer mag niet wegkijken, dat doet hij al vaak genoeg als hij langs een dakloze loopt of door een verwaarloosde buitenwijk rijdt. Louis laat zijn lezer niet vrij, hij dwingt hem te kijken naar wat hij wel weet, maar niet wil zien. Daarom begint Louis zijn roman Ze hebben mijn vader vermoord bijvoorbeeld met het verhaal over een vader en een zoon, waarmee de lezer zich gemakkelijk identificeert. En „als ik de lezer te pakken heb, confronteer ik hem met een veel moeilijker te accepteren onderwerp: de politiek als moordsysteem”. Louis beschouwt het lezen van een boek dan ook niet als een samenwerking tussen schrijver en lezer, maar als „een strijd van de auteur tegen de lezer”.

https://www.nrc.nl/nieuws/2026/02/04/edouard-louis-wil-ultra-intieme-literatuur-die-je-voluit-confronteert-met-het-kwaad-van-de-wereld-a4917521

Goncourt nominaties laten een trend zien: de transclasse

Wie schrijft spreekt uit andermans naam, in andermans plaats, zei de Franse socioloog en schrijver Édouard Louis bij zijn recente bezoek aan Amsterdam. Schrijvers moeten zich daarom afvragen wie er niet spreekt, wie er niet bij is, wie níet gehoord wordt. Wie is er zo afwezig dat we hem niet eens missen?

In Louis’ eerste autobiografische romans zijn dat de ‘petites gens’ uit een industriestadje in Picardië, de werkloze, gewelddadige vader, de moeder die thuis de klappen opvangt, de geterroriseerde homoseksuele jongen. En de dorpsgenoten die de bezuinigingen van de regering aan den lijve voelen, degenen die niet profiteren van de globalisering. Louis herinnert zich hoe hij in 2008 – hij was 16 – naar de tv keek toen J.M.G. Le Clézio de Nobelprijs kreeg. Waarom sprak hij over fictieve personages die het moeilijk hebben in het leven? Waarom sprak hij niet over hén, hier, in Noord-Frankrijk, zíj hadden het net zo moeilijk! Louis: „Mijn sociale klasse stierf van de afwezigheid.”

Als het aan hem ligt, komt daar verandering in: „Hoe kun je over iets anders schrijven dan over geweld, klassenstrijd, armoede, onrecht, homofobie, racisme en vernedering? Literatuur moet de lezer confronteren en wel zo dat die zich niet lachend kan afwenden.”

Edouard Louis is een ‘transfuge de classe’, iemand die van het ene naar het andere milieu is opgeschoven. Hij doorbrak de wet van de ‘sociale reproductie’, waar dat in Frankrijk zeldzaam is: in zeven van de tien gevallen wordt een kind van arbeiders zelf arbeider. Louis (26) is een uitzondering, net als zijn vriend en socioloog Didier Eribon (65), de schrijfster Annie Ernaux (78) en de auteur van De kunst van het verliezen, Alice Zeniter (32).

Rijkeluiszoontjes

Sinds deze rentrée kunnen we een naam aan dit lijstje toevoegen, die van Nicolas Mathieu (40). Zijn roman Leurs enfants après eux kreeg woensdag de prix Goncourt, de belangrijkste Franse literatuurprijs. Het boek is een vuistdikke coming-of-age-roman, met vaart, geschreven in de nuchtere, rauwe taal van alledag, met veel dialogen. Mathieu heeft een verhaal te vertellen: dat van zijn alter ego en diens leeftijdgenoten die opgroeien in Heillange, een imaginair stadje in het noordoosten van Frankrijk. De krimp in de staalindustrie veroorzaakt werkloosheid: ‘De mannen spraken weinig en stierven vroeg. De vrouwen verfden hun haar en keken naar het leven met een optimisme dat langzaam afnam. Eenmaal oud geworden herinnerden ze zich hoe hun man zich afbeulde op zijn werk en daarna naar het café ging, dachten ze aan hun zoon die zich op de weg had doodgereden, en dan hadden ze het nog niet eens over de mannen die er doodleuk vandoor waren gegaan. […] Bij ons werd je ontslagen, werd er gescheiden, werd je bedrogen of kreeg je kanker. We waren gewoon normaal.’

Lees verder:

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/11/08/sociale-mobiliteit-vergeet-het-maar-a2754507

De woede van Edouard Louis en Pankaj Mishra

Op Eerste Kerstdag in Parijs, vroeg in de ochtend, brengt een jongeman zijn lakens naar de wasserij. In zijn jaszak zit het proces-verbaal van de poging tot doodslag waarvan hij zojuist aangifte heeft gedaan. Hij is doodsbang, heeft het koud. ‘Hij zal terugkomen’, maalt het in zijn hoofd. Om de herinnering uit te bannen, sopt hij als een gek zijn stoelen, schrobt hij de douche, wast hij zijn kleren, reinigt hij zijn neus – totdat niets meer ruikt naar de man die hem, na een liefdesnacht, bijna wurgde en met een revolver bedreigde. Weg wil hij, weg uit zijn huis waar hij werd verkracht en bijna vermoord. Hij zoekt zijn toevlucht bij zijn zus op het platteland, die hij al jaren niet meer heeft gezien.

Zo begint de tweede autobiografische roman van Edouard Louis, die wereldberoemd werd met zijn debuut Weg met Eddy Bellegueulle (2014). Daarin vertelt hij hoe hij opgroeit in een klein industriestadje in Picardië, in een gezin van petites gens. Vader werkeloos, moeder werkster. Dronkenschap en gewelddadig machogedrag zijn de gewoonste zaak van de wereld. De verteller, homoseksueel en dus een outsider op wie iedereen neerkijkt, krijgt het letterlijk voor zijn kiezen. Doordat Louis in zijn boek zo’n neutrale, klinische toon aanslaat, voelt ook de lezer iedere klap, iedere vernedering.

Zijn tweede roman Geschiedenis van geweld maakt eenzelfde enorme indruk – vanwege de toon, de stijl, de taal en vooral vanwege de obstinate en subtiele zoektocht naar het hoe en waarom. De hoofdpersoon woont inmiddels in Parijs en maakt ons deelgenoot van het trauma dat hij opliep in de bewuste kerstnacht. In de eerste uren erna kan hij alleen maar praten, praten als een gek, irrationeel analyseren, monomaan vragen stellen. Daarna komt de schaamte en het grote zwijgen: ‘Je zou haast denken’, zegt Louis zijn oudere voorbeeld Annie Ernaux na, ‘dat de levendigste herinneringen van een leven altijd die van de schaamte zijn’.

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/07/07/zodra-er-sprake-is-van-geweld-is-er-stilte-11697549-a1565827

Evenementen

Niets Gevonden

Uw zoekopdracht leverde helaas geen artikelen op