Sluiting van het Institut néerlandais zet relatie met Frankrijk onder druk.

In februari kondigde de directie van het Institut néerlandais aan te stoppen met de programmering van maatschappelijke debatten en literatuur. Ook van de taalcursussen wilde men af. Afgelopen vrijdag maakte het ministerie van Buitenlandse Zaken bekend dat zij het institut wil sluiten. Wat een waarschuwingsschot leek, bleek de aankondiging van de zware tankdivisie.
Wat bezielt minister Rosenthal om het Institut néerlandais, in 1957 door de Nederlandse staat zelf opgericht zo plotseling, nog tijdens de demissionaire periode van het kabinet, tijdens het reces van de volksvertegenwoordigers, te willen sluiten? Het College van Toezicht spreekt van een ‘overvaltechniek’ en heeft, behoudens de voorzitter, de vers benoemde ambassadeur Ed Kronenburg, zijn ontslag ingediend. De culturele activiteiten zullen ‘anders worden georganiseerd’, schrijft het ministerie, ‘de werkwijze in Parijs zal in de toekomst meer aansluiten op die van de vertegenwoordigingen in andere belangrijke culturele centra als New York, Londen en Berlijn. Culturele programma’s zullen vanuit de ambassade tot stand komen.’
De eerste ambassade die interessante, gedurfde culturele activiteiten organiseert moet nog geopend worden. De meeste ambassades hebben de kennis en de kunde niet in huis om maar een fractie te initiëren van wat een onafhankelijk cultureel instituut op poten kan zetten, nog afgezien van het feit dat dat niet hun missie is. Buitenlandse Zaken is flink aan het snijden in het aantal culturele attachés. Onlangs waren ze in Amsterdam bijeen, de mannen en de vrouwen die een dialoog tot stand moeten brengen tussen de Nederlandse cultuur en die van het land waar ze verblijven. Hun missie? Niet de culturele of intellectuele uitwisseling,  maar economisch gewin. Economische diplomatie is verheven tot het enige buitenlandse instrument van de BV Nederland. Het internationaal cultuurbeleid is vereenvoudigd, verengd tot de euro.
Het Institut néerlandais heeft, net als het instituut in Jakarta en Athene, een functie die nooit door een ambassade kan worden uitgevoerd. Het is het belangrijkste doorgeefluik, podium en uitvalsbasis voor de Nederlandse taal en cultuur in Frankrijk. Maar het heeft ook een makelaarsfunctie waarbij Franse en Nederlandse organisaties aan elkaar worden gekoppeld en wederzijds ervaringen worden uitgewisseld en know how gedeeld. En het Institut is de ontmoetingsplaats voor kunstenaars, beleidsmakers, historici, academici – maar vooral voor de gewone Fransman en de gewone Nederlander. De aangekondigde sluitingsoekaze laat wederom zien welke wind er waait in ons land.  Nederland heeft wel de ambitie wereldhandelsreiziger te zijn, maar toont iedere dag weer een provinciaalser gezicht. Ramen dicht, navelstaren, kop in het zand, tulpen verkopen.
Het personeel laat het er niet bij zitten en vraagt, middels een gisteren verstuurd persbericht, ook op juridische gronden het besluit op te schorten. Sinds het waarschuwingschot van februari werd er, zo blijkt ook uit de gisteren door het personeel uitgestuurde reactie, gewerkt aan de ‘ontwikkeling van een businessplan voor de bedreigde onderwijsafdeling, het formuleren van een aantal reële alternatieven voor de destijds uitgesproken beleidsplannen en de professionalisering van de fondsenwerving’.
De situatie is complex: naast het IN en BZ is de Fondation Custodia, de eigenaar van het pand aan de Rue de Lille, de derde sleutelspeler. De stichting beheert en exposeert de collectie tekeningen en prenten van Frits Lugt. Door de jaren heen is er vaker geruzied – ditmaal hebben directie en Raad van Toezicht kennelijk geen oplossing kunnen vinden – , maar nooit leidde dit tot een onoverbrugbaar conflict met desastreuze gevolgen. Benoem een commissie, doe een poging een doorstart te forceren en vooral: laat partijen het prevalerende culturele én economische belang van goede relaties met een van de machtigste Europese landen inzien!
Frankrijk behoort voor Buitenlandse Zaken tot de zogenaamde ‘prioriteitslanden’, landen waarmee Nederland een gepriviligieerde relatie wil onderhouden en waar dus extra aandacht naar uit dient te gaan. Sluiting van het belangrijkste instituut dat de wederzijdse belangen beheert is een wel heel uitzonderlijke interpretatie van het woord. Eerder beëindigde Nederland eenzijdig de subsidie voor de Frans-Nederlandse Akademie, die samenwerking tussen kennisinstellingen bevorderde. Cultuur is voor de Fransen van oudsher een instrument geweest in de geopolitieke ambities van het land – veel meer dan voor Nederland. Maar ook de Franse tegenhanger van het IN in Nederland, het  Institut Français in Amsterdam, krijgt jaarlijks minder budget. Ook dit instituut zit in een mooi, relatief duur pand in het centrum van Amsterdam en worstelt met de kosten. Het valt te hopen dat de botte bijl waarmee de Nederlandse regering haar culturele banden met Frankrijk wil doorhakken, niet als een desastreuze, economische boemerang naar Nederland terugkeert.

Filosoof Frédéric Lenoir over geluk, levenskunst en religie

Staalblauwe, lachende ogen heeft hij, een ontwapenende blik en veel aandacht voor de jonge vrouw met wie hij naar Amsterdam is gekomen. ,,Wat is de meest romantische route om terug te lopen naar het hotel?”, vraagt hij. De Franse filosoof en religiewetenschapper Frédéric Lenoir (50) is in Nederland ter gelegenheid van de vertaling van zijn meest recente boek Petit traité de vie intérieure, dat hier de titel heeft gekregen van Handleiding voor een evenwichtige geest en een kalm gemoed. Zelf heeft hij in de loop van zijn leven stapje voor stapje de lange weg naar die benijdenswaardige gemoedstoestand afgelegd – en nog struikelt hij regelmatig. In zijn boek vertelt hij zonder gêne over zijn eigen parcours, de tegenslagen, de therapieën en de obstakels die hij tegenkwam. ,,Boven de 45 begin je een zekere levenservaring te krijgen. Daarom wilde ik een boek schrijven over de blik op het leven die ik heb ontwikkeld. Hoe die eruit ziet? Je moet het leven accepteren. Dat lijkt heel eenvoudig, maar het is heel moeilijk uit te voeren. We komen voortdurend in opstand tegen het leven. We zeggen nee tegen een gezondheidsprobleem, nee als een geliefde ziek wordt en sterft, nee tegen dit of dat aspect van ons uiterlijk, nee tegen het examen waarvoor we zijn gezakt. Het leven komt niet aan onze wensen tegemoet en dus zijn we gefrustreerd. In het voetspoor van veel filosofen heb ik geleerd dat je ja! moet zeggen tegen het leven. Dat wil niet zeggen dat je alles maar gewoon moet accepteren. Als er dingen zijn die je kunt veranderen, je uiterlijk, een ziekte, dan moet je dat doen. Maar als je er niets aan kunt doen, dan moet je begrijpen dat het leven je een obstakel stuurt, dat je een mislukking op je dak krijgt, maar dat je juist door die moeilijke situatie kunt groeien. De beproevingen die ik te verduren heb gekregen bleken achteraf de mooiste kansen om vooruit te komen in mijn leven.



We moeten, zegt u, ook een goede verhouding zoeken tot de tijd en leven in het hier en nu.
Dat is fundamenteel. Wat je doet, moet je met volle aandacht doen. We hebben de neiging steeds in het verleden te vertoeven of aan de toekomst te denken. Als je ’s morgens onder de douche staat, denk je aan wat je die dag te wachten staat. Dan merk je niet hoe heerlijk het water over je lichaam stroomt. Omdat we voortdurend elders zijn met onze gedachten, voeden we onze ziel niet met gevoelens waaraan we een zekere euforie kunnen ontleden. Alle filosofen, van Confucius tot Spinoza, zeggen hetzelfde: de vreugde ligt voor het grijpen, maar dat kan alleen als je in het moment leeft.
Er is tegenwoordig veel discussie over het al dan niet bestaan van de ziel. Hoe kijkt u tegen de ziel aan?
In alle culturen, overal ter wereld, bestaat het idee van de ziel, alleen heet die overal anders. De ziel is iets in de mens dat je niet kunt zien of aanraken, maar dat wel ons diepste innerlijke leven bestuurt. Daar komt ons vermogen vandaan liefde te ervaren, ons te verwonderen over de schoonheid van de wereld, ontroerd te zijn door iets wat ons verstand te boven gaat.
In zijn boek Wij zijn ons brein verkondigt hersenwetenschapper Dick Swaab dat in de baarmoeder eigenlijk alles al vaststaat voor de rest van ons leven.
Dat is niet nieuw, dergelijke visies bestaan al heel lang. Het is een puur materialistische visie op de mens, de ziel is nu eenmaal problematisch voor cartesiaanse, rationalistische geesten. Wat de mens vormt is voor een deel aangeboren, voor een deel aangeleerd. Absoluut determinisme is nooit bewezen. Wat we erven aan genen en culturele bagage is heel belangrijk, maar het bepaalt ons niet voor de volle honderd procent. Mensen die in dezelfde omgeving of in dezelfde familie worden geboren, kunnen heel verschillende gevoeligheden en lotsbestemmingen hebben. Mensen uit heel verschillende milieus kunnen op precies dezelfde golflengte zitten. Ik heb bijvoorbeeld een veel betere verstandhouding met Socrates dan met mijn broer. Dan ben je mijlenver verwijderd van de neuronentheorie. Wat bepalend is, is het innerlijk leven. Wat ons écht karakteriseert komt voort uit de ziel en niet uit het lichaam. Er zijn mensen wier lichaam gehandicapt is en toch is er iets stralends in hun blik. Je ziet dat ze een prachtige ziel hebben. Anderzijds zijn er mensen met een goede opvoeding, geluk in het leven en een gezond lichaam, die nauwelijks een innerlijk leven hebben, die zich geen vragen stellen over de zin van het leven. Einstein, die je toch niet van spiritualiteit kunt betichten, zei dat een mens die niet in staat is het mysterie van het leven te ervaren niet écht leeft. Zelf was hij in de wetenschap de magie van het leven tegengekomen. Anderen ervaren het als kunstenaar, als minnaar, als gelovige.
U bent religiewetenschapper, filosoof, u houdt zich bezig met spiritualiteit, psychoanalyse én u bent gelovig. Hoe kunt u dat alles met elkaar rijmen?
Ik heb dit boek geschreven als mens, het is de vrucht van mijn levenservaring. Die heb ik gevoed met filosofie, het vak waarin ik ben gepromoveerd, maar ook met geschiedenis, sociologie en psychologie. Al die disciplines hebben me in staat gesteld de mens met al zijn angsten, verlangens en paradoxen beter te begrijpen. Ik geloof niet in een persoonlijke god, de god van het monotheïsme. Ik ben gelovig zoals Einstein het was, er is iets in het leven dat je niet kunt benoemen, een ander niveau van werkelijkheid. 
In uw boek stelt u onder andere de vraag hoe we een werkelijk en blijvend geluk kunnen bereiken. Maar bestaat er wel zoiets?
Een absoluut en blijvend geluk bestaat niet op aarde. Wat we wel kunnen doen is het ongeluk zo veel mogelijk naar de achtergrond verwijzen. We moeten de momenten van geluk zo lang mogelijk maken en zo intens mogelijk beleven. Het uiteindelijke doel is het bereiken van wijsheid. Hoe dat te doen? Augustinus zei het al: Geluk is blijven verlangen naar wat je al hebt. We neigen ertoe steeds weer wat anders te willen: altijd meer, beter, anders, zonder ophouden. De mens is altijd onbevredigd. Vooral als het om bezit gaat. De ideologie van nu pepert ons in dat we gelukkig zijn als we veel dingen bezitten, daarom moeten we steeds harder werken en almaar meer geld verdienen. Dat is onjuist. Een van de sleutels van duurzaam geluk is de ontdekking dat het geluk meer voortkomt uit een staat-van-zijn dan uit een opeenstapeling van bezit. Je moet je tijd geven aan dingen die ervoor zorgen dat je je goed voelt, lichamelijk én geestelijk. De wereldreligie van nu is er niet een die een god dient, maar het geld. De hogepriesters van vandaag zijn niet de imams en de rabbijnen, maar de reclamemakers. Jacques Séguéla, eigenaar van een groot Frans reclamebureau, zei een paar jaar geleden dat je leven mislukt was als je op je 50e geen rolex aan je pols had. Toen heb ik besloten dit boek te schrijven.
U heeft alle grote wereldgodsdiensten bestudeerd, van de islam tot het boeddhisme, het christendom, maar ook de Griekse denkers. Waar vond u het beste antwoord op de zoektocht naar het geluk?
De Bijbelse evangeliën zijn erg belangrijk voor me geweest, maar die gaan niet over de zoektocht naar het geluk. Socrates was op zoek naar wijsheid, niet naar geluk. Voor hem ging het erom keuzes te maken die juist zijn, niet zozeer keuzes die je gelukkig maken. Het is Boeddha die de vraag van het geluk stelt. Het hele bestaan bestaat uit lijden, zegt hij, je lijdt omdat je sommige dingen niet hebt, een liefdesrelatie of kinderen bijvoorbeeld, maar als je ze wel hebt lijd je uit angst ze te verliezen. Wat er ook gebeurt, de menselijke conditie is er een van lijden. Boeddha was de eerste psycholoog uit de geschiedenis, hij heeft de eerste existentiële therapie uitgevonden die tot een duurzaam geluk zou leiden. Het is een veeleisende weg, die van de menselijke geest een enorme inspanning vereist en waarvoor je zelfs meerdere levens nodig hebt. Het begint met loslaten: een huis hebben zonder er aan gehecht te zijn, met iemand leven en tegelijkertijd op afstand blijven. Je geest moet zich niet krampachtig aan iets of iemand hechten. Om dat te oefenen heeft Boeddha ons de meditatie gegeven, een dagelijkse oefening in het loslaten. Zelf heb ik het in India geleerd, 30 jaar geleden. Ik probeer iedere dag te mediteren. Het helpt me innerlijk afstand te nemen van wat er gebeurt, heftige emoties op afstand te houden. Daardoor reageer ik anders. Ik ben een impulsief persoon, als iemand me op straat beledigt, zou ik hem normaliter met gelijke munt terugbetalen. Nu reageer ik niet meteen, ik neem de tijd om even na te denken over wat ik écht wil zeggen.
Is de filosoof van nu niet meer psycholoog dan filosoof?
Misschien is dat tegenwoordig wel zo, ja. Men komt terug op de existentiële filosofie van Montaigne, Spinoza en denkers uit de Renaissance, voor wie filosoferen leren leven was. Alle ideologieën zijn ingestort: de dogmatische religie die ons één waarheid zou brengen, het sciëntisme dat geloofde dat de wetenschap de wereld kon redden, het nationalisme waarvoor men zijn leven gaf, het communisme dat iedereen gelijk zou maken. Nu beleven we de grenzen van de laatste ideologie, het economisch liberalisme. We merken nu dat ook het geld de mens niet gelukkig maakt. Daarom komen we terug bij de filosofie, een filosofie die wezenlijke vragen stelt en die zich bezig houdt met het individu. We hebben begrepen dat we de wereld niet kunnen veranderen, tenzij we zelf veranderen.
Het individu moet een nieuwe weg inslaan? En zijn verantwoordelijkheid nemen?
Nog nooit in de geschiedenis van de mensheid is het individu zo vrij geweest om zijn eigen leven in te richten, zijn beroep te kiezen, zijn seksualiteit te beleven. Vandaag lopen we tegen de grenzen van het individualisme aan. Maar we kunnen en moeten niet terug naar de geformatteerde vorm van het individu in de groep. De enige oplossing is dat het individu het hart van het systeem blijft en dat hij zich verantwoordelijk gaat voelen voor zichzelf en voor de ander. Het individu moet persoonlijke keuzes maken, maar met een verlichte geest, met een goed kompas, met gevoel voor collectieve verantwoordelijkheid. Komen tot een altruïstisch individualisme – dat is de uitdaging voor deze eeuw.

Frédéric Lenoir (1962) is filosoof, socioloog, godsdiensthistoricus en hoofdredacteur van Le monde des Religions. Hij woont deels in Parijs, deels in Zuid-Frankrijk. Hij schrijft romans en non-fictie en heeft een wekelijks programma op France Culture, Les racines du ciel. In het Nederlands verschenen van hem De filosofie van Christus (2008), Een geschiedenis van onze goden (2010), Socrates, Jezus, Boeddha (2010), Hoe Jezus God werd (2011) en onlangs Handleiding voor een evenwichtige geest en een kalm gemoed.

Europese Literatuurprijs 2012 voor Julian Barnes

Europese Literatuurprijs naar Alsof het voorbij is (Uitgeverij Atlas)
De Europese Literatuurprijs gaat naar de roman Alsof het voorbij is van Julian Barnes, die door Ronald Vlek uit het Engels is vertaald. Hiermee worden zowel de auteur als de vertaler bekroond van de beste Europese roman die in 2011 in Nederlandse vertaling is verschenen: de schrijver ontvangt een geldbedrag van €10.000, de vertaler € 2.500. De prijs wordt op zaterdag 1 september a.s., tijdens Manuscripta, in Amsterdam uitgereikt.
De Europese Literatuurprijs wordt in 2012 voor de tweede keer uitgereikt. Vorig jaar ging de prijs naar Drie sterke vrouwen van Marie NDiaye, vertaald door Jeanne Holierhoek.
De jury over Alsof het voorbij is van Julian Barnes en de vertaling van Ronald Vlek:
“Een roman die even kalm is als verontrustend, even melancholiek als komisch, een roman die zich op meerdere niveaus laat lezen; als een persoonlijke ontboezeming, als een relaas van iemand die zijn straatje wil schoonvegen, als een aanval op de kracht van herinneringen. Een roman die de lezer laat twijfelen aan alles wat hij over zichzelf denkt te weten. Vertaler Ronald Vlek weet de alledaagse taal van de verteller niet alleen om te zetten naar perfect, gecontroleerd Nederlands, maar weet ook heel treffend de ondertoon van Barnes te vangen. Heel nauwgezet zet hij de ingehouden, soms ontwijkende zinnen van Barnes, de lucide beelden en de zorgvuldig gekozen woorden om naar het Nederlands, zonder dat ze ook maar ergens hun lading verliezen.”
De vier andere genomineerden op de shortlist waren:
  • Geluk als het geluk ver te zoeken is van Wilhelm Genazino, vertaald uit het Duits door Gerrit Bussink (Atlas)
  • De kaart en het gebied van Michel Houellebecq, vertaald uit het Frans door Martin de Haan (De Arbeiderspers)
  • C van Tom McCarthy, vertaald uit het Engels door Auke Leistra (De Bezige Bij)
  • De waarheid omtrent Marie van Jean-Philippe Toussaint vertaald uit het Frans door Marianne Kaas (Prometheus)
De jury bestaat uit:
·         Frans Timmermans, voorzitter; Tweede Kamerlid, ex-staatssecretaris Europese Zaken
·         Joost de Vries; schrijver en literair criticus voor De Groene Amsterdammer
·         Ton Naaijkens; hoogleraar Vertaalwetenschap, Universiteit Utrecht
  • Herm Pol; Athenaeum boekhandel, Amsterdam
·         Monique van Oosterhout; boekhandel Van Gennep, Rotterdam
De longlist werd door elf onafhankelijke boekhandels gekozen. De vakjury selecteerde daaruit de shortlist en de winnaar.
De Europese Literatuurprijs is een initiatief van Academisch-cultureel Centrum SPUI25, het Nederlands Letterenfonds, weekblad De Groene Amsterdammer en Athenaeum Boekhandel en wordt mede mogelijk gemaakt door de volgende onafhankelijke boekhandels:

6eme Assises Internationales du Roman in Lyon

Voor de zesde keer dit jaar werden in Lyon de Assises Internationales du Roman gehouden, een week van ontmoetingen, discussies en interviews met grote internationale auteurs, wetenschappers, musici en acteurs, georganiseerd door de Villa Gillet en Le monde. Drijvende krachten achter het geheel zijn Guy Walter, directeur van Villa Gillet, en Raphaëlle Rérolle, verbonden aan Le monde. Van 28 mei tot 3 juni werden er tientallen fora gehouden met het overkoepelende thema ‘Penser pour mieux rêver’. Er kwam een veelheid van thema’s langs: La question de la vérité (met Catherine Millet, Lydia Flem en Camille Laurens), Corruption en violence politique (met Emmanuel Dongala, Alaa El Aswany en Juan Gabriel Vasquez) en zo kan ik nog wel even doorgaan. Van Peter Nadas tot Zakhar Prilepine, van Jean Hatzfeld tot Frederick Wisemann, van Luis Sepulvade tot Helen Oyeyemi, van Javier Cercas tot Douglas Kennedy, van Zoya Pirzad tot William T. Vollmann, ze waren er allemaal om hun licht te laten schijnen over een thema.
Kijk voor het hele programma op http://air.villagillet.net/

Dit jaar was ik uitgenodigd, samen met Nils Ahl, de ronde tafel over L’écriture de la sexualité te leiden, met de Amerikaan Nicholson Baker, de Zweedse Sara Stridsberg en de Franse schrijfster Céline Minard en de Sade-specialist Eric Marty.





Nicholson Baker, is een Amerikaanse auteur, geboren in New York, een filosoof, musicus en docent poëzie, die een groot aantal titels op zijn naam heeft staan, romans en essays. Doorgaans karakteriseert men zijn stijl als ‘miniaturistisch’. Hij streed, met succes, tegen de vernietiging van bibliotheekboeken sinds de intreding van het digitale tijdperk. Tonnen kranten zijn van de vernietiging gered. Hij is ook een ‘dirty book writer’. Zijn roman Vox uit 1992 gaat over ‘telephone sex’, zijn boek Fermata over een man die de tijd stil kan zetten en die gave gebruikt om vrouwen te ontkleden. Zijn recent in het Frans verschenen boek House of holes is pure pornografie, zij het dat de duistere en wrede kanten van porno niet in zijn boek voorkomen. De lezer komt terecht in een attractiepark van sexuele fantasie, een park waar porno onschuldig vermaak is, ver weg van geweld of wreedheid, voor zijn personages een luilekkerland van pornografie. Eerlijk gezegd had ik dit boek na 10 bladzijden wel gezien. De man is verlegen, sympathiek en krijgt bij het minste of geringste rode konen. Beetje bang voor ‘embarrassing questions’ was hij – tja, dat krijg je als je zulke boeken schrijft.
Baker introduceerde ik in het Engels, de anderen in het Frans, me baserend op een paar steekwoorden:




Over Céline Minard 
L’année dernière la revue Le matricule des anges a caractérisé Céline Minard comme l ‘enfant terrible de la littérature française contemporaine.  8 ans, 8 livres, dont le dernier So long, Luise date de 2011. Pour une lectrice néerlandaise le livre déstabilise, il m’a fallu parfois un dictionnaire, ‘jactance’ qu’est ce que cela veut dire – heureusement j’ai compris après que ce terme là a fait réfléchir pas mal de lecteurs français également. De quoi s’agit-il? D’une femme qui écrit son testament, d’une femme-écrivain qui écrit à son amante, une femme-peintre avec qui elle a passé une grande partie de sa vie, une femme qui est une escroque, qui a trahi, qui révèle des secrets de sa vie et qui se remémore une vie sexuelle et amoureuse plein d’émotion.
C’est dire beaucoup et rien dire en même temps. Avec Céline Minard on entre dans un univers inconnu, où tout est différent de ce que l’on pense, où rien n’est normal. C’est un univers plein de surprises, plein de récits incroyables, riche en images et en imagination. Dans ce livre testamentaire il y a un fil rouge du fantastique, on y rencontre des créatures fantastiques qui sont aussi réelles que ses propres voisins.   
Céline Minard échappe à toute définition de genre, de forme et de language connu. Elle a fait des études de philosophie, elle aime l’histoire des sciences, elle est née à Rouen. Avec So long, Luise elle a écrit un roman qui déstabilise, subversif, un roman testament, un conte de fée, un roman absurde et fantastique, qui ne ressemble à aucun autre.



Over Sara Stridsberg
Les variations Dolores est le sous titre de Darling river, le roman de Sara Stridsberg, traduit du suédois. Le livre nous présente des variations autour du thème de Lolita, indique le sous titre, mais le titre Darling river me parait plutôt trompeuse: il n’y a aucun darling dans le livre, en tout cas pas dans le sens qu’on lui donne habituellement. Dans ce troisième roman de l’auteur très connu dans son pays, on suit plusieurs personnages qui sont en dérive, qui partent, qui souffrent, qui cherchent à donner un sens à leur vie. Cette vie a mal commencée: la mère est partie, la femme aimée a pris la route, l’enfant qu’on a eu n’est pas aimé. Il y a Lo, la fille, la jeune femme qui accompagne son père violent en voiture, la nuit, en dormant et en mangeant derrière lui. Il y a un homme dans le jardin des plantes qui essaie à apprendre à dessiner un chimpanzee, cette grande femelle avec laquelle il aimerait bien faire l’amour.  Il y a ‘la mappemonde maternelle’, l’encyclopédie et le livre des morts – autant de chapitres qui sont d’un côté poétique et d’une langue magnifique et d
‘autre part horribles. Horribles par la souffrance des personnages, par leurs esprits dérangés, leurs vies qui finalement ne mènent à rien. L’enfance y est noire et la phase adulte n’arrange pas les choses. Alcoolisme, violence, inceste, pédophilie, amoralisme complet – ce sont des thèmes durs qui sont traités d’une façon poétique. D’où le dérèglement, d’où la malaise du lecteur, d’où l’extrème originalité de ce livre.



Over Eric Marty
Dans son livre Pourquoi le XXe siecle a-t- il pris Sade au sérieux? Eric Marty explore quel rôle Sade a joué dans l’oeuvre des penseurs et philosophes français du XXe siecle. Bataille, Blanchot, Foucault, Lacan, Deleuze, Sollers, Barthes – tous se sont intéressé à Sade, tous ont été influencé par lui et tous ont été d’une certaine maniere profondément fasciné par lui. Qu’est-ce qu’ils cherchent chez Sade, comment l’approcher moralement, dans quel mesure Sade annonce ou préfigure le nazisme? Est-il le precurseur du fascisme? Quels sont les contradictions dans ce parcours? Sade est d’une certaine manière une figure centrale très francais dans la philosophie francaise ét dans la tradition littéraire francaise. Pourquoi le prend-on si au serieux – en France? 
Marty est professeur de litt contemp à Paris VII. Il a travaillé sur l’oeuvre de Gide, il a soutenu son thèse de doctorat sur le Journal de Gide, publié alors dans la Pleiade.  Il a publié des livres sur Genet, René Char, et publié un roman, Sacrifice, chez Le Seuil. Mais il s’intéresse également a la philosophie contemporaine, a publié par ex sur Lacan et Louis Althusser.

Van Baker en Stridsberg zijn Nederlandse vertalingen verschenen, Minard is volstrekt uniek, maar ik vrees zo goed als onvertaalbaar, het werk van Marty is voor de specialist.

Pierre Michon over De elf en nog veel meer

,,Pas op”, zegt Pierre Michon tegen zijn toehoorders in Maison Descartes, ,,als u Nederlands bent, zult u niets van mijn boek begrijpen, het is franco-français”. Zijn vertaler, Rokus Hofstede, schrijft op zijn blog dat men op de uitgeverij heeft overwogen het boek, De elf, te tooien met een sticker ‘Waarschuwing. Moeilijk boek’. Michon heeft in Nederland een klein, maar trouw publiek. Aan de universiteit is het een van de weinige hedendaagse Franse auteurs die men graag onder de loep neemt. Zijn stijl is complex en veellagig, zijn zinnen hebben een hoge betekenisdichtheid en zitten vol verwijzingen naar een universum dat je moet kennen om het enigszins te begrijpen. Michon is er zich maar al te goed van bewust. ,,Het is iets dat ik mezelf vaak verwijt. Als ik wat meer lucht in mijn zinnen zou stoppen, zou het op de lezer veel beter overkomen. Soms herlees ik het begin van De elf en dan begrijp ik er niets van. Het is gewoon onmogelijk geschreven. De schrijver moet ten opzichte van de lezer een basisbeleefdheid in acht nemen, die vereist dat je vanaf het begin helder bent.”




Waarom doet u dat dan niet?
Soms doe ik dat wel..maar in dit geval niet. Ik zal u uitleggen hoe dat komt. Ik heb het begin van De elf geschreven in 1992, een paar jaar geleden vroeg mijn uitgever het af te maken. Toen ik dat had gedaan, vroeg hij me om het eerste deel te herschrijven. Ik heb het geprobeerd, maar het lukte niet. Ik had die tekst al zo lang geleden geschreven, dat ik niet meer wist welk denkprocédé ik toen gevolgd had. Ik kon hem niet meer veranderen. Het is niet anders, ook al ben ik er doodongelukkig onder.
De titel van Michons uitermate knap vertaalde boek is geen referentie aan een sprookjesfiguur, noch aan het Franse voetbalelftal of de raad van elf die prins Carnaval benoemt. Het getal verwijst naar de elf leden van het Grand Comité du Salut Public (het Comité tot heil van het algemeen), ingesteld door de Nationale Conventie, dat in 1793/94, onder leiding van Robespierre, duizenden Fransen naar de guillotine stuurde. Deze periode, ook wel de Terreur genoemd, was de gewelddadigste en de bloederigste tijd van de Franse Revolutie.
Wat maakt juist deze periode van de Terreur voor u zo interessant?
Nederland is een monarchie gebleven met Republikeinse instituties. Frankrijk, de Franse Republiek, is gebouwd op een moorddadige handeling. Het beste én het slechtste zijn in één gebeurtenis verenigd. Andere landen kennen geen schuldgevoel ten opzichte van hun revolutie. Frankrijk wel. Iedereen in Frankrijk, geletterd of ongeletterd, kent de gebeurtenissen waarover mijn boek gaat. Ook mijn grootouders, die maar eenvoudige boeren waren. Het Grand Comité du Salut Public was een soort regering die niet echt een regering was, maar een fantoomregering, die onder andere tot taak had een nieuwe grondwet op te stellen. Dat Comité fascineert me vooral omdat het me doet denken aan de magnifieke tekst van Freud, Totem en taboe. De zoons vermoorden de vader en daarna snijden de zoons elkaar de keel af, omdat er geen baas meer is. Freud schreef die mooie zin: ‘de maatschappij berust op een gezamenlijk begane misdaad’. Dat wil zeggen: we zijn allemaal medeplichtig aan de moord die de basis heeft gelegd voor de nieuwe tijd. Zoals men wel iemand offerde in het oude Rome, om zich daarna meer verenigd te voelen ten opzichte van de barbaren. Die elf kerels van het Comité hadden dus wel de macht en de allure van regeringsleiders, maar dat waren ze niet.
U kent ze van haver tot gort, die ‘kerels’. En het waren er elf, geen twaalf, zoals de discipelen van Jezus of Socrates.
Precies! 12 is een getal dat opgaat voor ideale gezelschappen, 11 is een gecastreerd getal. Er ontbreekt iets, 11 is onvolmaakt, kwaadaardig, denk aan 11 september. Ik heb me natuurlijk goed gedocumenteerd, ik weet alles van die mannen. Voor de Fransen is het Comité van Robespierre het zwartste moment van de Revolutie en tegelijkertijd het hoogtepunt. Daarna komt de reactie, Thermidor genoemd. Degenen die dan de macht grijpen zijn gematigde republikeinen, mensen die na al het geweld weer een beetje van het leven wilden genieten. Uit die tijd dateert het recept van de kreeft Thermidor, de mensen wilden gewoon weer eens lekker eten.
Na zijn debuut in 1984 met Roemloze levens (Vies minuscules) schreef Michon een aantal boeken waarin hij beroemde schilders portretteerde, zoals Meesters en knechten: het leven van Joseph Roulin, waarin hij Watteau, Goya en Van Gogh laat opdraven. Ook De elf draait om een schilder, François Elie Corentin en zijn wereldberoemde schilderij, De elf, waarop de elf leden van het Comité staan afgebeeld. Schilder en schilderij blijken fictief. Michon moet er hartelijk om lachen. ,,Er zijn heel veel mensen naar het Louvre gegaan om het schilderij te zoeken. Maar als lezer kun je meteen concluderen dat ik het doek heb verzonnen: ik schrijf dat het het beroemdste schilderij ter wereld is en dat men de Mona Lisa links laat liggen om De elf te gaan bekijken!”
Het doek is dus fictief, maar de historische context waar?
Voor het tweede deel van De elf wilde ik een tekst maken die direct ontsproot aan de politiek. Maar dat was moeilijk, want de Franse Revolutie is een heilige gebeurtenis,
daar kun je niet zomaar aankomen: de historici kijken altijd mee. In die tijd las ik een boek over de Italiaanse schilder Tiepolo. Zo kwam ik op het idee een schilder van het Ancien Regime te koppelen aan de Terreur. Ik verzon een mooie schildersnaam, Corentin, en gaf hem alle kenmerken van een Franse Goya. Het werkte: de historici vonden het prachtig. Ze begrepen dat ik door die lui van dat Comité gefascineerd ben, maar ze weten niet of ik voor of tegen ze ben, of ik ze vergeef of monsters van ze maak. Ik neem in het boek geen stelling. En dat schilderij is fake. In mijn verhaal is de opdracht gegeven door samenzweerders die een pseudo-staatsschilderij wilden laten maken om het Comité in diskrediet te brengen. Het échte Comité zou het nooit hebben besteld.  Gisteren zag ik De staalmeesters in het Rijksmuseum: die mensen hebben het voor het zeggen als het om de lakenhandel gaat, ze staan ergens voor. Het Comité zou dat nooit hebben gedaan, ze stonden niet écht ergens voor. Behalve dat schilderij is álles in mijn boek historisch waar – dat vind ik belangrijk.
Uw werk zit vol met verwijzingen, een flink deel daarvan is bijbels.
Ik heb eens gezegd dat schrijven puur gebed is. Dan heb ik het niet over het innerlijke gebed van de protestantse kerk, de directe dialoog met God, maar over de ceremonies van de rooms-katholieke kerk, over mensen met mijters op het hoofd en door de kerk dansende wierookflesjes.
Gaat het u om de viering? De viering van de literatuur?
Ja, dat doe ik met verschillende middelen. Ditmaal vier ik de literatuur via de geschiedenis.
Bent u gelovig?
Ik weet het niet. Matisse antwoordde, toen hem die vraag werd gesteld, ,,als ik schilder”. Voor mij is het net zo. Weet u, ik wil iedere gebeurtenis, of dat nu de kleine levens zijn van de boeren uit de Creuse of de grote van de Franse Revolutie, behandelen met de vervoering en de devotie die de schrijvers van de bijbel hadden. Want wat is de bijbel anders dan een compilatie van teksten, literatuur?
Heeft u dat uitgangspunt ook gehanteerd bij de vele ‘vitae’, de levensbeschrijvingen van gewone mensen en van beroemde schilders uit uw werk?
Je moet het leven zien onder een ‘heilige’ hoek, maar het woord ‘heilig’ is zo moeilijk te definiëren. Het gaat om het vieren van de mis, maar ook om het vieren van de taal. Het belangrijkste is misschien wel dat een schrijver verliefd moet zijn op zijn onderwerp. Anders is hij te kritisch, dan gaat hij demystificeren. Ik vind het interessanter om te bewonderen dan te bekritiseren. Ik houd ervan om te mystificeren met zelfironie.
U bedoelt?
Jaren geleden woonde ik in Orléans, ik schreef mijn teksten over Goya, waarin ook veel sprake was van Velasquez.  ’s Nachts sliep ik thuis, bij mijn vrouw, overdag werkte ik in een studio. ’s Morgens vroeg ging ik daarnaartoe, met de bus. Op een ochtend keek ik in die bus om me heen, ik zag al die afgematte, uitgebluste gezichten van de mensen die naar hun werk gingen. Ineens zie ik allemaal schilderijen van Velasquez. Voilà.

Pierre Michon: De elf. Vertaald, van aantekeningen en een nawoord voorzien door Rokus Hofstede. Van Oorschot. 113 blz. Prijs € 15

Dijkgraaf modereert ook… L'etat de la question – het Frans en de collegetour met Louise Gunning en Robbert Dijkgraaf

Jelle Koopmans en Katell Lavéant over de actualiteit van de studie Frans in Nederland, een beeld van vroeger en nu:
http://www.spui25.nl/spui25/archief.cfm/2D10606A-2E41-481B-82A13D41918AF8B9

en: 380 jaar ‘nieuwsgierig’, het lustrumthema van de Universiteit van Amsterdam:
http://www.uva.nl/lustrum/programma.cfm/F68282C1-5B22-4651-BAC0244CC323AC29

Bij de dood van Jacqueline Harpman

Een van de eerste grote interviews die ik ooit deed was er een met Jacqueline Harpman. Ik herinner me nog als de dag van gisteren hoe hartelijk ze me, met haar man, ontving, in haar huis in Brussel. Het meest onrechtvaardige van het leven, vond ze het feit dat het ooit zou ophouden, ze had nog stof voor leven en schrijven tot in de eeuwigheid.

Mort de la romancière Jacqueline Harpman (bron: Livres hebdo)

Publié le 24 mai 2012 par jd, avec afp
La lauréate du prix Médicis 1996 s’est éteinte à l’âge de 82 ans.
« La littérature belge est en deuil », écrit sur son site Internet le quotidien Le Soir après la mort de l’écrivaine et psychanalyste Jacqueline Harpman, prix Médicis 1996 pour Orlanda et décédée jeudi 24 mai à l’âge de 82 ans.
Née à Bruxelles en 1929, Jacqueline Harpman a vécu les années de guerre au Maroc, où son père, juif d’origine néerlandaise, s’était réfugé. Après avoir commencé des études de médecine, elle choisit de se consacrer à l’écriture. Son premier roman, Brève Arcadie, paraît en 1959 et remporte le prix Rossel, l’un des plus importants de Belgique.
Suivent L’Apparition des esprits (1960) et Les Bons sauvages (1966), qui passe inaperçu. Elle cesse alors d’écrire pour se tourner vers la psychanalyse.
En 1987, La Mémoire trouble (Gallimard) inaugure une seconde période littéraire. Suivent La Fille démantelée(1990) et La Plage d’Ostende (1991), tous deux parus chez Stock.
En 1995, chez le même éditeur, Moi qui n’ai pas connu les hommes manque de remporter le prix Femina. Jacqueline Harpman prend sa revanche un an plus tard en recevant le Médicis pour Orlanda (Grasset), ex-aequo avec Jean Rolin.
Ces dernières années, elle avait notamment publié Mes OEdipe (Grand Miroir, 2006), Ce que Dominique n’a pas su (Grasset, 2008) et Ecriture et psychanalyse (Mardage, 2011). La plupart de ses romans ont été repris au Livre de poche. 
Dit schreef ik eerder over haar (uit: Franstalige literatuur van nu, De Geus)
Jacqueline Harpman, tussen literatuur en psycho-analyse
Jacqueline Harpman (1929) is één van de meest gerenommeerde schrijfsters uit Wallonië. Ze debuteerde in 1959 met de roman Brève Arcadie. Na drie redelijk succesvolle romans, een scheiding, een afgebroken studie medicijnen, een tweede huwelijk en de geboorte van twee dochters, onderbrak Harpman gedurende twintig jaar haar literaire carrière om psychologie te gaan studeren, in analyse te gaan en uiteindelijk zelf psychoanalytica te worden. Sindsdien heeft ze een praktijk in Brussel en is ze nog steeds bijna dagelijks met haar patiënten bezig.
Na een periode van bijna twintig jaar stilte op het literaire vlak, nam ze het schrijven weer op, vertelt Harpman in haar woning in Brussel. “Eerst had ik niets te vertellen. Daarna is het weer begonnen, gewoon vanzelf, op een avond tijdens een vakantie. Ik dacht dat het de volgende dag wel weer over zou zijn, maar ik ben doorgegaan met schrijven.”
Inmiddels heeft ze zeventien romans op haar naam staan, waaronder Het geluk in het kwade, Het strand van Oostende en Orlanda, dat in 1996 met de prix Médicis bekroond werd.
Harpman wordt mateloos gefascineerd door het functioneren van de menselijke geest. Als psychoanalytica bestudeert zij deze in de verhalen van haar cliënten. Als romanschrijfster laat zij haar verbeeldingskracht samenvloeien met haar nieuwsgierigheid naar de kronkels van de psyche en plaatst zij haar personages, niet zonder humor, in de meest vreemdsoortige situaties. Vervolgens kijkt zij – geïnteresseerd en geamuseerd – toe hoe ze zich gedragen.
“Psychoanalyse en literatuur, het zijn voor mij de twee benen van een stemvork, zegt Harpman. ‘Je tikt tegen de één en de andere trilt mee. De één zet de ander in beweging. Toch zijn ze op een bepaalde manier onafhankelijk. Soms begrijp ik patiënten omdat ik al geschreven heb over de dingen die zij vertellen. Het is altijd een kwestie van gevoelens onder woorden brengen. Ik kan mijn personages laten voelen wat ik wil. Maar met mijn eerste boeken heb ik ervaren, dat de mensen niet werkelijk lazen wat ik had geschreven. Ze lazen een boek dat ze in hun hoofd hadden, dat misschien wel enig verband had met wat ik had opgeschreven, maar ze lazen het mijne niet echt. Daar werd ik toen gek van. Nu kan het me niet schelen, want ik heb dat andere gebied waarin ik mensen precies kan vertellen wat ik
zelf wil dat ze horen. Dat stelt me in staat rustig te accepteren dat mensen die mijn boeken lezen, iets ander lezen. Nu vind ik dat ze dat recht hebben.”
Van 1940 tot 1945, van haar elfde tot haar zestiende jaar, woonde Harpman in Casablanca. Het was een bijzondere periode in haar leven: “Vreemd genoeg heb ik me pas gerealiseerd dat ik veel van dat land hield, toen ik terug kwam in Brussel, in de kou, in de regen, de sneeuw en de modder. We waren in Marokko vanwe­ge de oorlog, we waren in ballingschap. Ik ben begonnen met schrijven op de dag dat wij ver­trokken, een grote avon­turen­roman met een meisje in de hoofdrol. Ik las veel. Ik was toen erg onder de indruk van een verhaal van Edgar Allan Poe, waarin een schilder een vrouw schildert. Naarmate het schilderij vordert en steeds levensechter wordt, sterft de vrouw, stukje bij beetje. Daarna heb ik een ver­haal geschreven waarin een beeld­houwer een beeld maakt en terwijl het beeld steeds leven­diger wordt, u raadt het al, gebeurt hetzelfde. Ik reali­seer­de me helemaal niet dat het plagiaat was, ik wist helemaal niet wat dat was. Ik laat me trouwens nog steeds inspireren door het werk van anderen. In de bibliotheek van Casablanca vond ik bij toeval, naast de F van Flaubert, een boek van Freud. En dat was een openba­ring. Ik dacht, met de preten­tie van een vijftienjarige, dat ik intelligent was. Bovendien was ik ervan over­tuigd dat ik erg lelijk was, een ware cata­strofe, en dat ik het dus in mijn leven van mijn intel­lectuele kwaliteiten moest hebben.”
Dat kwam door haar moeder, zegt Harpman: “Zij legde mij uit dat zij mooi was en daarmee impliceerde dat ik, arme ziel, te mager was en te lang. Maar ik wilde niet dik worden zoals zij. Ik heb daar jaren problemen mee gehad, want het heeft heel lang geduurd voordat ik me reali­seerde dat ik was zoals iedereen. Ik was niet lelijker dan anderen. Als jong meisje was ik het type dat vreselijke dingen zei, dat blunders maakte, aan­stoot gaf. Allemaal dingen die een zestienjarig welopge­voed meisje niet hoorde te doen. Ik herinner me sombere blikken. Toen ik in Brussel terugkwam was dat echt een schok. Ik had het zo koud dat ik voortdurend ziek was.”
Moeders komen er nooit goed vanaf in Harpmans werk. Het meest extreme voorbeeld is La fille démantelée (1990), waarin een vrouw een monument van woorden opricht voor haar zojuist overleden moeder. Het is een agressief, heftig boek, vol haat tegen de moeder die het leven van haar dochter heeft vergald.
“Haat en liefde, iedereen heeft beide in zich. Ik ben jaren in analyse geweest, ik ken die haat zoals ieder ander. Men zegt altijd dat er twee soorten patiënten zijn. Diegenen die komen met hun haat voor hun vader of moeder, waarbij het gaat om het naar voren halen van hun liefde voor die persoon; en zij die komen met hun liefde waarbij het erom gaat hen hun haat te laten ontdekken.”
“Bovendien heeft de mythe van de moeder me altijd vreselijk geïrriteerd. Al op school in Marokko, en ook later, na de oorlog, was het motto “Werk, Gezin, Vaderland”. Men drong ons een literatuur op over moederlijke toewijding. Maar ik zag overal moeders om me heen met wie het eigenlijk helemaal niet zo goed ging. Met die tijdsgeest in het achterhoofd heb ik La fille démantelée geschreven. Het is inderdaad aanvallend, agressief. Ik heb er twee mensen spontaan mee genezen, twee vriendinnen wier moeders net waren overleden en die vol schuldgevoelens zaten. Het lezen van zo’n boek kan bevrijdend werken. Het schrijven ervan was een genot. Maar het is echt een mythe dat je je van iets kan bevrijden door erover te schrijven. Als je een probleem hebt, is het na het schrijven echt niet opgelost. Je kunt eventueel een katharsis beleven, maar alles komt daarna weer op dezelfde plaats terecht.”
Nieuwsgierigheid als de motor van het leven
De bekroning en het succes van haar tiende roman Orlanda (1996) zorgde ervoor dat het literaire werk van Harpman weer volop in de belangstelling kwam. In Orlanda, een evidente verwijzing naar Virginia Woolf’s Orlando, stelt Harpman zich voor hoe de wereld eruit zou zien als vrouwen hun verdrongen mannelijke eigenschappen openlijker zouden laten spreken en mannen hetzelfde zouden doen met hun vrouwelijke karaktertrekken. Wat Virginia Woolf zich op een metafysisch niveau afvroeg, laat Harpman “echt” gebeuren. Orlanda, de mannelijke helft van de vrouwelijke hoofdpersoon, ontsnapt en vestigt zich in het brein van een mooie jongeman die op dat moment in de stationshal een kopje koffie zit te drinken. De vrouw gaat achter haar rebellerende, voortvluchtige mannelijke element aan en wat volgt is een uitermate vermakelijk en spannend verhaal, dat niet alleen een boeiend uitgangspunt is voor een analyse van zogenaamd ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ eigenschappen, maar ook vol zit met humor en literaire verwijzingen en en passant de perfecte moord beschrijft. Deze constructie stelt de schrijfster in staat een scheiding aan te leggen tussen veronderstelde “mannelijke” en “vrouwelijke” eigenschappen. De vertelster kijkt nu eens door de ogen van de vrouw, dan weer door die van de man en ook soms door haar eigen ogen naar het aantrekken en afstoten van de twee helften, wat het een erg interessant, onderhoudend en grappig boek maakt. Je zou het ook kunnen lezen als een handboek voor een gelukkiger leven.
” Ik ben er zeker van dat Orlanda vrouwen kan helpen gelukkiger te worden, de vrijheid te nemen te zijn wie ze zijn. Je kunt alleen helemaal jezelf zijn als je open staat voor alle delen van jezelf, voor een vrouw het mannelijke deel en voor een man het vrouwelijke deel. Tegenwoordig beschuldigt men vrouwen die carrière willen maken niet meer van “protestation virile”, in vroeger tijd een gebruikelijke term om vrouwen aan te duiden die net als mannen carrière wilden maken en een eigen leven wilden leiden. Dat is gelukkig voorbij. Hoewel er nog steeds personen zijn die vinden dat vrouwen hun plaats moeten kennen. Vrouwen zijn verder op weg met de integratie van hun mannelijk deel dan mannen met de integratie van hun vrouwelijke deel. Er zijn nog steeds maar heel weinig mannen die thuis voor de kinderen zorgen.”
In Orlanda stelt Harpman de filosofische vraag: wie ben ik? Welk deel van mij is er aan het woord? “Die vraag stel ik me als psychanalitica. Wie spreekt er? Wie zegt “ik” op dit moment? Welk deel van mij is actief? Voor mij is dit geen filosofische
vraag. Eén van mijn patiënten heeft me eens iets uitzonderlijks gezegd. “Als u u tegen mij zegt, moet u preciseren tot welk deel van mij u zich richt.” Ik vond dat fantastisch. Want ik dat is niet één persoon, dat zijn er honderdduizend. En van die honderdduizend personen kies je er een paar waarmee je leeft. Er zijn nog veel meer anderen in aanleg aanwezig. Ik ben geworden wat ik ben, maar ik had iemand anders kunnen worden. Dat houdt me vaak bezig. Op een bepaald moment in mijn leven ben ik met een meneer getrouwd. En als ik nu met die jongeman was getrouwd op wie ik op mijn negentiende zo verliefd was? De persoon met wie je leeft heeft een enorme invloed op je. Hij of zij stelt je in staat die ene eigenschap te ontwikkelen en die andere weer niet. In Marokko had ik een docent die mijn interesse in de literatuur aanwakkerde. En als ik die nu eens niet had ontmoet? Ik geloof echt dat je niet weet wie “ik” is. Als u mij zou vragen mezelf te beschrijven, zou ik me in verlegenheid gebracht voelen. Mijn boeken beschrijven me.”
In zekere zin is Harpman een feministisch schrijfster. “Niet van het soort dat mannen hun geslacht afsnijdt, maar ik ben er altijd vanuit gegaan dat mannen en vrouwen gelijk zijn. Ik heb me altijd afgevraagd waar het bizarre idee vandaan kwam dat vrouwen ondergeschikt zouden zijn aan mannen. Ik zag overal om me heen vrouwen die intelli­gent waren, die nadachten en ik had opmerkelijke docenten op school. Maar ik werd in mijn jeugd doodgegooid met uitspraken als “nee, dat is niets voor jou, dat is voor jongens.” De opvoeding berooft mensen zo vaak van allerlei dingen. In die tijd had ik wel een jongen willen zijn. Toen ik in de gaten kreeg dat dat absurd was, wilde ik me, vooral intellectueel, zoveel mogelijk ontwikkelen.”
Harpman beschrijft het leven van Aline, de hoofdpersoon uit Orlanda, Aline, als een leven dat rustig voortkabbelt, zolang er maar geen geheime souterrains of gesloten gangen uit het geheugen worden geopend. Vervolgens laat ze het uitelkaarspatten. “Ik zie veel jonge vrouwen met geheime gangen, die absoluut geopend moeten worden. Ik denk aan jonge mensen die, om de een of andere reden, in analyse gaan, die opbloeien en die aspecten van zichzelf ont­dekken die ze zelf niet eens kenden. Het kan ook anders. Er kunnen in een leven dingen gebeuren waardoor opeens iets uiteenspat, maar dat is een uitzondering. Als een leven regel­matig, zonder drama’s verloopt kun je je hele leven naast jezelf doorbren­gen. Aline beleeft een drama, ze verliest de helft van haar persoonlijkheid, maar komt, uiteindelijk, veel gelukkiger uit de strijd tevoorschijn.”
Eigenlijk voelt Aline zich alleen werkelijk gelukkig als ze schrijft. “Schrijven en nadenken, daar kun je je altijd in terugtrekken en plezier aan beleven. Aline is heer en meester over zichzelf als ze schrijft. Net als ik wordt ze gedreven door het verlangen om te ontdekken, om te leren en te weten. Nieuwsgierigheid is de motor van het leven, in mijn geval nieuwsgierigheid naar het functioneren van de menselijke geest. Men vraagt me heel vaak waarom ik schrijf. En als ik daarover nadenk vraag ik me af hoe het komt dat niet iedereen dat doet. Want voor mij is het iets natuurlijks.”
Hartstocht is vernietigend
Vaak worden de hoofdpersonen uit het werk van Jacqueline Harpman door een allesoverheersende hartstocht gegrepen. Zij streven er naar een ideale harmonie te bereiken, een volledige eenheid met die ander, waarbij ze mensen uit hun omgeving en soms ook zichzelf ten gronde richten. Hartstocht is per definitie vernietigend. “Passie moet veranderen in iets anders, in liefde, vriendschap of genegenheid. Wat er in ieder geval over moet blijven is het voornemen de ander te begrijpen. In een relatie maak je voortdurend fouten, maar als de ander antwoordt en de vergissing corrigeert, dan kan je vooruit gaan. Zo niet, dan hoor je tot die mensen die elkaar niet begrijpen omdat ze het niet uitleggen. We zijn helaas niet telepathisch. Daarom zijn we verplicht onszelf voortdurend uit te leggen. En zij die dat niet doen slagen er niet in een leven met iemand te delen. Telepathie is één van mijn favoriete mythen. Ik houd erg van science fiction romans waarin de personages die heldere telepathische blik hebben op de ander, dat moet geweldig zijn. De fantastische verhalen die ik in Orlanda vertel zijn waar gebeurd. De voorspellende droom van een vrouw die haar zoon zag in een auto-ongeluk, de man die droomde van zijn dochters dood, ze zijn gebeurd bij mensen die ik ken.”
Ook in een ander opzicht speelt de dood een grote rol in het werk van Jacqueline Harpman. De schrijfster vindt het onverteerbaar dat het wegtikken van de tijd ons, seconde voor seconde, dichter bij onze dood brengt. “Het is schandelijk, onacceptabel en weerzinwekkend dat het leven op een gegeven moment gewoon ophoudt. Daar word ik woedend over. Ik ben klaar voor nog eens vierhonderd jaar. Toch ben ik niet bang voor de dood. Ik geloof niet in een hiernamaals, dus ik heb niets te vrezen. Ik bezoek af en toe een mooi oud kerkhof bij de zee en als ik dan die graven bekijk, denk ik altijd aan die mensen die hun eigen manier hadden om te voelen, te lijden, te beminnen, wakker te worden, kortom te leven en wij weten daar niets meer van. Dat is iets wat mij altijd weer verscheurt. Daarom houd ik er ook van te schrijven, dan weet men tenminste wie ik geweest ben.” 
De ratio als veilig kompas
In haar elfde roman, L’orage rompu, laat Harpman haar personages wederom in een heftige, existentiële crisis terechtkomen. Onder het rustige leventje van de twee hoofdpersonen worden de grondvesten weggeslagen door ‘a crack of light between two eternities of darkness’, zoals het citaat van Nabokov aan het begin van het boek luidt. Een vrouw en een man ontmoeten elkaar in de restauratiewagen van de sneltrein van Parijs naar Brussel. Zìj is een expert in het duiden van statistieken, bovenmatig intelligent maar desondanks erg onzeker. Ze komt terug van de begrafenis van haar ex-man die haar twaalf jaar heeft gekoeieneerd. Hìj is het type knappe zakenman in driedelig grijs, koel, snel verveeld en getrouwd met een charmante vrouw wier leven draait om de kinderen en de tuin. Deze twee mensen, die maar enkele uren samen doorbrengen, komen via de blik van de ander tot verrassend nieuwe inzichten over hun jeugd en over hun ouders en spreken binnen tien minuten zonder enige schroom over hun meest intieme gevoelens – iets waar de barrière van de conventie hen normaal van zou hebben weerhoud
en. Onder onze ogen vindt er een onomkeerbare chemische reactie plaats en wordt een passie geboren.
De emotionele wervelwind waarin de personages verzeild raken wordt weerspiegeld in de snelle, ononderbroken vertelvorm, waarbij herinneringen, dialogen en gedachten elkaar zonder één enkele witregel opvolgen. Deze constructie geeft Harpman de gelegenheid om in haar mooie, klassieke proza met grote vaart thema’s aan de orde te laten komen die haar na aan het hart liggen. De vernietigende werking van hartstocht is daar één van. In vorige romans als Het strand van Oostende en Het geluk in het kwade is oncontroleerbare, nietsontziende hartstocht de oorzaak van dood en verderf. In L’orage rompu vallen er voor het eerst geen onschuldige slachtoffers. ‘Ik geloof dat ik hartstocht verafschuw’, zegt de innerlijke verscheurde vrouwelijke hoofdpersoon die daarmee de storm van hartstocht die in haar opsteekt bezweert – uit angst, uit lafheid, maar ook omdat ze weet dat ‘liefde sterft en dat alleen datgene wat niet is gebeurd de oneindige gratie van de droom behoudt’.
Het kwetsbare kaartenhuis waarin het leven bij Harpman zich afspeelt, vol afgesloten kamers en onderaardse gangen, kan bij het minste zuchtje wind plotseling in elkaar storten. Tijdens ontdekkingstochten naar hun diepste wezen verdwijnen er personages in onverwachte, emotionele valkuilen of stellen zij vast dat zich achter hun gangbare, bordkartonnen masker eigenlijk een heel ander mens bevindt. 
Een ander favoriet thema van de schrijfster is dat van de telepathie of, beter gezegd, van het ontbreken daarvan in menselijke relaties. Ook in L’orage rompu neemt zij de romantische gedachte op de korrel dat mannen en vrouwen elkaar zonder woorden zouden aanvoelen of begrijpen. Door perspectiefwisselingen laat zij met veel humor zien hoe – bij gebrek aan helderziendheid èn aan werkelijke communicatie – misverstanden zich torenhoog opstapelen en onvermijdelijk tot desillusies leiden.
Het kompas waarop je – volgens Harpman – altijd veilig kunt varen is dat van de ratio en van de reflectie, van de honger naar kennis. Het betekent de redding van de vrouwelijke hoofdpersoon uit Ik die nooit een man heb gekend, de roman die in Frankrijk vóór Orlanda verscheen maar daar in geen enkel opzicht mee te vergelijken is. Geen sfeervolle herenhuizen, maar betonnen, ondergrondse kelders en uitgestrekte, science-fictionachtige dorre vlakten. Geen enkele man, maar veertig wanhopige vrouwen die meer dan twintig jaar, om onbekende redenen, in een kooi gevangen zijn gehouden en zich na hun ontsnapping verbijsterd afvragen of ze misschien op een andere planeet zijn beland. Van de jongste vrouw, die nooit eerder in vrijheid heeft geleefd, kun je je met recht afvragen of zij wel menselijk is. Omdat zij noch haar ouders noch andere familieleden heeft gekend wordt zij niet gekweld door herinneringen en verlangen naar vroegere liefdevolle warmte, maar beschikt zij ook niet over het palet aan tegenstrijdige gevoelens dat bijvoorbeeld L’orage rompu zo boeiend maakt. Ik die nooit een man heb gekend schetst op een aangrijpende, nachtmerrieachtige manier de verschrikkingen van eenzaamheid, van een geheel en al op zichzelf teruggeworpen zijn. Hoe is het te leven zonder liefde, zonder zinvol heden en vooral met als enige toekomstige zekerheid de dood? Hoe houdt je je staande in een vacuüm van tijd en ruimte terwijl je innerlijk net zo dor is als de onvruchtbare vlakten om je heen? Het is een extreme situatie die van de lezer nogal wat geduld en inlevingsvermogen vergt, temeer daar het boek dit maal iedere vorm van humor ontbeert en de lezer bovendien volledig in het duister tast over het hoe en waarom van de uitzichtloze situatie van de hoofdpersoon. 
Menselijke trekken krijgt dit personage alleen dankzij haar wil te ontdekken, op onderzoek uit te gaan, te leren en te interpreteren. Haar nieuwsgierigheid blijft haar leidsman, hoe bar en zinloos haar ronddolen ook is. Ze vindt haar leven volledig onbeduidend, maar voelt toch de behoefte het te boekstaven – het blijkt de enige gelukkige, zinvolle tijdsbesteding uit haar bestaan. ‘Zit er soms in de activiteit van het zich herinneren een bevrediging die gevoed wordt door zichzelf’, vraagt de vertelster zich af, ‘en is de herinnering als zodanig soms minder belangrijk dan de activiteit van het zich herinneren?’ Het is een vraag die de psychoanalytica Harpman – zoveel meer geïnteresseerd in mentale zoektochten dan in droge feiten uit het verleden – ongetwijfeld bevestigend zou beantwoorden.

Ayu Atami – tussen traditie en modernisme

Een jampotje met een vingerkootje, een menselijke rib, het boek How to win hearts, een steen met een fossiel in de vorm van een slakkenhuis ‘met een ziel die zich uit in sprookjes en verhalen’.  Allemaal voorwerpen die zich in een pronkkast bevinden, de glazen kast waarin Sandi Yuda, de verteller van Het getal Fu, de tastbare herinneringen aan zijn leven bewaart. Hij was rotsklimmer, een ijzersterke jongen, student informatica, die zich bewees door de steile kalksteenrotsen aan de rand van Bandung te bedwingen. Hij was dol op gokken, sloot over van alles een weddenschap af en bedreef luidruchtig de liefde met zijn mooie vriendin. Tot zijn ontmoeting met Parang Jati, een student geologie die je de verpersoonlijking van ‘de andere kant van Indonesië’ zou kunnen noemen.





Het zijn de twee belangrijkste personages in Ayu Utami’s onlangs vertaalde roman. Utami (1968), Indonesië’s bekendste schrijfster, journalist en radiomaker is geëngageerd, kritisch en laat niet na de barricades op te gaan. Tegen de corruptie, tegen de pornografiewet die de kledingvoorschriften voor vrouwen extreem aanscherpt, tegen het toenemend fundamentalisme. Het zijn thema’s die in haar nieuwe vuistdikke boek ook aan de orde komen, maar Utami’s ambitie reikt duidelijk verder: ze portretteert heel Indonesië, de religieuze stromingen, de veranderingen sinds Soeharto, het militarisme, het dorpsleven, de bedreigde natuur, het lot van mismaakten, seks, huwelijk en vriendschap. Geen aspect van het land lijkt ze links te willen laten liggen. 537 bladzijden telt haar boek dan ook, met een verhaallijn die vaak onderbroken wordt door legenden, mysteries, krantenartikelen, tekeningen van wajangfiguren, historische terzijdes of een toelichting op politieke achtergronden. Ook laat Utami theoriën over getallen en hun metafysische betekenis op ons los en geeft ze en passant een lesje religiewetenschap en Javaanse cultuurhistorie. Het boek koppelt een veelheid van verweven verhalen aan een hoge dichtheid van symboliek en allerhande verwijzingen.
Bijbelse bijvoorbeeld. De groep rotsklimmers, 12 in getal, zijn ‘discipelen’, ‘asceten’ die weten dat ‘hun rijk niet op aarde is’, die ‘beproevingen’ moeten ondergaan, ‘martelaren die weten dat het genot in stilte en zwijgzaamheid beleefd moet worden’. Ze zijn bevreesd tijdens het klimmen een fout te maken die een van hen het leven kost, bang ‘de rol van Judas’ te spelen. Maar ook van mythische, freudiaans-seksuele verwijzingen wemelt het in het boek: zo worden Yuda’s dromen bevolkt door Sebul, een ‘wezen met het lichaam van een mens, maar met de kop en poten van een wolf’, die een ‘magisch, hemels geluid produceert, zoals de Fu, een blaasinstrument’ en die ‘met de benen uit elkaar’ op hem gaat zitten.
Als het gaat om seksualiteit neemt Utami geen blad voor de mond, al verzint ze rare metaforen voor de diverse lichaamsdelen. Vrouwen worden ‘beheerst door een peervormige zeekwal met twee dunne zwaaiarmpjes die in haar buik genesteld ligt’ en mannen zijn ‘niet meer dan een instrument van dat domme buideldiertje’ dat tussen hun benen hangt. Van de flora en fauna die Utami inzet om de menselijke paring aan te duiden, word je als westerse lezer op zijn minst een beetje lacherig. 




Dan zijn er de vele legenden die Utami ons vertelt, een greep uit de duizenden lokale mythen die het eilandenrijk kent. We lezen over het ontstaan van de Watugunung, het kalksteengebergte dat door de rotsklimmers de Zingende rots wordt genoemd, maar dat ook voorkomt in de kroniek over Java, de Babad Tanah Jawi. De legende verhaalt over de herkomst van de Javaanse kalender en legt uit waarom Javanen en Soendanezen van oudsher onder geen beding met elkaar mogen trouwen. Ook Nyai Ratu Kidul, de ‘mystieke godin van de Zuidzee’, speelt een symbolische rol in het boek én in de Indonesische cultuur. Utami staat stil bij de legendes over de Sangkuriangberg, ‘de evenknie van het Oedipusverhaal’, die heeft geleid tot het ontstaan van de vulkaan de Tangkuban Perahu. Maar ook een koloniale episode, de aanval op het Nederlandse fort door het leger van sultan Agung van Mataram, wordt door Utami verwerkt. Ze beschrijft hoe het traditionele wajangtoneel langzaam verdwijnt, waarbij met name de televisie, die in veel huishoudens 24 uur per dag aan staat, de schuld krijgt. Kronieken, feit en fictie en alle verschillende versies ervan blijken voortdurend met elkaar verweven en onontwarbaar verbonden.
Door de vriendschap tussen de twee jongemannen als rode lijn in haar boek te nemen, kan Utami hun verschillende achtergrond en hun meningsverschillen over allerhande onderwerpen illustreren.  Parang Jati ziet een rotswand niet in eerste instantie als een mogelijkheid zijn mannelijkheid te bewijzen, maar als ‘een dagboek’, waarin in iedere steen ‘de geschiedenis van de aarde’ verborgen ligt, en waarin ‘de zielen van de overledenen’ ons verhalen toefluisteren. Stenen met pinnen doorboren is voor hem een aantasting van de natuur, hij predikt ‘clean climbing’, klimmen zonder allerlei hulpmiddelen in de rots te hame
ren. Terwijl de ene man het moderne element vertegentwoordigt, met de daarmee gepaard gaande angst voor geesten, dwergen en ander bijgeloof, verpersoonlijkt de ander de traditie, de omgang met het verleden, de behoefte ‘waardevolle, oeroude kennis over onze herkomst’ te bewaren en de vele ceremonies in stand te houden. Terwijl de een in een ‘gewoon’ gezin is geboren, is de ander à la Mozes door een vrouw uit een mandje in de rivier opgepikt, geadopteerd door een rijke dorpsbewoner en van een taak voorzien: ‘wat oeroud is behouden, wat verdwenen is opnieuw ontdekken’. Dwars tegen de hedendaagse lofrede op de modernisering in, vraagt Parang Jati/Utami aandacht voor het behoud van lokale tradities en het doorgeven van oude wijsheden. ‘Moderne kennis leidt uiteindelijk niet tot bevrijding. Het is een instrument’.
Naast een impliciete stellingname in de dilemma’s die de moderne tijd met zich meebrengt, analyseert Utami, in het tweede en derde deel van haar boek, ook concrete twistpunten ten aanzien van het monotheïsme en het militarisme in haar vaderland. In dialogen wordt de monotheïstische islam afgezet tegen de Griekse, Javaanse en christelijke tradities. Parang Jati verdedigt met hart en ziel het polytheïsme: ‘Mensen die van mening zijn dat de islam niet zij aan zij kan bestaan met andere tradities zijn blind!’. Geloof in de lokale helden en mythen, zoals de koningin van de Zuidzee, kan, vindt hij, heel goed samengaan met het religieuze begrip ‘God’. In de vele politieke en economische crises die Indonesië doormaakt, wenden velen zich tot de religie. In alles wat Parang Jati, bijna als een prediker, verkondigt, roept hij op om niet alles voor zoete koek aan te nemen. Wees kritisch, is zijn parool, denk na, leer en vergelijk, gebruik je verstand, laat je niet om de tuin leiden. Hij verkondigt een nieuwe geloofsrichting, bedoeld voor mensen die rationeel zijn en tegelijkertijd een kritische houding aannemen ten opzichte van die ratio, voor mensen die de waarheid zoeken en die tegelijkertijd steeds weer ter discussie stellen. Of het nu om ‘cultuur’ gaat of om ‘een academisch onderwerp’ – alles is in wezen politiek, zegt een personage. En daar moet je je van bewust zijn, lijkt Utami te onderstrepen.
Niet voor niets verwijst de titel van haar laatste hoofdstuk, ‘militarisme’, naar militairen ‘die op de loer’ liggen, mensen van de geheime dienst die bevelen uitvoeren maar zelf niet weten van wie die komen. Militairen in ieder geval die niet onder de officiële regering vallen, maar wapens hebben en dus macht. Moord, verdwijningen, uit hun graf gestolen, vers begraven lijken – het zijn raadselachtige en gewelddadige elementen in een dorpse en laag opgeleide gemeenschap die ‘terreur, angst en verwarring’ zaaien. Wie, in dat kader, de evolutietheorie verkondigt en beweert dat de mens uit de aap voortkomt, loopt gevaar, wat Parang Jati aan den lijve zal ondervinden. ‘De grootste fout die seculaire mensen maken’, zegt een personages, ‘is dat ze de godsdienst in handen laten vallen van fundamentalisten’.
Zo verwoordt Utami, die zichzelf in haar boek opvoert als vriendin van de verteller en als auteur van zijn relaas, haar aanval op het fundamentalisme. Of het veel zal opleveren is maar de vraag. Er wordt weinig gelezen in Indonesië, het vaderland dat ze ‘met verdriet in mijn hart’ liefheeft en waaraan ze haar boek heeft opgedragen. Jammer dat de Nederlandse vertaling wordt ontsierd door slordigheden (‘metroseksuele man’). Verder een absolute aanrader voor wie iets meer van het grootste moslimland ter wereld wil begrijpen.

Ayu Utami, Het getal Fu. Vertaald door Maya Sutedja-Liem. De Geus. 533 blz. Prijs € 24,99
Utami is te gast op het Tong Tong Festival in Den Haag, 17 t/m 28 mei.

Dijkgraaf modereert ook.. de European Literature Night


16 mei 2012
Nacht van de Europese Literatuur
Europese Literatuur nu!

What does literature do? It is a guide to its own time. It expresses things that cannot be expressed in any other way. It addresses fundamental existentialist questions. And each period of our history is different, so that for centuries literature has been asking different  questions. Literature shows us a world without absolute truth. It is a world of ambiguity: : there are unanswered questions, multiple voices, and truths that contradict one another. In today’s literature such questions as ‘Where do we come from?’ and ‘Where are we going?’ are increasingly being heard, not least within Eur ope. Those are the urgent questions I will discuss tonight with our 8 guests: where do we come from and where are we going? What are the different layers, what are the different languages and what various tonalities do we hear? In literature you are not only yourself but also the other – who the other is can be found in literature.
For tonight I have arranged a programme around various themes, which I will discuss with the authors. But in each conversation, these questions will be asked: what makes literature urgent to them? Where do we come from and where are we going?

Of te wel:

Wat zijn de thema’s van romans en poëzie die vandaag de dag in Europa worden geschreven? Wat hebben romans vanuit verschillende delen van ons continent met elkaar gemeen? Wat vertellen zij ons over onze tijd en wat kunnen wij van hen leren? Dit zijn de centrale vragen die zullen worden gesteld tijdens de Nacht van de Europese literatuur. Tien auteurs, vanuit alle hoeken van Europa, zullen verschillende thema’s bediscussiëren met Margot Dijkgraaf. Tussen de gesprekken door is er een muzikale reis door Europa, verzorgd door Tjerk Ridder en Matthijs Spek, die verhalen, foto’s en songs over hun project Trekhaak Gezocht! zullen presenteren.
European Literature Night,  
European Literature now!
What are the themes of novels and poems which are written in Europe today? What do novels from different parts of our continent have in common? What do they tell us about our times, and what can we learn from these novels? These are the key questions to be raised at the European Literature Night. Ten authors from all over Europe will discuss a variety of themes in conversation with Margot Dijkgraaf. In the intervals between these conversations, there will be a musical trip across Europe by Tjerk Ridder and Matthijs Spek, who will present stories, photographs and songs about their project Trekhaak Gezocht!
19.30 hrs – 20.00 hrs
Trauma’s en kindertijd: Hoe schrijf je over geweld?
John Burnside & György Dragomán

Op welke manier resoneren gewelddadige gebeurtenissen die tijdens de kindertijd hebben plaatsgevonden in literaire werken? Enkele terugkerende elementen in Burnside’s poëzie, fictie en memoires zijn donkere schaduwen, jeugdtrauma’s en de aanwezigheid alom van de dood in het leven. In zijn tweede roman, The white king, bouwt Dragomán aan een
wreed en beangstigend portret in het dictatoriale Roemenië onder Ceausescu.
Traumas and childhood: how to write about violence?
John Burnside & György Dragomán
In which ways do violent childhood experiences resonate in literary works? Dark shadows, childhood traumas, and the omnipresence of death are reoccurring elements in Burnside’s poetry, fiction and memoirs. In his second novel, The White King, Dragomán presents a relentless and frightening portrait of childhood in Ceausescu’s totalitarian Romania.
—————–
20.00 hrs – 20.15 hrs:
Tjerk Ridder & Matthijs Spek – Trekhaak Gezocht!
—————-
20.15 hrs – 21.00 hrs
Europa – Hoe gaan wij met ons verleden om?
Mircea Cartarescu & Jean Mattern & Janne Teller

Terwijl Europa vandaag de dag veelal geassocieerd wordt met financiële en economische rampen hebben schrijvers hun eigen manier om ons continent te beschrijven. Wat betekent deze geschiedenis voor ons als individu? Hoe verandert het ons leven? Hoe zag dit er 50 jaar geleden uit? En hoe beïnvloedde dit het leven van families over alle delen van het continent?

Europe – how to deal with our past?
Mircea Cartarescu & Jean Mattern & Janne Teller
Europe today is frequently associated with financial and economic disasters, but writers have their own ways of depicting our continent. What does European history mean to us as an individual? How does it change our lives? What did Europe look like 50 years ago? And how has European history affected the lives of families over all parts of the continent? 
——————–
21.00 hrs – 21.30 hrs: pauze
——————-
21.30 hrs – 22.00 hrs
Geheimen: het ontdekken van ondragelijke waarheden
Stephan Thome & Tomáš Smeškal
Tegen de achtergrond van de ‘grote’ geschiedenis worden onze levens bepaald door keuzes in liefde en werk. Veel blijft verborgen – in familiegeschiedenis en in het leven van ieder individu. De ware drijfveren van mensen komen zelden aan de oppervlakte. Hoe weerspiegelt literatuur de geheimen die mensen koesteren? Heeft literatuur juist mysterie nodig? Wat betekent dat voor de compositie van een roman? Deze twee auteurs gaan daar, ieder op hun eigen manier, mee om: het leidt tot verhalen over schuld en vergeving, over de jacht op geluk en de mens als speelbal van de geschiedenis.  

Secrets: discovering unbearable truths
Stephan Thome & Tomáš Smeškal
Our lives are not only shaped by major historical developments, but also by the personal and professional choices we make. Many things remain hidden – in family histories as well as in the lives of individual people. The true motives of people rarely come to the fore. How does literature reflect the personal secrets of people? To what extent does literature need mystery? What are the implications on the composition of a novel? These two authors all deal with this in their own way. This leads to stories about guilt and forgiveness, about the pursuit of happiness, and about human beings as pawns of history.  
———————
22.00 hrs – 22.30 hrs:
Tjerk Ridder & Matthijs Spek – Trekhaak Gezocht!
———————
22.30 hrs – 23.00 hrs
Liefde en huwelijk, waarheid en leugens
Joke Hermsen
Veel personages van deze twee schrijfsters, vaak vrouwen, zijn eigenzinnig, tegendraads – en buitenstaander. Hoe staat het ervoor met het huwelijk, aan het begin van de 21e eeuw? Waaraan ontleent de vrouw van nu haar identiteit en welke rol speelt de verbeelding daarbij? Wat is de nieuwe mannenrol? Wat betekent het om, zoals beide schrijfsters doen, ‘tussen twee landen’ te schrijven? In hoeverre kijken deze auteurs ‘over de grens’ en welke blik werpen ze op hun geboorteland? Hoe kijken ze aan tegen het Europa van nu?
Love and marriage, truth and lies
Joke Hermsen
A lot of characters of these two writers, frequently women, are headstrong, defiant – and outsiders. What is the state of marriage at the beginning of the 21st century? How do contemporary women construct their identities, and what is the role of imagination in this process? What is the new role of men? What does it mean to write ‘between two countries’, as is the case with these two writers? To what extent do they look ‘beyond the border? How do they perceive their home countries as well as contemporary Europe nowadays? 
Absolute aanraders:

John Burnside: Black cat bone, poetry
Györgi Dragomán: De witte koning
Mircea Cartarescu: De trofee
Jean Mattern: De baden van Kiraly
Janne Teller: Niets
Stephan Thome: Weidmanns redding
Tomás Zmeskal: Een liefdesbrief in spijkerschrift
Joke J. Hermsen: Blindgangers

Dijkgraaf bezoekt…de boekpresentatie van Isabelle Raynauld in Parijs

La librairie Ciné Reflet et les éditions Armand Colin vous proposent de
rencontrer
Isabelle Raynauld
Samedi 12 mai 2012 à partir de
18h30
pour son livre
LIRE ET ÉCRIRE UN SCÉNARIO
Dédicaces et convivialité québécoises
autour d’un verre

Quʼest-ce quʼun « bon » scénario? Comment savoir si lʼultime version de ce
scénario est prête à tourner ? Si le scénario est écrit pour être réalisé, il est
aussi, forcément, un texte qui doit être lu. Lʼécriture et la lecture sont
traitées dans cet ouvrage comme un couple inséparable, car nos manières
de lire le scénario importent autant, sinon plus que son écriture. Comment
aider un scénariste à écrire? Quʼattendons-nous du scénario, quʼespère-ton
y trouver? Quʼont en commun les scénarios qui ont donné des films forts
et mémorables? Pourquoi tant de scénarios ne seront-ils jamais réalisés?
Le scénario est un désir de film et il en est aussi la promesse. Comment
réussir à écrire ce que comme scénariste nous aimerions voir à lʼécran? À
toutes ces questions ce livre apporte des réponses précises et propose des
clés dʼécriture et une réflexion sur le fonctionnement textuel du scénario.
Isabelle Raynauld: Scénariste, réalisatrice et professeure à l’Université de
Montréal, Québec, Canada. Elle a obtenu un Ph.D. sur l’écriture du
scénario de l’Université Paris VII en 1990. Elle a été professeure invitée en
cinéma aux Universités d’Amsterdam (1996), Sorbonne Nouvelle, Paris III
(Hiver 1998 ; 2009-2011), Utrecht (1999) et le MIT (Boston 2000). Elle a
réalisé trois courts-métrages de fiction et quatre documentaires. Le Minot
d’or relate la vie de déficients intellectuels dans un village. Le film a récolté
le Prix Jutra du Meilleur documentaire en 2002 ainsi que deux Prix
Gémeaux pour le montage image et la musique. Suivent Histoires de zizis
et un documentaire sur le passé français et le statut encore féodal d’une
des Iles de la Manche : Un Homme à l’Isle de Sark. Le plus récent, Le
cerveau Mystique explore les liens entre la spiritualité et les neurosciences
(produit par l’Office National du Film du Canada) ; il a gagné le Prix
Gémeaux du Meilleur documentaire catégorie Sciences et Sociétés en
2009. Son premier scénario de long-métrage (La nuit d’Antoinette) devient
le film Emporte-moi. Il a reçu le prix du meilleur scénario à Chicago et le
Prix Oecuménique au Festival international de Berlin. Elle écrit
actuellement un suspense avec l’auteur et producteur anglais David
Pearson. Le UK Film Council les a invités au Festival de Cannes en tant
que panélistes pour discuter de leur collaboration et co-écriture de leur film
The Hum. C’est une co-production entre le Canada et le Royaume-Uni. Elle
prépare actuellement un documentaire sur le cerveau et la musique
(récipiendaire d’une subvention de recherche-création du Conseil de
Recherches en Sciences Humaines du Canada 2011-2014). Isabelle
Raynauld vit à Montréal.
Librairie Ciné Reflet 14, rue Monsieur le Prince 75006 Paris – Métro
Odéon tél. : 01 40 46 02 72 tlj de 13h à 20h cine.reflet@wanadoo.fr –
http://www.cinereflet.fr/ – http://facebook.com/cinereflet